veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Mechel Jamenfeld

Mechel Jamenfeld

‘Ik ben geboren in Amsterdam op 24 december 1934. De kinderen waar ik ondergedoken was, zeiden: “Ach, wat jammer. Als je een dag later was geboren, was je een kerstkindje geweest.” Nou moet ik zeggen dat ik in die jaren grotere zorgen had dan dat, want ik werd vervolgd en ik was bang.

Mijn vader heette Mozes Jamenfeld en kwam aan het eind van de Eerste Wereldoorlog uit Polen. Ik neem aan dat hij onderweg was naar Amerika, maar hij is in Nederland blijven hangen. Dat was achteraf een dramatisch besluit. Ze konden toen niet weten wat er laten zou gebeuren.

bakkerij Blok, AmsterdamEr was een Joodse koosjere bakkerij in Amsterdam, Bakkerij Blok, en in die jaren werd brood thuis bezorgd. Mijn vader was chauffeur. Hij ging ’s ochtends naar Bakkerij Blok om brood en challot te halen, en die bezorgde hij bij de mensen. Hij had een Ford-bestelwagen. Ik kan me de auto nog goed herinneren, een blauwe bestelwagen. Het was een tamelijk grote auto en van binnen waren planken aan de wand en daar lag het brood op. We waren niet rijk, maar middenstand.

Mijn moeder, Rachel Gastwirth, kwam ook uit Polen. Ons gezin was een religieus gezin. We gingen elke Sjabbat naar sjoel, of misschien iedere dag wel, dat weet ik niet meer.

Ik was het eerste kind van mijn ouders. Daarna kwam een broertje, Benjamin, maar hij is op vierjarige leeftijd overleden aan een hartkwaal. Mijn zusje Miriam werd geboren in 1942.

Aangezien mijn ouders statenloos waren was ik ook statenloos.

Wij spraken thuis Jiddisch. Het Hollands van mijn moeder was niet al te best zover ik mij herinner. Mijn vader sprak wel goed Nederlands. Als er iets was wat niet voor mijn oren bestemd was dan gingen mijn ouders over in het Pools. Na de oorlog heb ik het Jiddisch weer herleerd.’

 

Lagere school

 

Talmoed Thoraschool, Tweede Boerhaavestraat 7, Amsterdam, 1924. beeld: Stadsarchief, Amsterdam
Talmoed Thoraschool, Tweede Boerhaavestraat 7, Amsterdam, 1924. Beeld: Stadsarchief, Amsterdam

‘Wij woonden in de Tweede Boerhaavestraat in Amsterdam, een goede middenstandsbuurt. We woonden in een mooi huurhuis. In diezelfde straat was een Montessori-kleuterschool en daar ging ik heen. Tot de dag van vandaag kan ik mij herinneren wat we deden. Dat was heel leuk. Met behulp van echte munten leerden we met geld omgaan en we leerden hoe we strikken moesten maken.

Daarna ging ik naar de lagere school die tegenover ons huis lag. Ik heb foto’s daarvan. Die school was oorspronkelijk een Joodse school, want hij heette de Talmoed Torahschool. Op de gevel van de school stonden de Hebreeuwse letters ת ו ר ה ת ל מ ו ד . Ik ben daar niet zo lang gebleven want de oorlog brak uit. Op Sjabbat gingen wij niet naar school.’

 

De boeken van oom Isaak Jamenfeld

 

‘De broer van mijn vader heette Isaak. Hij woonde in Amsterdam aan de Plantage Doklaan. Die oom kocht en verkocht Joodse halachische boeken, Hebreeuwse literatuur. Zijn hele huis stond vol met boekenkasten. Ik kwam daar vaak spelen. Hij had misschien wel een paar duizend boeken thuis. De meeste van zijn boeken waren ongeveer tweehonderd jaar oud.

boekstempel van Izaak Jamenfeld. Dit stempel komt uit een boek dat door de nazi’s was geroofd en later in het Offenbach Archival Depot werd gesorteerd door kolonel Seymour Pomrenze, een van de “Monuments Men”.
Boekstempel van Isaak Jamenfeld. Dit stempel komt uit een boek dat door de nazi’s werd geroofd en later in het Offenbach Archival Depot werd gesorteerd door kolonel Seymour Pomrenze, een van de “Monuments Men”. In de Seymour Pomrenze-collectie van de American Jewish Historical Society bevinden zich twee plakboeken met boekstempels, waaronder dit stempel.

Wanneer de Joden uit hun huizen waren vertrokken of gehaald, dan werden deze woningen “gepulst” of door anderen leeggeroofd. Ook die boeken van mijn oom zijn op een of andere mysterieuze manier naar Duitsland gegaan.

Na de oorlog werd de Commissie van het Joodse Boek opgericht. Ik meen dat de man Hirsch heette. Die commissie hield zich bezig met het opsporen en terugbrengen van boeken die in Duitsland boven water gekomen waren. Op verschillende plaatsen werden depots gevormd, lijsten met namen werden aangelegd en gepubliceerd, zodat verloren gewaand bezit kon worden opgeëist.

Op een dag werd ik opgebeld door die man van die commissie en hij vroeg: “Spreek ik met Jamenfeld?” “Ja,” zei ik. “Had u familie die Isaak Jamenfeld heette?” vroeg hij. “Dat was mijn oom,” zei ik. “Daar zijn een paar boeken van ontdekt in Duitsland,” vertelde hij.

Ik heb een aantal van deze boeken gekregen en die staan nu samen op een plank in mijn boekenkast. Een van die boeken is zeshonderd jaar oud: Arbaä Toeriem, geschreven omstreeks 1400. Op dat boek heeft rabbi Yosef Karo zijn codex gebaseerd: de Sjoelchan Aroech. Tot op de dag van vandaag volgt elke vrome Jood dit Joodse wetboek.’

 

Hebreeuwse les

 

‘Mijn vader wilde niet dat ik als onwetende zou opgroeien. Daarom kwam meneer Kleerenkooper, een familielid van ons, tegen bezoldiging als privéleraar mij Hebreeuws leren. Hij kwam bij ons thuis. Ik was toen een jongetje van een jaar of zes. Het eerste woord dat ik geleerd heb was het woord bakboek (fles). Dat heet met een mooi woord “onomatopee”. We hebben een fles met water gevuld. Meneer Kleerenkooper liet hem leeglopen. Het geluid dat we hoorden was: “Buk, buk, buk.” Daarom heet het bakboek, zei meneer Kleerenkooper. Ik heb een jaar of anderhalf jaar les van hem gehad, tot we opgepakt werden.

Ondanks dat mijn ouders vroom waren, ging ik naar de Montessori-kleuterschool. Daar kwam begin december Sinterklaas. Mijn vader wist dat dat erbij hoorde. Mijn vader was niet liberaal, maar hij was ook niet fanatisch. Buiten school speelde ik bijna niet met niet-Joodse kinderen.’

 

Niet onderduiken

 

‘Iedereen wist dat Joden werden opgepakt en gingen werken in Duitsland. Mijn vader zei tegen mijn moeder: “Ik ben een sterke man. Dan ga ik een paar jaar werken, en kom ik weer terug.”

Ik kan me ook nog herinneren dat mijn vader tegen mijn moeder zei: “Eigenlijk zouden we ons moeten verstoppen. Ik ken een heleboel niet-Joden, want ik breng ook broden aan niet-Joden, dus ik heb niet-Joodse klanten en misschien is iemand bereid.” Maar hij zei ook: “Ik wil geen mensen lastig vallen.” Vandaag klinkt het haast tragisch, belachelijk, komisch. Maar goed, ze hadden geen idee.’

 

Crèche

 

Directrice Henriëtte Pimentel (met haar onafscheidelijke hondje Brunie) en onderdirectrice juffrouwBurghoorn in het raam van de crèche aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, ca. 1942. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam
Directrice Henriëtte Pimentel (met haar onafscheidelijke hondje Brunie) en onderdirectrice juffrouw Burghoorn in het raam van de crèche aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, ca. 1942. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

‘Ik ben een van de kinderen die uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg zijn gesmokkeld.

De crèche stond onder leiding van mevrouw Pimentel. Er waren leidsters – wij noemden hen zusters – en een van hen zei: “Jij wordt morgen verstopt.” Ik kon uiteraard geen koffer meenemen, dus ik moest twee paar sokken aan, twee hemden, twee onderbroeken, twee bloesjes over elkaar.

Er reed een tram precies tussen de crèche en de schouwburg. Men wachtte tot de tram kwam. De Duitse bewaker van de schouwburg kon de crèche dan net niet zien. Daar stond iemand klaar en die nam mij mee naar de tram.

Plattegrond van de Hollandsche Schouwburg, de tegenovergelegen crèche aan de Plantage Middenlaan, en de directe omgeving. Beeld: Wikimedia Commons / Erremm
Plattegrond van de Hollandsche Schouwburg, de tegenovergelegen crèche aan de Plantage Middenlaan, en de directe omgeving. Beeld: Wikimedia Commons / Erremm

Met de tram gingen we tot het Centraal Station. Vlakbij het Centraal Station staat de grote Sint Nicolaaskerk. In het portaal van die kerk stond iemand van de ondergrondse te wachten en die nam mij over. Er was ook nog een Joods meisje. Waar die vandaan kwam weet ik niet. De jongedame van de ondergrondse ging dus met twee Joodse kinderen de trein in. Na uren rijden kwamen we ergens aan. Ik weet niet meer waar. Ik kan me alleen mijn laatste adres nog herinneren.’

 

Onderduik

 

‘Ondanks dat ik in het zuiden ondergedoken was, zat ik altijd bij protestantse families. Bij het eerste adres waar ik was – ik kan me de plaats niet meer herinneren – maar ik kan me wel herinneren dat ik heel aardig werd ontvangen. Het was precies tijdens het middageten. Er stond een grote schaal met vlees en groente, en bieten op tafel. Sindsdien houd ik niet meer van bieten. Ik zei: “Het spijt me zeer maar ik mag dat niet eten. Het is niet koosjer.” Waarop ik moest uitleggen wat koosjer was. Toen heeft die man, een bijzonder aardige man, me uitgelegd wat de toestand was. Ik was een kind, en wist dat ik vervolgd werd, maar het was toch niet helemaal duidelijk. Daarna heb ik gegeten.

Een paar dagen later was het zondag en ze gingen naar de kerk, maar dat vond ik beetje te ver gaan. Eten moest ik wel om te leven, maar naar de kerk gaan. Goed, daarna volgde weer hetzelfde verhaal: “Natuurlijk ging men naar de kerk” en ik moest mee. Ik moet zeggen, na een bepaalde tijd heb ik bijzonder genoten. Ik heb een vroom hart. Ik kwam uit een vrome familie. Ik heb die switch gemaakt naar een protestantse familie en naar het protestantisme en ik vond die psalmen mooi. Ik heb nog altijd een psalmboekje hier. Bij een van de families waar ik was, was hij de organist van de kerk en ik mocht naast hem op een bankje zitten.’

 

Laatste adres: Kaatsheuvel, familie Krijl

 

Schoolhuis Lage Zandschel 2. In het schoolhuis woonden de hoofdonderwijzer Johannes Krijl en zijn vrouw Jantje Krijl–Schoemaker met hun twee kinderen Marion en Harold. Zij hadden twee Joodse onderduikers:Mechel en Gershon. Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle
Schoolhuis Lage Zandschel 2, Kaatsheuvel. In het schoolhuis woonden de hoofdonderwijzer Johannes Krijl en zijn vrouw Jantje Krijl–Schoemaker met hun twee kinderen Marion en Harold. Zij hadden twee Joodse onderduikkinderen:Mechel en Gershon. Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle

‘De laatste familie waar ik ondergedoken was, was in Kaatsheuvel bij de Johannes Krijl en Jantje Krijl-Schoemaker. Mijnheer Krijl was hoofd van de kleine openbare school. Kaatsheuvel was voornamelijk een katholiek dorp met voornamelijk katholieke scholen.

Bij de familie Krijl werd niet gebeden voor en na het eten. Als Joods christelijk jongetje vond ik het helemaal niet zo leuk. Dus ik raapte al mijn moed samen en na de eerste maaltijd zei ik: “Mag ik u wat vragen?” Hij was een strenge maar aardige man. Ik zei: “Dat kan zo niet, voor het eten zeggen jullie niets, en na het eten zeggen jullie niks.” Ik dacht namelijk in mijn eenvoud dat alle christenen vroom waren. Net zoals alle Joden die ik kende vroom waren. Ik begreep dat nog niet allemaal zo. Toen heeft hij me uitgelegd dat zij niet vroom waren.

De familie Krijl met Mechel en Gershon.Vlnr: Jantje Krijl-Schoemaker, Harold Krijl, Marion Krijl, Mechel Jamenfeld, Gershon Eisenmann en Jan Krijl. Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle
De familie Krijl met Mechel en Gershon. Vlnr: Jantje Krijl-Schoemaker, Harold Krijl, Marion Krijl, Mechel, Gershon Eisenmann en Jan Krijl. Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle

Bij de andere families waar ik ondergedoken was, werd voor het eten “Here, zegen deze spijze, amen” gezegd. Na het eten had je het Onze Vader, en als je ging slapen had je een liedje: “Ik ga slapen, ik ben moe, sluit mijn beide ogen toe, Here houd ook deze nacht over ons getrouw de wacht.” Dat vond ik allemaal heel aardig.

Krijl had thuis een klein orgeltje, en daar speelde hij iedere zondag op. Een harmonium werkt op lucht, en dan mochten op zondagochtend zijn kinderen en ik om de beurt zwengelen terwijl hij zat te spelen.

Ruth, David en Gershon Eisenmann spelen in de tuin van hun huis, kort voordat zij onderdoken. 1943. Beeld: USHMM / Ruth Lange
Ruth, David en Gershon Eisenmann spelen in de tuin van hun huis, kort voordat zij onderdoken, 1943. Beeld: USHMM / Ruth Lange

Mijn onderduiknaam was Kees Heraut. Ik noemde de mensen allemaal “oom” en “tante”. Bij de familie Krijl mocht ik naar school. Ik heb nog ergens de inschrijfkaart voor school met die naam.

Bij de familie Krijl was nog een Joods jongetje ondergedoken, Gerrie. Gerrie heette eigenlijk Gershon Eisenmann. Hij kwam ook uit Amsterdam.’

Uitreiking van de Yad Vashem-onderscheiding Rechtvaardigen onder de Volkeren aan Jan Krijl en Jantje Krijl-Schoemaker (postuum), 2017. De award wordt in ontvangst genomen door hun kleindochter Sandra.Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle.
Uitreiking van de Yad Vashem-onderscheiding Rechtvaardigen onder de Volkeren aan Jan Krijl en Jantje Krijl-Schoemaker (postuum), 2017. De award wordt in ontvangst genomen door hun kleindochter Sandra. Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle

Miriam

 

‘Ik wist dus dat ik een zusje had, maar door alles wat er gebeurd was, was ik haar naam vergeten. Na de oorlog zei mijnheer Krijl: “Ik wil eens met je praten. Weet je dat je een zusje hebt?” Ik antwoordde: “Ja, dat weet ik. Haar naam begint met een M, maar ik ben haar naam vergeten.”

Hij zei; “De oorlog is voorbij. Als je wilt kun je bij ons blijven en we laten je opgroeien met onze kinderen samen. Maar als je dat niet wilt, dan kun je teruggaan naar je eigen volk.” Zo zei hij dat. Ik antwoordde: “Ik wil terug naar mijn eigen volk.”’

 

Terug naar Amsterdam

 

Herdenkingstegeltje van Gershon Eisenmann die bij de familie Krijl ondergedoken zat.Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle
Herdenkingstegeltje van Gershon Eisenmann die bij de familie Krijl ondergedoken zat. Beeld: Heemkundevereniging Sprang-Capelle

‘Direct na de oorlog ben ik eerst een paar maanden bij de familie Eisenmann geweest. Bij de Eisenmanns had ik niets te doen en ik was een beetje aan het wandelen. Ik stond op een bepaalde kade in Amsterdam – ik weet nog precies waar het was – en toen bedacht ik bij mezelf: eerst een vrome Joodse jongen, daarna een vrome protestantse jongen, nu weer een vrome Joodse jongen. En wat dacht ik toen? Ik dacht bij mezelf: wat zou de Heere Jezus daar nou wel van zeggen?’

 

Hilversum: Nathan en Lies Dasberg

 

‘Ik had dus gezegd: “Ik wil naar mijn volk terug.” Iemand is mij komen ophalen en die heeft mij in Hilversum afgezet. Zo kwam ik een paar maanden na de bevrijding in het kinderhuis van de familie Dasberg. Het huis had de naam Prozdor. Die naam was een uitvinding van Nathan Dasberg, want het was dus een “doorgang” van Nederland naar Palestina. We leefden daar vroom.

Prozdor Dasberg
Prozdor, Hoge Naarderweg 49 in Hilversum. Nathan Dasberg staand in midden. Links van Nathan staat Mechel (met wit kraagje). Chawa Dinner-Loopuit staat naast Lies Dasberg met haar baby Baruch. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 5347/2

De personen waar ik het meest van hield na de oorlog waren Nathan Dasberg en zijn vrouw. Met de anderen was ik ook goed, maar Nathan was een heel bijzondere man.

Op de dag dat ik aankwam, zaten er wat kinderen te spelen, te lezen, te praten. Ik wist niet hoe ik me moest houden, dus ik zei: “Moeten jullie goed kijken, ik ken een nieuwe truc.” Ik ging op mijn rug liggen met mijn benen in de lucht. Dat was een mesjogge begin.

We gingen op de fiets naar de openbare lagere school. Daarna ging ik naar het gymnasium. De chacham (Sefardisch Joodse benaming voor (opper)rabbijn van de Portugese gemeente) gaf op dat gymnasium Latijn en ik geloof ook Grieks. Wij, de Joodse leerlingen, hadden het voorrecht dat we op Sjabbat niet naar school gingen. Op deze niet-Joodse scholen werd daar rekening mee gehouden. Zo werden op zaterdag minder belangrijke vakken zoals gymnastiek gegeven.

Er was een jongen op de lagere school, dat was geen aardige jongen. Hij begon mij uit te schelden in de pauze: “Vuile jood”, en “jodenspuug” – wat dat betekende weet ik niet. En “Jodenlijm”, nog erger. Toen dacht ik bij mezelf: wacht jij maar mannetje. In het kinderhuis was mijn beste vriend Shmuel Dasberg, een neef van Nathan Dasberg, en Shmuel was sterk.

Ik zei: “Shmuel, kom eens met mij mee naar school.” Ik bracht dus versterking mee. In de pauze ging Shmuel met mij mee naar die jongen en hij zei: “Had jij wat tegen Mechel te zeggen?” Daarna was het rustig.

Of iemand mij verteld heeft dat mijn ouders dood waren of dat ik dat zelf wel begreep, maar bij de familie Dasberg begonnen we pas te beseffen wat er eigenlijk gebeurd was. Ik weet dat ik een soort wensdroom had van: zo meteen gaat de deur open en dan komen mijn ouders terug. Maar ik wist toen al dat dat een illusie was.’

American Jewish Joint Distribution Committee
Auto van de American Jewish Joint Distribution Committee (JDC) voor Prozdor, de Lindenheuvel in Hilversum, 1946. Chawa Dinner-Loopuit (tweede van rechts met vlechten), Mechel (met tas), Lex (Alexander) Dasberg (vierde van rechts), Gitta Steinberg (vijfde van rechts, met vlechten), Meir Zwart (zesde van rechts), Paultje de Jong (helemaal links). Beeld: JDC Archives

 

Oorlogspleegkind – OPK

 

‘Mijn zusje Miriam was ondergedoken bij de familie De Wever in Heerlen, een humanistische familie. Deze familie wilde haar na de oorlog niet afgeven. Mijn zusje werd een zogenaamd oorlogspleegkind en de Joodse gemeente is een rechtszaak begonnen. Dat was wel tragisch. De mensen die hun eigen leven in groot gevaar hadden gebracht werden door dezelfde gemeente aangeklaagd. Daar klopte iets niet. Het was volgens mij niet in orde.

De rechtbank besloot dat het het beste voor mijn zus was om bij de onderduikouders te blijven. Er werd door sociale werksters gecontroleerd of de familie wel goed voor mijn zus was. Mijn zuster is bij de familie De Wever gebleven tot ze meerderjarig was.

Ik had het recht om haar in de vakantie te bezoeken. Dan ging ik van Hilversum naar Heerlen. Dat was een reis van drie of vier uur. De Wever werkte bij de administratie van de Prins Hendrik-mijnen. Het was een bijzonder aardige familie. Ik bleef dan ook een paar nachten slapen. Elke avond voordat ze ging slapen, las ik haar dan een leuk verhaal voor.

Ik ging met mijn zusje wandelen en ik nam haar mee naar de ijssalon. Dat was een bijzondere traktatie voor haar, dat vond ze zo lekker. Meestal bracht ik ook een cadeau mee. Daar zat ook iets achter. Dat was niet zo mooi, maar wij wilden dat kind in zekere zin kopen. Dus ik mocht een autoped voor haar kopen en allerlei andere cadeaus zoals kinderboeken van geld dat ik kreeg van de Joodse gemeente.

In de loop der jaren is er zo toch een zekere liefde gegroeid, langzaamaan. Zij heeft met haar man mij en mijn gezin in Israël een aantal keren bezocht.’

 

Bert en Cissy Kanteman

 

‘Nadat Nathan Dasberg met vrouw en de meeste kinderen in januari 1949 op Alijah naar Israël waren gegaan, besloot de Stichting Hachsjara en Alijah dat Prozdor een hachsjara werd. Bert Kanteman en zijn vrouw Cissy werden aangesteld als leiders van Prozdor. Kanteman kwam uit Twente.

Helaas vond men een brede algemene opleiding indertijd overbodig. Men moet gedacht hebben dat er in Israël geen intellectuelen nodig waren. Na dat ene jaar gymnasium hebben ze me gewoon van school gehaald. Dat doet me tot vandaag de dag pijn.

Ik ging niet mee op Alijah met de familie Dasberg vanwege mijn OPK-zusje Miriam. Het idee aan Joodse zijde was: Mechel blijft in Nederland en dan willen we tegen de rechter zeggen: “Kijk, de broer wil eigenlijk naar Palestina want hij is opgevoed als zionist. Hij is vroom. Hij heeft familie in Palestina, die Mechel en Miriam verwachten en bereid zijn hen met open armen in hun familie op te nemen. Dat was ook zo. Hij wil samen met zijn zusje naar Palestina gaan.” Maar Miriam bleef daar en ik bleef in Nederland. Ik hoopte dat ze haar op een dag zouden laten gaan en dat ze dan met mij mee zou gaan. Dat is niet gebeurd. Ik heb zo in feite een aantal jaren op haar gewacht.

In Prozdor had ik ook mijn eerste liefde, mijn eerste vriendin, Gita. Zij woonde ook in dat huis en samen maakten we altijd berekeningen. Er zijn hier vijfentwintig kinderen. Hoeveel kinderen hebben helemaal niemand meer, en hoeveel kinderen hebben nog een vader of een moeder? Nu klinkt het droevig, maar toen voelden we dat niet zo. De meeste kinderen hadden helemaal niemand, geen ouders, niemand. Ik had familie in Israël, Gita ook.’

 

Studieweekenden Prozdor

 

‘Op Prozdor werden studieweekenden georganiseerd. Deze weekenden waren ook voor jeugd van buitenaf. Die werden dan uitgenodigd om naar Prozdor te komen. Op een van die studieweekenden werden de bijbelboeken Hoshea-Amos bestudeerd. Deze weekenden hadden een hoog peil.

Mijn onderduikbroer Harold Krijl woonde later in Hilversum. Bij een bezoek aan Nederland zei ik: “Kom, Harold, laten we eens gaan kijken bij de Hoge Naarderweg 49.” We konden het huis niet meer vinden, waarschijnlijk was het gesloopt, of zo.’

 

Tuinbouw leren in ’s-Graveland

 

‘We stonden om zes uur op. Het was een vroom huis en er was een klein sjoeltje in huis. We gingen tefilien leggen en bidden, tefilat sjachariet, het ochtendgebed. Dan gingen we snel wat eten en dan met de fiets naar de groentetuin in ’s-Graveland.

Daar was een hele aardige niet-Joodse man, meneer De Man en zijn gezin. Hij leerde ons tuinbouw. Hoe je aardbeien moet verbouwen en bieten en zo. We werkten van acht uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags. Dan gingen we terug naar Prozdor. We gingen daar middageten en ’s middags deden we huiswerk.’

 

Rabbijnen-seminarium in Amsterdam

 

‘Een paar keer in de week ging ik ’s avonds met een groepje naar Amsterdam, naar het rabbijnen-seminarium. Niet allemaal, alleen de beste leerlingen. We waren met een groepje van vier à zes. Niet omdat we rabbijn wilden worden, maar er was in Amsterdam geen enkele andere plaats waar je behoorlijk Jodendom, of Joodse wet, kon leren. Dan hadden we les van opperrabbijn Schuster. Iedere zondagmorgen leerde ik. Ik leerde Hebreeuws bij Jo Melkman.

Toen ik voor de eerste keer in Israël aankwam kon ik al snel Hebreeuws schrijven en lezen.

’s Avonds, na zo’n lange dag, zaten we dan bij rav Schuster die les gaf in een lokaal van de synagoge aan de Obrechtstraat in Amsterdam. De lessen begonnen zo rond half acht en om negen uur precies. Iedere keer viel ik in slaap. Dat wisten ze allemaal en dan moesten ze een beetje lachen. Een avond gebeurde er een wonder. Ze vroegen: “Mechel, wat is er gebeurd? Het is negen uur en je slaapt nog niet.” Daarna moesten we weer met de trein terug naar Hilversum. Zulke lange dagen waren allemaal wat te veel.

Op een gegeven moment zijn Bert en Cissy Kanteman op Alijah gegaan. Toen kwam er een andere madriech en die is ook op Alijah gegaan. Er kwam een nieuwe madriech en die is ook weer op Alijah gegaan.

Hoe zal ik het zeggen, in mijn herinnering leek het net alsof je op drijfzand liep. Je had geen vaste grond. Zo heb ik het gevoeld. Je verliest je ouders en niemand vertelt je dat van tevoren. Je zit alleen in die crèche. Je gaat bij niet-Joodse families, en dan kom je weer terug. Dat heeft me jarenlang bijzonder gestoord. Ik heb mijn herinneringen opgeschreven en genoemd: Bits and Pieces. Omdat je leven, door de oorlog, maar ook daarna, in zekere zin verknipt was. Je deed dit een jaar, en dat een jaar. Ik heb psychologisch een aantal heel moeilijke jaren gehad.’

 

Machon en seminar Aliyat Hanoar

 

‘Onze Bne Akiwa-sjelichiem waren Eli Toren en Simcha van Frank. Volgens mij heeft Simcha tegen mij gezegd: “Waarom ga je niet een jaar naar het Machon?”

Ik was jarenlang lid van Bne Akiwa en daarna hebben ze mij naar het Machon L’Madrichei Chutz La’Aretz gestuurd. Daar heb ik een jaar gezeten. Dat werd betaald door de Jewish Agency, de reis en alles. Het kostte je geen cent. Maar je was verplicht om terug te gaan naar Nederland en je daar twee jaar in te zetten voor een jeugdbeweging.

Na het jaar op het Machon had ik eigenlijk terug naar Nederland moeten gaan. Dat was zo afgesproken. Maar ik zei: “Dat doe ik liever niet.” In plaats daarvan besloot ik een jaar naar een seminarie van de Aliyat HaNoar in Bayit VeGan te gaan. Daar heb ik ontzettend veel geleerd. Het was de eerste plek waar ik echt intellectuele voldoening voelde. Waarom? Omdat de docenten daar professoren van de universiteit waren. Onder hen was onder andere Nechama Leibowitz. Zij gaf les in Tenach met de middeleeuwse verklaarders zoals Rashi, Rambam en Ibn Ezra. Wie dat allemaal betaald heeft, weet ik niet meer.’

 

Merakez

 

‘Terug in Nederland zat ik op het kantoor van Bne Akiwa in Amsterdam aan de Johannes Vermeerstraat 22. Elke Sjabbatmiddag hadden we een Bne Akiwa-bijeenkomst in de Obrecht-sjoel. Ook bezocht ik af en toe Bne Akiwa-afdelingen buiten Amsterdam. Soms door de week, soms bleef ik over Sjabbat. Dan was ik bijvoorbeeld te gast bij rabbijn Vorst in Rotterdam. Later was ik heel goed bevriend met zijn kinderen. Als ik in Rotterdam was dan gaf ik een peoela (een activiteit, in het bijzonder een bijeenkomst van een jeugdvereniging)

In de loop der jaren had ik bij rabbijn Schuster en op het Machon een behoorlijke kennis opgedaan, dus ik gaf een peoela. Ik bezocht soms een Bne Akiwa-afdeling in Den Haag. En was zo’n bezoek over Sjabbat, dan bleef ik bij de familie Landesman.

Bne Akiwa, 1950. Mechel Jamenfeld staat achteraan met de fiets. Beeld: Orchidea Jamenfeld
Bne Akiwa, 1950. Mechel staat achteraan met de fiets. Beeld: Orchidea Jamenfeld

Een deel van mijn werk bestond uit het begeleiden van zomerkampen. Dat was op zich best leuk, maar elke keer als ik naar zo’n kamp ging, had ik een moeilijk gevoel. Er zat iets psychologisch lastigs voor mij aan. Ik woonde in een kinderhuis. Niet mijn eigen thuis, maar wél de plek die voor mij als thuis voelde. Mijn eigen ouders waren er niet meer. Het viel me zwaar om daar weg te gaan en bijvoorbeeld twee weken in een jeugdherberg in Ommen te verblijven. Dan was ik opnieuw van huis, en dat voelde ongemakkelijk.

Ondanks dat ik mijzelf onbehaaglijk voelde, zeiden de kinderen dat ik een goede madriech was. Wij voelden ons als Bne Akiwa als een trotse pauw, want het peil van onze kinderen was – naar mijn mening – hoger dan dat van de kinderen van Haboniem.

Mechel zit links vooraan. Channa Dotan-Broer staat tweede van links. Beeld: Orchidea Jamenfeld
Bne Akiwa. Mechel zit links vooraan. Channa Dotan-Broer staat tweede van links. Beeld: Orchidea Jamenfeld

Een keer hadden we een internationaal Bne Akiwa-kamp georganiseerd. Daar waren kinderen uit Antwerpen. Die Poolse kinderen uit Antwerpen dat waren verwende drolletjes, dat was verschrikkelijk. De kok was een heel goede vriendin van mij, Channa Dotan-Broer z.l. Ze kookte met nog een paar vrienden. Ze hebben aardappelsla, aardappels met slabladeren, gemaakt. En die Antwerpse Joodse kinderen namen zo’n bord en zeiden in het Jiddisch: “Beheime fressen” (vreten voor dieren). Met hun vork haalden ze de slabladeren eruit en smeten die op de vloer. Onaangename kinderen, gewoon verwend. Allemaal rijke diamantairskinderen.

We hadden in een van de Bne Akiwa-kampen een jongetje. Als ik hem iets wilde vragen en riep: “Kom even hier”, dan was zijn eerste reactie dat hij zijn arm beschermend voor zijn hoofd hield. Wat bleek, zijn ouders waren dood en hij woonde bij een oom en daar werd hij geslagen. Hij werd zo door die oom geslagen, dat als je hem alleen maar riep, hij zijn arm beschermend voor zijn hoofd hield.

Aan de andere kant hadden we ook een jongetje, Bolli Vorst – geen familie van de rabbijn – met bijzonder veel humor. Hij ging in het kamp op een stoel staan en riep: “Kom allemaal. Kijk, vandaag heet ik niet meer Bolli Vorst, maar Volli Borst.”

Bne Akiwa was een serieuze business. In de kampen deden we niet alleen maar spelletjes maar er werd ook Joodse geschiedenis geleerd en iedere dag kregen ze een bijbelles. We deden ons best dat ze niet alleen plezier hadden, maar ook iets geestelijks meekregen. Dat was onze bedoeling.

In Amsterdam moest ik af en toe een beetje bijverdienen. Ik gaf bij de Joodse gemeente op zondag Joodse les aan een clubje kinderen in de leeftijd van een jaar of tien. Op een dag vroeg zo’n jongetje: “Meneer, mag ik wat vragen? Wat is een besnijdenis?” Hij wist het best, maar hij wilde me uitproberen.

Ik was een goede leraar, maar ik kon geen orde houden. Kinderen voelen dat psychologisch aan. Je hoeft alleen maar “sjalom” te zeggen en meteen hebben ze je door. Dus ik had altijd moeite. Daarom ben ik ermee opgehouden.’

 

Zionisme

 

‘Zionisme bestond voor de oorlog niet bij ons. Er is een schrijver, Mendel Paikas – ik heb verschillende boeken van hem – hij en de grote rabbijnen van Europa hebben duizenden Joden op hun geweten. Want de gehele Agoeda beweerde bijvoorbeeld dat zionisten kofriem (ongelovigen) zijn. Als zij de Alijah naar Erets Jisraël wel hadden aangemoedigd, dan waren er meer Joden naar Palestina gegaan. Ik ben zionist geworden in Prozdor.’

 

1956: Naar Israël

 

‘Jarenlang heb ik op mijn zusje zitten wachten. Ik ben tot mijn achttiende in Holland gebleven. Maar ik begon in te zien dat dat geen enkel nut had. Ik had het gevoel dat ik mijn tijd verdeed en dat het geen zin meer had om in Nederland te blijven. Ik gaf de hoop op. Toen ben ik naar Israël gegaan, waar ik door familie en vrienden op warme wijze werd ontvangen.

Ik had in Israël twee tantes met familie. Dat was mijn geluk. Een familie woonde in Antwerpen voor de oorlog. Toen de Duitsers België veroverden zijn ze via het zuiden van Frankrijk naar Zwitserland gevlucht. Mijn andere tante woonde in Palestina sinds 1938 of 1939. Van de rest van mijn hele familie is niemand teruggekomen.’

 

Bar-Ilan

 

‘Ik ben een korte tijd in een kibboets geweest om te zien hoe het kibboets-leven was. Het kibboetsleven beviel me wel, maar ik wilde wat leren. Toen heb ik me laten inschrijven op de Bar-Ilan Universiteit in Ramat Gan. Ik heb daar een paar jaar Bijbel en Literatuur gestudeerd. Hoofdvak was Bijbel en tweede vak was Literatuur. Daarvoor hadden we een buitengewoon knappe professor, prof. Baruch Kurzweil. We bestudeerden ook Europese literatuur. Hij heeft samen met ons onder andere Thomas Mann en Kafka bestudeerd.

Kurzweil was ook een vriend van mijn oom in Tel Aviv. Hij kwam mijn oom weleens opzoeken. Kurzweil sprak met mijn oom Duits. In een gesprek zei mijn oom eens: “Sei nicht kein Esel.” Toen werd Kurzweil kwaad en zei tegen mijn oom: “Jij noemt mij een ezel in tegenwoordigheid van een van mijn leerlingen?” Kurzweil kon soms een beetje pompeus zijn.

Mijn familie in Israël was financieel niet in staat om mij te onderhouden. Dat konden ze niet. In de vakanties van Bar-Ilan ging ik geld verdienen. Mijn vrienden gaven les in zomerkampen of gaven privé-les. Maar dat wilde ik niet. Ik hing de hele tijd al boven de boeken. Ik wilde lichamelijk werk doen. Zo heb ik een tijdje in de bouw gewerkt als arbeider, en in het zout in Atlit.

Hoe komt een student aan werk in de bouw? Dat is nog niet zo gemakkelijk. De grootste aannemer in die tijd was Rassco. Ik vroeg een gesprek aan met een van de directeuren van Rassco op het hoofdkantoor in Tel Aviv. Ik vertelde wie ik was en dat ik in de bouw wilde werken. “Laat me je handen zien,” zei hij. Ik legde mijn handen op tafel. Het waren handen van een student, niet van een arbeider. Maar ik heb hem overtuigd dat ik het kon en hij heeft er geen spijt van gehad. Ik heb goed mijn best gedaan. Zo heb ik een paar maanden in de bouw gezeten. In een maand verdiende ik 1000 lirot, dat was toen een boel geld.

Mechel Jamenfeld Salit zoutfabriek in Atlit. Beeld: GPO/Moshe Milner
Salit zoutfabriek in Atlit. Beeld: GPO/Moshe Milner

In die tijd waren het nog allemaal Joodse arbeiders. Het was zwaar werk, in de hitte van augustus met zware zakken sjouwen. En ik heb in het zout van Atlit gewerkt. Daar had ik protectie, want Bert Kanteman was secretaris van de Chevrat haMelach (De Zoutmaatschappij). Ik moest zout scheppen en dat verdiende goed. Op die manier heb ik mijn geld verdiend.

Toen ik mijn studie Bijbel en Literatuur aan de Bar-Ilan afgerond had, vroeg ik me af: wat kan ik ermee doen? Je kon eigenlijk alleen maar leraar worden. En dat kon en wilde ik niet doen. Daarom ben ik naar de bank gegaan. Ik heb bijna veertig jaar op het hoofdkantoor van de Israel Discount bank in Tel Aviv gewerkt. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ging ik bij de bank weg. Ik deed het bij wijze van spreken haast in mijn broek, want wat moet ik nu gaan doen?

Ik heb talengevoel. Als hobby begon ik boeken te vertalen. Zo heb ik onder andere het werk van de bekende Duitse schrijver Heinrich Böll, die in 1972 de Nobelprijs voor literatuur ontving, van het Duits naar het Hebreeuws vertaald, terwijl ik nooit Duits geleerd heb. Het boek Geschonden bestaan van Bloeme Evers-Emden heb ik van het Nederlands naar het Hebreeuws vertaald en ik heb een boek van Arnon Grunberg vertaald en uitgegeven in het Hebreeuws.’

Mechel Jamenfeld
Mechel met zijn vrouw Narcissa (links) en dochter Orchidea (midden), 2019

 

Mechel Jamenfeld is in 2019 overleden. Hij laat achter: zijn zus, zijn vrouw Narcissa Jamenfeld, zijn dochter en schoonzoon en drie kleinkinderen.

Deel deze pagina