veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Rachel Erlanger-Cohen

Rachel Erlanger-Cohen

‘Toen mijn moeder op het punt stond te bevallen van mij en de dokter kwam, was de IJssel bijna dicht gevroren. De dokter zei tegen mijn moeder: “Laten we maar vlug werken anders gaat de brug dicht en kan ik niet meer terug.” Zo kwam ik 15 januari 1929 op de wereld. Mijn vader was zo trots als een pauw met zijn eerste dochter. Ik had een broer, Jaap, zestien maanden ouder. Mijn vader ging mij registreren bij de gemeente en ik kreeg de namen Sippora Rachel Sophie. Er werden na mij nog vier kinderen geboren: Elie in 1931, Betje in 1933, lzak (Piet) in 1935 en Esther in 1940.

We woonden in Dieren, maar verhuisden kort na mijn geboorte naar Doesburg, mijn vaders geboorteplaats. Mijn vader, Salomon Cohen (1898-1957) was grossier in textiel en mijn moeder Josine Jacobson (1904-1988) was zijn secretaresse en huisvrouw.

Wat ik me nog van Doesburg herinner, is het huis van mijn grootouders Betje en Jacob Cohen-Nihom op de vismarkt. De synagoge was er vlak naast. Daar had opa op de Hoge Feestdagen de leiding. Wij woonden op de paardenmarkt waar elk jaar kermis was. We hadden dan de “steile wand” voor de deur met razende motorfietsen, draaimolens etc. Ook mocht ik elke dag op de Belgische knol van de vuilniswagen meerijden, een blokje rond.

In Doesburg heb ik tot mijn zesde gewoond, en toen hebben mijn ouders gezegd: “Er is hier geen chinoech (onderwijs) voor de kinderen,” en we zijn naar Arnhem verhuisd waar we aan de Statenlaan 109 woonden.1

 

Naar Arnhem

 

Opperrabijn J. Vredenburg‘In Arnhem woonde mijn (oud)oom Joel Josef Vredenburg, opperrabbijn van Gelderland, met zijn gezin. Hij was de broer van mijn grootmoeder Rachel Jacobson-Vredenburg. Mijn grootvader heette Elias Jacobson. In Arnhem ging ik op school tot 1941.

Vader ging van maandagmorgen tot donderdagavond op reis, meestal naar Limburg. Hij nam onderweg orders op en bestelde goederen in de fabrieken. Wanneer de goederen aankwamen, pakten wij ze beneden bij de trap uit. De pakjes ondergoed gaven wij naar boven door, waar ze in het magazijntje terechtkwamen. Dan legde pa alles netjes op de stellingen. Ma tikte de facturen. Pa deed de bestellingen in dozen. Hij leerde ons hoe in te pakken, papier precies op maat af te snijden. Ook leerden we hoe het plakband erop te plakken en touw erom te binden, zodat het niet los zou gaan onderweg. Vader kocht ook tweede keus interlock ondergoed en waslappen. Dat werd per kilo aan de marktkooplui verkocht. Op zondag kwamen die meestal op bezoek. Bij zo’n bezoek werden de kooplui getrakteerd op koffie en boterkoek en vader presenteerde sigaren.’

 

Joodse les

 

‘Van Arnhem herinner ik me vooral de Joodse les op zondagmorgen en woensdagmiddag. Wij kregen les van de heer Pinto. Hij gaf les aan kinderen van de eerste en zesde klas, de leerlingen van de tweede en de vijfde klas kregen les van de heer Modyefsky, en de leerlingen van de derde en vierde klas van de heer Leendert Boas. Joodse letters leerden we uit een boekje van de vorige eeuw, Hollandse woorden in Hebreeuwse letters. De jongens leerden lezen uit de Torah en de meisjes mochten er bij aanwezig zijn.

In 1939 kwamen heel wat vluchtelingen naar Holland en waren de klaslokalen en gangen vol matrassen om de kinderen uit Duitsland op te vangen. We hadden een goede jeugdsjoel, waar elke Sjabbatmorgen dienst gehouden werd. Door de week moesten we thuis bij een van de leidsters van de jeugdsjoel psalmen oefenen, zodat we ze tijdens de jeugddienst luid konden voorlezen.’

 

De jeugdbeweging Akabja

 

‘Behalve de jeugdsjoel hadden we ook een jeugdbeweging. Die heette Akabja en was opgericht door de heer Max Finkel. Op Sjabbatmiddag hadden we een sjioer (les) en zondag handenarbeid: kraaltjes verven, stof schilderen, figuurzagen etc. Dat was enig. Ook leerden we toneelspelen. Toen ik op vijfjarige leeftijd op het podium verscheen als engel in een witte lange laken jurk, hield ik die heel hoog om niet te vallen. Vanuit de zaal riep ma: “Zakken!” Zij bedoelde daarmee dat ik mijn jurk moest laten zakken. Ik begreep er echter niets van, dus ging ik zelf zakken en zat ik in m’n witte jurk op het podium tot ma mij kwam helpen. De rest is verder goed verlopen. Vaak maakten we uitstapjes. Elk jaar op Toe Bisjvat (het nieuwjaarsfeest van de bomen) aten we vruchten uit Palestina. De heer Finkel was onze hoofdleider. Hij vertelde ons vaak spannende verhalen.

Op de Joodse school vertelden vriendjes dat ze brieven uit Palestina ontvingen, en dat daar Joodse politieagenten waren, Joodse landarbeiders en sinaasappels aan de bomen. Voor ons was zo’n brief een belevenis. Wij hadden geen familie (voor zover mij toen bekend) in Palestina.

Wij waren zogenaamde Agoedisten (niet-zionisten). Wat dat betekende wist ik toen niet en nog minder wat de betekenis was van zionisten. Wij hadden onze Akabja en dat was zonder politiek.

In 1941 werd ons een lokaal gegeven om te pingpongen en andere spelletjes te doen. Dit was een goed middel om de kinderen zo min mogelijk op straat te laten lopen.’

 

De oorlog

 

‘Op 10 mei, om 4 uur ’s ochtends, werden Holland, België en Luxemburg door Duitsland onder de voet gelopen. Nederland had gedacht neutraal te kunnen blijven, net zoals in de Eerste Wereldoorlog. Na vijf dagen capituleerde Nederland. Wij woonden langs de hoofdweg naar Duitsland. Zo zagen wij hoe de Hollandse soldaten als krijgsgevangenen naar Duitsland werden gestuurd.

In 1942 begon alles voor ons te veranderen. Vaders zaak werd door de Duitsers gesloten en de waren werden ingepikt. Dus was vader zonder werk en zonder inkomen en had een vrouw en zes kinderen te onderhouden.

Daarna kwam de tijd dat het koper afgegeven moest worden aan de Duitsers. We hadden leuke koperen spulletjes, of die de weg naar de Duitse rovers gegaan zijn, of naar de kelder weet ik niet, maar op het buffet stonden ze sindsdien niet meer. Ook de fietsen moesten ingeleverd worden. Het feit dat je je fiets kwijt was, was niet genoeg voor de Duitsers, ook werden de jongens en mannen opgeroepen om ze schoon te maken en te oliën. Zo gebeurde het, dat pa, te samen met een groep Joodse bewoners van Arnhem, op Tisja Beav (een Joodse treurdag, vastendag ter herinnering aan de verwoesting van de Tempel) aan het fietsen poetsen was voor de Duitsers. Dat was niet zo makkelijk op een vastendag die tot ’s avonds duurde. Maar vader hield vol en kwam ’s avonds laat naar huis.’

 

Joodse hbs

 

‘Ondanks dit alles ging het leren door en ik deed mijn toelatingsexamen voor de hbs in Arnhem op het Willemsplein. Verder dan de boeken kopen op de boekenbeurs ben ik niet gekomen. Joodse leerlingen mochten niet meer naar openbare scholen en wij gingen naar een geïmproviseerde school in een oud huisje naast de Rijnbrug.

Van het eerste jaar op de hbs herinner ik me dat we les kregen van Joodse studenten of van Joodse leraren die ontslagen waren, en dat we wedstrijd hielden wie het slechtste cijfer voor Duits haalde. Het tweede jaar was nog erger, elke dag kwamen namelijk minder leerlingen naar school. Of men dook onder of werd weggevoerd…’

 

Naar Amsterdam

 

‘Op 10 april 1943 moesten alle Joden uit de provincie weg zijn. Wij verhuisden naar Amsterdam-Oost, en woonden in de Krugerstraat, in het getto. Wij hadden een Sperre gekregen van de Joodse Raad Amsterdam. Vader pakte daar pakjes in voor de mensen in Westerbork.

We hadden onze rugzakken klaar staan naast de deur en waren er op voorbereid dat ook onze beurt zou komen, en dan moest alles klaar zijn voor de reis naar Polen. Merkwaardig genoeg hadden wij altijd het gevoel dat de oorlog snel afgelopen zou zijn en dat wij het kamp wel zouden overleven met werken. Niemand wist eigenlijk precies wat er na Westerbork gebeurde.

Vanaf 10 april 1943 ging ik naar de Joodse hbs in de Stadstimmertuin, waar de heer Jacobs de directeur was en de heer Coltof les gaf. Juffrouw Eitje was onze geschiedenislerares.

Zij stelde mij aan de klas voor door uitgebreid de geschiedenis van mijn voorouders te vertellen. Ze had mijn familie goed gekend. Dat is nogal wat om mee te maken wanneer je veertien bent en als buitenstaander op een Amsterdamse school komt. Maar ook dat heb ik overleefd, net als de luchtalarmen die ons steeds weer de schuilkelder in joegen. Leren deden wij niet veel. Ons hoofd stond er niet naar. Elke dag werden kennissen en vrienden weggehaald. Het was nu alleen nog maar een kwestie van tijd. Wanneer zouden wij aan de beurt zijn? De Pesach dat jaar werd gevierd zonder matses.’

 

Onderduik

 

‘Eind mei 1943 zijn mijn zusje Betje en ik als eersten ondergedoken. Onze ouders hadden de onderduik al geruime tijd voorbereid. Ook wij kinderen begrepen dat we, zodra zich een kans voordeed, zouden proberen te vluchten en onder te duiken. We hadden de ster afgenomen en na een kort afscheid stapten we met bijna geheel lege handen op de tram naar het Centraal Station. Daar namen we de trein. Het gevoel om van openbaar vervoer gebruik te maken was heel raar. We moesten doen alsof wij met Ome Jan (Paul Terwindt) gewoon op reis gingen. Ome Jan ging de krant zitten lezen en wij keken uit het raampje. Zo arriveerden wij in Valkenburg.

De opperrabbijn van Gelderland, Avraham Levisson had gepaskend (een psak din – een bindend antwoord – gegeven) dat: “Je moet eten wat er op tafel komt, want als je niet eet, dan hebben ze direct door dat je een Joods meisje bent.”

We werden ondergebracht bij een rooms-katholieke familie. Wij gingen door voor kinderen uit Rotterdam. Er was nog een Joodse jongen, van een jaar of acht, in huis. Deze familie was er voorstander van dat ook wij rooms-katholiek zouden worden. Ik kreeg pianoles van de pater, maar ik werd noch pianiste noch katholiek. Na zes weken heeft Ome Jan voor een ander onderduikadres gezorgd.

Mijn zusje Betje werd naar IJzeren vlakbij Valkenburg gebracht, bij de familie Harrie en Maria Reijnders waar ze bleef tot de bevrijding. Ook mijn broer Piet was in hetzelfde dorp. Hij verbleef bij een zwager en schoonzuster van Betjes pleegouders. Betje en Piet waren dol op hun pleegouders. Ze werden dan ook als eigen kinderen behandeld. Na de oorlog kwam pa ze ophalen.2

Rachel Erlanger-Cohen
Betje met de familie in IJzeren. Beeld: Yad Vashem

Ik kwam bij een jong echtpaar in Schandelen. Ik hielp in de huishouding. Maar ook dat was niet mijn eindstation. Ik moest weer verder, naar vrienden van hen in Castenray. Daar hielp ik ook in de huishouding. Ik leerde schoonmaken, koken en kinderen verzorgen. Ik sliep op kussens op de grond. Ook daar bleef ik niet lang.’

 

‘De Baas’ en ‘de Vrouw’

 

Jacobus en Allegonda tijdens hun ondertrouw. Beeld: Historisch Archief Aijen, Rachel
Jacobus en Allegonda tijdens hun ondertrouw. Beeld: Historisch Archief Aijen

‘Ome Jan, die geregeld op bezoek kwam bij “zijn” kinderen nam mij mee naar een nieuwe onbekende bestemming. Nu reisden we richting Venray. Aangekomen op het station werd me een fiets in de hand geduwd. Men had er niet aan gedacht dat wij Joden al in geen jaren fietsen bezaten. Ik moest maar achter Ome Jan aanrijden. Wat doe je in zo’n geval? Je stapt op en fietst. Met Gods hulp ben ik goed aangekomen, schijnbaar had ik mijn beschermengel achter op de bagagedrager meegenomen.

Zo kwam ik op het Schoor bij Pieter Jacob (Sjaak) Heldens en Allegonda (Goen) Heldens-Josten, “de Baas” en “de Vrouw”, zoals ik ze altijd noemde. Ik kreeg een bed van stro, zoals toen gebruikelijk, en een hele kamer voor mij alleen. Ik was er gauw aan gewend en voelde me echt thuis. Daar bleef ik tot aan het einde van de oorlog. De Baas en de Vrouw hadden twee kleine jongens. De Baas en de Vrouw waren heel buitengewone, dappere en rechtvaardige mensen.’

Boerderij op het Schoor waar Rachel was ondergedoken

 

Onderduiknaam

 

‘Mijn onderduiknaam was Ria Cornelissen. Waarom? Ria verwees naar mijn eigen naam, Rachel, en Cornelissen begon, net als Cohen, met een C. Ons hele gezin gebruikte die schuilnaam, zodat we elkaar na de oorlog makkelijker zouden kunnen terugvinden.’

 

Mijn werkzaamheden

 

Rachel Erlanger-Cohen
Allegonda (Goen, ‘De Vrouw‘). Beeld: Historisch Archief Aijen

‘Ik leerde op het Schoor hoe je vuur maakt met briketten en hoe je moet melken. Elke ochtend stond ik vroeg op om de koeien te melken, met een jute schort om, een rode hoofddoek op en een eenpotig krukje onder mij. Ik ontdekte hoe je moet voorkomen dat een koe je melkemmer omgooit en hoe je haar zwaaiende staart moet ontwijken. Was het melken gelukt, dan droeg ik de emmers naar de grote melkbussen van 30 liter, die langs de weg klaarstonden om naar de fabriek te worden afgevoerd.

Er werd altijd melk achtergehouden en afgeroomd. In een verborgen hoekje stond een bus van 30 liter die verbonden was met een stok aan een ronde plaat met gaten. Van deze melk werd karnemelk en boter gefabriceerd. Dat was niet officieel. Zodra ik klaar was met het melken ging ik vuur maken voor het ontbijt. Ik zette water op en maakte de benodigde voorbereidingen. Na het ontbijt werd afgewassen bij de pomp en gingen wij het veld op. Soms aardappels rooien, soms wortels uit de grond halen of schoven binden.

Nadat de mannen het koren maaiden werd het gebonden (ook ik leerde binden), opgezet in lange rijen om te drogen. Dan werd gedorst met de machine, en werd het koren in zakken gedaan en het stro in pakken gebonden en te drogen gelegd onder een speciaal dak. Als we op het veld werkten kregen we brood en drinken mee. Heerlijk was dat even uitrusten en eten. Niemand kwam kijken hoeveel we werkten, het was immers vanzelfsprekend dat je je uiterste best deed om zoveel mogelijk klaar te krijgen.

Er was veel werk aan de winkel. De Vrouw deed de huishouding en de groentetuin. We hadden dus altijd alles vers uit de tuin. Ik hielp met de kippen, raapte eieren, gaf het vee te eten en maakte de stallen schoon. Ook leerde ik witten.3 Ik stond op een tafel, waar een eierenkist op stond, waar een stoel op stond en daarop stond ik met m’n kwast. Gelukkig was ik in die dagen niet bang uitgevallen.’

Rachel Erlanger-Cohen
Familie Heldens-Josten. Opa Heldens, Opa Josten, Rachel op het paard, Louis Mossel (Wim), Jeu, Jacobus (Sjaak, ‘De Baas’) met Leo op de arm, Allegonda (Goen, ‘De Vrouw’), rechts vooraan staat Jantje. Beeld: Historisch Archief Aijen

 

Vroedvrouw

 

Rachel Erlanger-Cohen
Jacobus (Sjaak, ‘De Baas’ Heldens. Beeld: Historisch Archief Aijen

‘De Baas was niet erg gezond en deed het lichtere werk in en om het huis. Er waren drie koeien op stal. Soms nam de Baas er één mee naar de stieren van de stierhouderij. Dat had gevolgen: een keer moest ik midden in de nacht opstaan om te helpen bij het kalveren. Ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Ik kreeg een eind van een stok in mijn hand met het bevel: als ze zucht moet je trekken. Het resultaat: een kalfje… Ik voelde me een halve vroedvrouw.

Toen ik bij hen kwam was de Vrouw in verwachting van nummer drie. Op een nacht eind augustus werd ik weer ’s nachts uit bed gehaald. Ik moest vuur maken en water koken. Toen ik vroeg waarom dit alles was midden in de nacht, luidde het antwoord: “De vroedvrouw is onderweg, de Vrouw moet bevallen.” De vroedvrouw, de enige die vergunning had ’s nachts te reizen, kwam op haar zware motorfiets aangeronkt. Er werd een meisje geboren. Ik mocht even naar de Vrouw om haar te feliciteren en meteen ging baby Truusje hoesten. De Vrouw zei: “Neem de baby even op. Houd haar op d’r kop, doe je vinger in haar mond en haal het vuil eruit.” Zo gezegd, zo gedaan. Alles ging zoals het moest, maar niemand realiseerde zich dat ik nog nooit zo’n kleine baby in m’n handen had gehad.’

 

Geallieerde invasie

 

‘Vanaf september 1944 kwam de oorlog ook voor ons akelig dichtbij. Op 14 september werd Maastricht door de geallieerden bevrijd en begon het front in onze richting op te schuiven. Daarmee kwamen wij in de gevechtslinie terecht. Onder de perenboom werd een gat gegraven, daar gingen balken overheen en daarop werden zandzakken gedeponeerd. Dat was onze schuilkelder. Er waren intussen ook evacués bij ons te gast. Niemand durfde de kelder uit om eten in het huis klaar te maken, want in het huis en de omgeving stikte het van de Duitse soldaten.

De waardevolle spullen hadden we op een speciale plek verborgen. Dat was de plaats waar we schânse knupten. Als ik tijd had, ging ik in de veenschuur houthakken. De dunne takjes gebruikten we om het vuur aan te maken en de dikkere takken werden gebruikt om het vuur aan te houden. Die takken werden aan elkaar gebonden met ijzerdraad, en lagen te drogen onder het dak van de schuur. Het hakken en binden noemde men schânse knuppen.

Ik ging wel elke dag het huis in om eten klaar te maken. De Duitsers vroegen aan mij wie ik was en ik antwoordde: “De zuster van de Baas.” We hadden allebei blauwe ogen. Op een dag was ons eten van het vuur gestolen: een ijzeren hengselpot vol vlees. De volgende dag zag ik een soldaat lopen met mijn pot. Ik stormde woedend op hem af: “Geef me die pot terug!” Maar hij hield zich Oost-Indisch doof en gaf de pot niet terug.

“Goed, kom dan maar mee naar de Ortskommandant.” Terwijl elders in Europa de zonen en dochters van mijn volk onder de wrede laarzen van de Moffen werden vernietigd, daagde ik deze soldaat voor zijn Ortskommandant… Wij gingen, ieder aan het hengel van de pot trekkend, naar de buur-boerderij, waar de Ortskommandant was ingetrokken. Ik vertelde hem het verhaal van mijn pot met vlees in het Duits. De eerste reactie van de Ortskommandant was: “Sinds wanneer spreken Hollandse meisjes zo goed Duits?” Als ik had gedacht aan de mogelijke consequenties van een diepgaand onderzoek van die Mof was ik misschien van angst gaan klappertanden, maar God zij dank, kwamen zulke gedachten niet bij me op. Ik antwoordde: “Wij boerenmeisjes gaan naar de middelbare school en leren talen. Wat dacht u, dat wij dom zijn?!” Bij de Duitsers was “dumme Holländer” een begrip. Ik gaf de soldaat een klap op zijn bovenarm en van schrik liet hij de pot los. En ik ging ervandoor met de pot.’

 

Evacuatie: naar Tienray

 

‘Lang bleven we niet in onze schuilplaats onder de grond. In september 1944 werden we geëvacueerd naar Tienray. Alles werd ingepakt en alles van waarde was allang verborgen. In Tienray verbleven we met de gehele familie in een koeienstal waar we ’s nachts ook sliepen. Daar waren we veilig voor de bommen.

Buiten onze relatief veilige schuilplaats, raasde het oorlogsgeweld. De Duitsers boden op veel plaatsen hardnekkig weerstand, maar de Canadese en Britse tanks bleven onstuitbaar oprukken. Soms was het kanonnengeweld zo hevig dat de dakpannen van de huizen vlogen. Dat gaf ons goede moed. Nog even uithouden en het Moffen-monster is overwonnen.

Ik liep rond in de kleren die ik nog van vroeger had. Nieuwe kleding was niet te krijgen, dus moesten we roeien met de riemen die we hadden. Elegant was het allang niet meer, en juist in die leeftijd van veertien tot zestien groei je natuurlijk het hardst. We droegen kousen van zwarte wol. Die wol kwam van onze eigen schapen en was door ons zelf gesponnen.

Ze waren heerlijk warm, alleen een beetje grof. Ze waren prima voor onze klompen. Schoenen hadden we niet meer. Als de voeten van die sokken versleten waren, werden er nieuwe voeten aan gebreid. Aangezien de verf was uitverkocht, liep ik met zwarte kousen en witte voeten. Van een oude jute zak werd een “baalschort” gemaakt. Mijn vertoning was niet al te flatteus, en als ik daarbij ook nog een dom gezicht zette, dan maakte ik precies de indruk die ik wilde maken. Mijn toneeltalent hielp me daarbij enorm.’

 

Toneeltalent

 

Rachel

‘In die periode van september 1944-november 1944 waren er veel incidenten met de Moffen-soldaten, die bij ons en in de buurt ingekwartierd waren. Tegenover de Duitsers speelde ik altijd het achterlijke boerenmeisje die niets begreep (behalve dan in het bovengenoemde incidentje met de vleespot, waar mijn kennis van de Duitse taal zelfs een beetje gevaarlijk had kunnen zijn).

Op een goede dag kwamen er twee hoge Duitse officieren. Ze vroegen om ons “Pferdengeschirr”, dat was paardentuig. De Moffen hadden namelijk veel paarden in beslag genomen en nu moesten ze tuig hebben.

Ik hield ze vriendelijk aan de praat en beloofde wel even te gaan kijken. Terwijl ik naar de stal liep, waarschuwde ik iedereen die ik tegenkwam. Ik zorgde er ook voor dat de buren op de hoogte waren en hun tuig konden verbergen. Daarna ging ik terug naar de Duitsers en vertelde dat ik niets had kunnen vinden. Ze vonden me maar dom en vertrokken weer.

Een andere keer kwamen een paar soldaten en vroegen om “Pferden”. Ik ging weer naar de stal. En weer waarschuwde ik onze mensen dat de paarden naar het bos moesten worden gebracht, omdat ze anders gevorderd zouden worden. Om tijd te winnen bracht ik ze een grote mand met “Pfere” (peren). “Nee, dat niet,” was hun geprikkelde reactie. “O,” zei ik, “nou begrijp ik jullie.” Ik liep weer naar de stal om een mand met een andere soort peren te brengen. Het geduld van de soldaten was op, en een van hen barstte uit: “Die dummen Holländer! Sie wissen nicht einmal, was Pferde sind.” Ondertussen waren alle paarden in het bos, ook die van de stierhouderij, en stapten de zonen van het superieure Arische ras met lege handen weer op. Mijn toneelstuk was geslaagd.

Het volgende incident was misschien wel het gevaarlijkst voor mij. We hadden een fiets met houten banden. Eén keer per maand gingen we naar Castenray om de “bonnenwaar” af te halen. Olie, meel, boter, suiker etc. Tegen bonnen kon iedereen zijn rantsoen krijgen. Ik ging meestal met vriendinnetjes samen inkopen. Toen ik klaar was en de andere meisjes nog niet, ging ik onder een boom zitten niet ver van de kruidenier met twee volle tassen. In die tijd was er veel controle langs de weg, om hamsteren en zwarte handel tegen te gaan. Ik zat te wachten onder de boom toen er twee marechaussees aankwamen en mij om mijn persoonsbewijs vroegen. Ik zei ze dat ik pas twaalf jaar oud was en bleef zitten, dan leek ik kleiner. Met vijftien of zestien jaar hoorde je een persoonsbewijs te hebben.

Toen vroegen ze: “Wat heb je in die tassen?” Ik antwoordde: “Bonnenwaar.” Ze waren nog niet tevreden. De volgende vraag luidde: “Je spreekt niet hetzelfde dialect als iedereen in deze buurt.” Waarop ik antwoordde: “Dat klopt, ik kom uit Arnhem, ik ben de oudste van negen kinderen en mijn tante heeft een baby gekregen en ik ben haar komen helpen in de huishouding na de geboorte. Mijn moeder heeft me gestuurd, want zoals jullie weten is er niet veel te eten in de stad.” Nog een vraag: “Wie is jouw tante?” Zo plat mogelijk zei ik haar naam: “De vrouw van Heldens Köb.” Eindelijk gingen ze weg.

Intussen waren de meisjes aangekomen en samen gingen we terug naar het Schoor, waar de familie al op me wachtte. Ik vertelde het hele verhaal en de Vrouw zei: “We moeten Ria verder sturen, dit kan gevaarlijk worden!” Maar de Baas reageerde hier op: “We hebben Ria genomen om op haar te passen tot na de oorlog. We wijzen haar een schuilplaats (dat was boven op de vliering, onder het dak, ongeveer boven de pomp), en als er iemand komt, gaat ze daar zitten en dan zal niemand haar kunnen vinden.” Er zijn gelukkig nooit marechaussees gekomen en heb ik nooit van de schuilplaats gebruik hoeven te maken.

Ik had een paar vriendinnetjes, de Dukers mechjes. (De meisjes Duijkers) en samen gingen we uit. We gingen bijvoorbeeld naar de kermis als die in onze omgeving werd opgezet. De meisjes gingen ook weleens dansen. Maar ik zei dat ik de jongens op hun tenen zou trappen en dus bleef ik langs de kant zitten.

Mijn grootste zorg was hoe ik mijn godsdienst moest blijven naleven. Ik kwam uit een vroom Joods gezin en hield me altijd aan alle voorschriften: de kasjroet, Sjabbat, feestdagen en vastendagen. Maar ik had geen Joodse kalender, geen enkel Joods boek. Ik wist totaal niet meer welke Joodse datum het was. Dat moest ik maar accepteren.

Ik had de hele catechismus al uit mijn hoofd geleerd, omdat ik alles moest weten. Thuis deed ik mee met alle gebeden, zoals het bidden van de rozenkrans, om niet op te vallen. In het begin ging ik op zondag trouw mee naar de kerk, maar daar ben ik later mee gestopt.

Ik probeerde de Baas altijd uit te leggen, dat ik gelovig was in God, maar dat Joden alleen maar geloven in één God, en niet in de door het christendom genoemde heilige familie. Maar in Castenray geloofde men niet dat ik echt Joods was. Ze kenden daar namelijk maar een Jood: de veekoopman. Die had zwart haar, een kromme neus, veel geld en een stok. Ik bezat geen van deze eigenschappen, dus hoe kon ik Joods zijn?

De familie Heldens. Vlnr: Jacobus, Jan, Frans, Leo, Allegonda (Goen) en Truus. Beeld: Historisch Archief Aijen Rachel
De familie Heldens. Vlnr: Jacobus (Sjaak), Jan, Frans, Leo, Allegonda (Goen) en Truus. Beeld: Historisch Archief Aijen

Op een zaterdagmiddag toen de Baas ging biechten, en ik thuis bleef om het huis schoon te maken en de klompen wit te maken met Vim of ander zand, zei ik tegen hem: “Neem mijn zonden maar mee op een briefje en geef dat aan de pastoor”. Waarop de Baas zei: “Ria, gij komt niet in de hemel!” Ik reageerde: “Adolf Hitler gaat zich misschien bekeren en komt dan in de hemel, dan ga ik liever naar de hel waar mijn geloofsgenoten zitten.” Dit was de enige keer dat wij over godsdienst gesproken hebben.

De Vrouw

Ik was nog erg jong, maar wel oud genoeg om mijn eigen weg te gaan. Hoewel ik mijn geloof niet openlijk kon praktiseren, zei ik ’s avonds de gebeden die ik uit mijn hoofd kende en droomde ik vaak dat ik weer thuis was en op zaterdag met mijn ouders naar de synagoge ging. Maar dromen zijn bedrog. Bijna twee jaar was ik afgesneden van de Joodse gemeenschap, al heb ik dat later ruimschoots ingehaald. De Baas en de Vrouw hebben nooit geprobeerd mij te bekeren.

Als ik later bij hen op bezoek kwam en niet meer met hun mee kon eten, omdat het eten niet koosjer was, begrepen ze dat. Weer wat later, toen ik in Israël woonde, kreeg ik vaak pakjes toegestuurd. Daar waren altijd levensmiddelen die ik mocht eten, zoals cacao en bittere chocolade. In de jaren 1951-1955 was er bijna niets te koop in Israël, en elk pakje was een feest.

Tot vandaag de dag heb ik nog contact met hen. Ze zijn een paar keer hier geweest. Als mijn man en ik er weer een nieuw achterkleinkind bij krijgen, zeg ik tegen Truus: “En dat is allemaal jouw schuld. Als jullie mij niet gered hadden, was dat allemaal niet gebeurd.”

In 1995 werd door Truus de erkenning van Yad Vashem, Rechtvaardigen onder de Volkeren, op naam van de Baas en de Vrouw, in ontvangst genomen.’

Truus en Rachel in Israël, 1992
Truus en Rachel in Israël, 1992
Truus bezoekt Rachel en haar familie in Israël, 1992
Truus neemt de erkenning van Yad Vashem, Rechtvaardigen onder de Volkeren, op naam van de Baas en de Vrouw, in ontvangst, 1995

 

Bevrijding

 

‘Op 22 november 1944 trokken de Engelse tanks door ons dorp. Alsof het zo afgesproken was, kwamen alle mensen die zich hadden moeten verschuilen één voor één uit hun onderduikplaatsen tevoorschijn. Ik was vrij! Ik was weer Rachel Cohen en niet Ria Cornelissen. Ik liep naar de andere Joodse onderduikers en riep uit: “Eindelijk zijn we bevrijd.” Ze stonden me ongelovig aan te kijken toen ik zei dat ik ook ondergedoken was geweest. Ik leek sprekend op de andere meisjes uit de buurt, blond met blauwe ogen en ik had ook het plaatselijke dialect leren spreken.

De Baas wilde graag weten of hun huis er nog stond. Ik bood aan om te gaan kijken. Onderweg, waren gedeelten afgezet met draad waaraan witte lapjes hingen. Dat was een mijnenveld. Ik wist echter niet wat die lapjes betekenden en liep er dwars doorheen. Gelukkig trapte ik niet op een mijn. Ik had die dagen de gewoonte mijn privé-engel overwerk te geven. Langs de weg lag het lijk van een Duitse soldaat. Daar schrok ik wel even van. Toen ik aankwam bij onze boerderij en de Engelse soldaten die daar waren ingetrokken vertelde over het lijk van die soldaat, was hun typisch Engelse reactie: “Never mind.” Ik heb gekeken of de waardevolle spullen nog onder de grond zaten in de veenschuur en liep weer terug naar Tienray.

Maar de oorlog was nog niet helemaal voorbij. Toen ik het winkeltje van de kruidenier naderde, hoorde ik plots een scherp, verdacht gefluit: een bom! Ik liet me onmiddellijk in de greppel vallen en op het moment dat de bom insloeg – slechts een fractie van een seconde later – lag ik al relatief veilig. Een stuk gloeiend metaal suisde langs me heen en veroorzaakte een brandwond op mijn arm. Daar was ik dan bijna geweest, zo vlak voor het einde van de oorlog. Die avond hoorde ik dat er op die plek enkele doden waren gevallen. Ik had er niets van gezien, want ik was meteen doorgelopen naar Tienray. Thuis vond ik een stukje van de bom in de voering van mijn jas, en in de mouw zat een klein gaatje waar het metaal doorheen was gegaan. Ik was dankbaar dat ik weer veilig thuis was. Dit bleek de laatste bomaanval op Castenray te zijn.

We maakten ons klaar om terug te gaan naar het Schoor. Alles werd ingepakt en we gingen op weg. We namen onze spullen mee, en een groot deel daarvan werd gedragen door onze Belgische knol – een echt werkpaard. Ik hield het dier aan de teugels. Tussen Castenray en het Schoor hoorde ik plots een zwaar brommend geluid achter me. Ik draaide me om om te zien wat eraan kwam, en precies op dat moment draaide het paard ook om. Daardoor kwam het dwars op de weg te staan en hield het met zijn enorme lijf een heel regiment Engelse tanks tegen.

Pas toen een van de Tommies (Engelse soldaten) van zijn tank sprong, het paard bij de teugels pakte en opzij zette, konden de tanks weer verder oprukken richting het front.

Het eerste wat we deden toen we weer thuis waren, was het opgraven van de waardevolle spullen die onder de schansen in de schuur begraven lagen. Het leven begon weer op de boerderij.’

 

Naar Eindhoven inlichtingen inwinnen

 

‘Na verloop van enige tijd hoorde ik dat men via het Rode Kruis inlichtingen kon inwinnen over “overgebleven” Joden. Ik nam contact op met twee Joodse jongemannen die ook in de buurt ondergedoken hadden gezeten en met z’n drieën gingen we op zoek naar familie.

We gingen gedeeltelijk met vrachtauto’s, legerauto’s en te voet naar Eindhoven. Daar werden we aan een zekere mijnheer Stonfeld voorgesteld. Het was zijn taak om te zorgen voor Joodse wezen en ondergedoken kinderen. Hij bracht ons onder bij een Joodse familie, familie Leiders, die net was gearriveerd. Toen ik de kamer binnenkwam, stond een oude heer op en stelde zich voor als Philip Cohen uit Venlo.

Ik stelde me voor als Rachel Cohen uit Arnhem, waarop hij vroeg: “De dochter van Sam Cohen?” Toen ik dat bevestigde, zei hij: “Je ouders wonen in Neerbeek, Zuid-Limburg. Je vader zocht jou en je broer Elie, maar omdat de slag in de Ardennen in volle heftigheid aan de gang was, moest hij weer terug naar Zuid-Limburg.”

Intussen vernam ik dat vader en moeder gered waren en dat mijn broer Piet (Izak) en zuster Betje. Mijn broer Elie had ondergedoken gezeten in Helden-Beringe4 en later in Meterik, vanwaar hij werd geëvacueerd naar Horst, enkele kilometers van Tienray. Ik heb hem via het Rode Kruis gevonden.’

 

Op zoek naar Elie

 

‘Na al deze inlichtingen ingewonnen te hebben ben ik teruggegaan naar het Schoor. De Vrouw zei dat ik naar mijn ouders moest gaan. Maar ik wilde eerst de was doen en het huis poetsen voor ik weg ging. Ik zei: “Mijn ouders weten niet waar ik ben, dus maakt het niet uit wanneer ik precies terug ga.” Dus deed ik eerst de was en het huis. Ik verlangde natuurlijk naar mijn ouders, maar wilde niet voordoen alsof ik van mijn redders wegliep. Daarna ging ik mijn broer zoeken die maar 4 kilometer bij ons vandaan zat.

Elie was reuze verrast mij te zien, maar hij wilde niet terug naar huis, want hij zou binnen zes weken communie doen in de rooms-katholieke kerk en zou rooms-katholiek worden. Ik probeerde hem uit te leggen dat hij dat niet hoefde te doen, omdat hij Joods was. Maar hij antwoordde me dat als hij niet katholiek zou worden hij “z’n hele leven” in de hel zou moeten branden. Al mij argumenten hielpen niet. Hij ging niet mee!’

 

Afscheid nemen van de Baas en de Vrouw

 

‘Voor ik weg ging van de Baas en de Vrouw nam ik natuurlijk afscheid. Het was mijn “tehuis” geworden en ik hield erg veel van hen. Ik ben er vast van overtuigd dat God hun heeft beloond op een voor ons mensen onvoorstelbare manier in het leven na de dood, wat wij Joden “Olam Haba” noemen. Na de oorlog ben ik nog vaak bij deze familie op bezoek geweest, omdat ik me daar echt thuis was gaan voelen.

Omdat mijn broer niet met me mee wilde, moest ik alleen naar Neerbeek reizen. Dat was niet makkelijk. Er waren geen publieke vervoersmogelijkheden, geen treinen of bussen naar het zuiden. Ik moest liften met vrachtauto’s en militaire vehikels. Een aangename verassing voor mij was een lift met een auto van de Joodse Brigade. Dat waren Joodse soldaten uit Palestina van toen. Zij maakten deel uit van het Engelse leger.

Ik klom in de auto en was blij om het symbool van het Joodse leger te zien: de Davidster op de blauw-witte vlag. Ik begroette de inzittenden met de Joodse internationale groet: “Shalom Aleichem.” Toen zei een van die soldaten: “Weer een Hollands meisje die de groet Shalom Aleichem gebruikt!” Ze wilden niet geloven dat ik Joods was.

In Eindhoven nam een vrachtautochauffeur me mee naar Maastricht, waar hij via België ’s avonds aankwam. Met de bekende Limburgse gastvrijheid werd ik uitgenodigd om met hem mee naar huis te gaan en kreeg van zijn vrouw een logeerkamer. De volgende morgen vond hij een vrachtwagen die me naar Neerbeek bracht, waar mijn ouders woonden.’

 

Neerbeek-Maastricht

 

‘Toen ik uit de auto klom, zag mijn vader me vanuit het raam en riep mijn moeder, die bezig was de was op te hangen. “Kom eens kijken wie hier is!” Mijn moeder dacht: wie kan dat nou zijn? In dit saaie dorp is toch nooit wat te beleven. Vader riep nog eens, en moeder kwam. Zij kon haar ogen niet geloven. Daar stond ik in mijn te nauwe, versleten kleren, blakend van gezondheid. Een echte boerenmeid. Natuurlijk waren wij overgelukkig om elkaar weer te zien.

Na de eerste ontroering en gesprekken in een atmosfeer van diepe dank aan God, die ons weer samen had gebracht, na al die jaren, vertelde ik mijn ouders over mijn broer Elie, die niet weg wilde uit Horst. Ik sprak in een plat Limburgs dialect. Daar was ik door de oorlog al helemaal aan gewend geraakt. Maar dat was wel even vreemd voor mijn ouders.

Vader is meteen naar Horst gereisd om Elie op te halen. Hij vond het wel jammer nu hij bijna rooms-katholiek was om weg te gaan van zijn pleegouders, maar besloot toch maar met vader mee te gaan naar Neerbeek. In het begin sloeg Elie nog weleens een kruis. Hij was nog in de war, maar binnen enkele weken was hij weer aan het Joodse leven gewend.

In mei was heel Nederland bevrijd en kwam onze familie weer bij elkaar. Jaap, mijn oudste broer, kwam uit Friesland en Esther kwam uit Oosterbeek. Zij waren beiden bij protestantse families ondergedoken. Toen begonnen de theologische discussies: wie er nou precies geloofde in de protestante principes en wie er geloofde in de katholieke geloofsovertuiging. Totdat onze ouders er een eind aan maakten en zeiden: “Jullie mogen nu weer Joods zijn!” Het voorrecht van onze familie, om na de oorlog weer volledig bij elkaar te mogen zijn, was iets heel bijzonders.

Eenmaal thuis moest ik eigenlijk weer naar school. Ik was zestien en had ruim twee jaren verloren. Wat nu? De enige school in de buurt van Neerbeek was in Geleen, een katholieke jongens-hbs. Daar kon ik niet heen. Dus ging ik stenografie, typen, boekhouden en Engels leren.’

 

Naar Amsterdam

 

‘Mijn ouders waren tijdens de oorlog in Neerbeek ondergedoken en na de oorlog daar opgedoken. Ze kregen een woning van een NSB’er toegewezen. Naderhand zijn we naar Maastricht verhuisd en hebben daar een huis gehuurd.

Eind 1946 arriveerde in Maastricht een vrachtauto met een twintigtal jongeren van de PAI (Poale Agudat Israel). Zij wilden Joodse jongeren opnieuw in contact brengen met de Joodse gemeenschap, waarvan het centrum zich in Amsterdam bevond. Initiatiefnemers van deze expeditie waren onder anderen mr. A. de Haas en dr. D. Hausdorff.

De boodschap die zij aan de jeugd brachten was een dringende oproep om, zo kort na de Holocaust, het traditionele Jodendom en het Joodse volk opnieuw op te bouwen.

Mijn vader stond bekend als een eerlijk zakenman. De fabrikanten waar hij voor de oorlog altijd zaken mee had gedaan, zeiden tegen hem: “U kunt net zoveel waren krijgen als u wilt. We vertrouwen erop dat u, als u straks weer geld heeft, kunt betalen.” Dat was heel aardig, want mijn ouders hadden niks meer.

Ik hielp mijn vader in de textielgroothandel die hij opnieuw aan het opbouwen was, maar het lag mij niet. Bovendien speelde nog iets anders mee: op mijn zeventiende was ik eigenlijk al geheel zelfstandig geworden en voelde ik me ook zo. Ik was niet meer gewend aan ouderlijk gezag, en dat maakte het moeilijk.

Ik vroeg mijn vader om toestemming om naar Amsterdam te gaan. Uiteindelijk gaf hij die, ook omdat er in Limburg nauwelijks mogelijkheden waren om Joodse vrienden te vinden. Het deed hem echter veel pijn dat hij me na al die verloren jaren niet thuis kon houden.’

 

Madriecha Hasjalsjelet

 

Advertentie voor Weinstock in Hasjalsjelet

‘In 1946 ging ik naar Amsterdam, waar ik werk kreeg als jongste bediende op kantoor bij Weinstocks regenkledingfabriek in Amsterdam. Eerst woonde ik bij familie en later had ik een kamer aan het Olympiaplein. Iemand die ook bij Weinstock werkte zei tegen mij: “Kun je geen madriecha bij de jeugdbeweging worden? Ga naar het PAI-centrum.” Zo hield ik me zaterdags en zondags met de jeugdbeweging bezig. De jeugdbeweging die aan de PAI gelieerd was, was Hasjalsjelet.’

 

Intern jeugdleidster in PAI-huis

 

‘Nadat ik een jaar madriecha was geweest, kreeg ik het voorstel om intern als jeugdleidster te komen werken in het PAI-huis. Dat sprak me zeer aan, en zo heb ik enkele jaren in het PAI-huis gewerkt. Het was een tehuis voor kinderen en jongeren die net als ik uit de provincie kwamen en graag in een Joodse omgeving wilden wonen en leven.

Het PAI-huis in Amsterdam was in de van Mierenveldstraat. Loni Kahn was de directrice. Het huis had drie etages. Op de begane grond werden sjioeriem (lessen) gegeven. Daar kon je koosjer eten. Er kwamen ook groepen van Hasjalsjelet bij elkaar over Sjabbat en op zondag. Op de eerste etage woonden kinderen, wezen of halfwezen. De meeste kinderen waren helemaal uit het gareel. Op de tweede etage waren meisjes, ook grotendeels losgeslagen. Er waren echter ook een paar vrome meisjes. Op de derde etage waren jongens.

In dit huis werden activiteiten van de jeugdbeweging Hasjalsjelet gehouden. Het waren leuke bijeenkomsten waar zowel de inwonende kinderen aan mee deden als kinderen die bij hun ouders of pleegouders woonden. Ik was, met andere meisjes, een madriecha. De sjelichiem van Hasjalsjelet woonden hier ook. Torah-les werd gegeven door de sjelichiem en de madriechiem.

De sjelichiem waren Raphaël Levy, Jozef Erlanger (een neef van mijn latere man), Avi Shloshinski en het echtpaar Jitschak en Sheinde Levi. Bezoekende sjelichiem uit Erets Jisraël waren Jitsgak Gros, Issachar (Rolle) Grisman, rabbijn Benjamin Mintz en de rabbijn Moshe Solowitsik.

Voordat de staat Israël was uitgeroepen vroegen de sjelichiem mij dikwijls telegrammen te versturen. Destijds begreep ik de Hebreeuwse inhoud van deze telegrammen niet. Tevens besefte ik ook niet hoe belangrijk het sjelichoet eigenlijk wel niet was. Pas veel later werd mij bekend dat de inhoud van deze telegrammen betrekking had op de illegale Alijah.

Veel kinderen hadden problemen, omdat ze hun ouders en hele familie verloren hadden. Weer anderen hadden moeilijkheden om weer thuis te wennen, nadat ze jaren bij pleegouders waren opgegroeid. Er waren ook kinderen die waren opgevangen na de oorlog in kinderhuizen of pleeggezinnen. De zomerkampen, de bijeenkomsten op Sjabbat en zondag, waar liederen werden gezongen, spelletjes gespeeld en gevoetbald, vonden de kinderen heerlijk.

Een jeugdleider(ster) was voor zulke kinderen een houvast. Veel van deze kinderen zijn vroeg of laat naar Israël geëmigreerd en er bleef altijd een band.

Op Sjabbat en zondag werd er les gegeven in Torah, Joodse wetten en gebeden. Wij vertelden de kinderen verhalen en midrasjiem (een midrasj is een rabbijnse uitleg van Bijbel-exegese). De kinderen, jongens en meisjes samen, waren van zes jaar tot veertien jaar, dat was één groep, want we hadden niet zo veel madrichot. Op Sjabbatmiddag leerden we de parasjat hasjavua en werd er minche (namiddaggebed) gedavvend. (gebeden)

Ook leerden we hen Ivriet. Aangezien we maar weinig leerboeken hadden kregen we materiaal uit Zwitserland en Engeland.

Op zondag deden we ook spelletjes en handenarbeid. Met Chanoeka werd er bijvoorbeeld een chanoekia (vaak een kandelaar, voor acht lichten plus een extra licht waarmee de andere worden aangestoken) gemaakt. Er waren ook Chanoeka-feestjes. Ook werd er Toe Bisjva gevierd. Net als Poerim en Pesach.

Ik schreef in de jeugdkrant over onze activiteiten en mijn vriendin Bella Emanuel, die al in Israël was, had daarin de column “Brieven van Bella”.

In de jaren 1947-1948 gingen veel jongelui op Alijah naar Palestina om te helpen bij het oprichten van de Staat. De directrice, de kokkin en een groep kinderen gingen illegaal op Alijah. Ik werd waarnemend directrice op negentienjarige leeftijd.’

 

Naar Londen: Beth Jacob Seminar

 

‘In de zomer van 1948 waren we in een internationaal zomerkamp, daar trof ik meisjes uit Londen. Zij stelden mij voor om in het Londense Beth Jacob Seminar (een orthodoxe leraressen opleidingsschool voor meisjes) te komen leren. Dat heb ik gedaan. Ik heb negen maanden aan het Seminar geleerd. Door de oorlog had ik veel Joodse lessen verzuimd. Dat haalde ik in Londen in.

Ik was au pair bij verschillende families en leerde overdag heel vlijtig om lerares te worden aan de Joodse scholen. In Londen gaf ik lessen aan kleine kinderen van zes en zeven jaar oud. Ik leerde hen lezen en schrijven in het Hebreeuws en vertelde Bijbelse geschiedenis. Daarmee verdiende ik mijn zakgeld.

Aangezien ik de omgang met Jekkiem (Joden die oorspronkelijk Duits spreken) miste kreeg ik van rabbijn Josef Hirsch Dunner toestemming om op uitgaande Sjabbat naar de jeugdbeweging Ezra te gaan en daar voelde ik me op mijn plek.

Op een van de bijeenkomsten van Ezra hoorde ik rond juni 1948 dat de Sochnoet (Jewish Agency) van plan was een groep van in totaal tien jeugdleiders uit Zwitserland, Holland en Engeland samen te stellen, die naar Israël zouden gaan om daar een opleiding te volgen en vervolgens in Europa te werken voor het Jeugd-Alijah-programma

Ik vroeg eerst rabbijn Dunner om advies en daarop meldde ik me aan en ik kreeg een plaats in de groep.’

 

Southbourne: zomerkamp 1949

 

‘Aangezien ik niet genoeg geld had om alles te bekostigen – ik was maar een arme studente – ging ik eerst als kok in een zomerkamp in Southbourne werken. Elke ochtend stond ik heel vroeg op. Ik ging naar de nabijgelegen koeienstal om met mijn aanwezigheid bij het melken te bewerkstelligen dat de melk als koosjer aangemerkt zou worden.

Ik besloot de Engelse meisjes courgettes voor te zetten, maar ze lustten ze niet. Omdat ik per se van de voorraad courgettes af wilde, probeerde ik ze in allerlei gerechten te verstoppen: in de soep, in gehaktballetjes, eigenlijk overal waar het maar kon. Niets lukte. Ze proefden het ondanks mijn pogingen en ik kreeg van hen de bijnaam “de courgette-kokkin”.’

 

Met groep jeugdleiders naar Israël

 

‘In september 1949 begon ik mijn reis: van Londen naar mijn ouders in Lumburg, via België naar Frankrijk en van Marseille met de boot Kedma naar Israël.

We sliepen in hangmatten in het vrachtruim. De mensen op de boot kwamen uit Tripoli, Spanje en Frankrijk. Voor ons was alles nieuw. Onze groep bestond uit jeugdleiders uit Engeland, Zwitserland en Holland. We amuseerden ons best. Toen we de eerste lichten van Haifa zagen, bleven we de hele nacht op het dek om niets te missen. We waren allemaal onder de indruk en opgewonden na onze vijfdaagse zeereis over de Middellandse Zee. Vanuit Haifa gingen we naar het adres waar we drie maanden zouden leren en werken: de kibboets Chafets Chaim bij Gedera.’

 

Drie maanden naar Chafets Chaim

 

‘In de kibboets kregen we tenten met drie bedden en een tafel. We hoorden ’s nachts de jakhalzen huilen niet ver van ons vandaan. Dat was wel een beetje griezelig, maar het hoorde erbij. “Waar willen jullie werken?” werd ons gevraagd. Waarop ik prompt antwoordde: “Bij de koeien of de kippen.” Maar we werden ingedeeld in de groenteteelt en in het keukenwerk, want kippen en koeien waren “mannenwerk”.

Bericht over kibboets Chafets Chaim in Hasjalsjelet
Bericht over kibboets Chafets Chaim in Hasjalsjelet

Halve dagen werkten we en halve dagen leerden we godsdienstige vakken zoals Torah, geschiedenis van het Joodse volk en de nederzetting in Israël. En dan natuurlijk Ivriet, Hebreeuwse lessen, want we werden opgeleid om onderwijs te geven in het buitenland en de jongelui te interesseren om als pioniers naar Israël te gaan.

Men liet ons het land zien, opdat we zouden kunnen vertellen over het land, en dat we zouden weten waar we over spraken. We bezochten Jeruzalem, Beër Sjeva, Tiberias, Galilea, Haifa en Tel Aviv. Wij waren enorm onder de indruk en toen we eind december 1949 weer terug reisden met de boot, waren we enthousiast en vol goede wil om alles over te brengen aan onze toekomstige leerlingen en hen te overtuigen om op Alijah te gaan. We hadden ons verplicht om een jaar voor het Jeugd-Alijah- programma van de Sochnoet (Jewish Agency) te werken.

Na een bootreis van vijf dagen en een treinreis van een halve dag, kwamen we in Parijs aan. We bleven daar het hele weekend. Daarna ging de reis door naar Holland. Eerst ging ik mijn ouders opzoeken en vertelde hen al mijn ervaringen. En toen door naar Amsterdam waar het werk op mij wachtte. Ik ging weer wonen in het PAI-huis.’

 

Mijn werk voor het onderwijsbureau

 

‘Ik werd tweede secretaresse op het onderwijsbureau van de Joodse Gemeente. In mijn vrije tijd leidde ik jonge jeugdleiders op en gaf lessen in alle mogelijke kleinere gemeenschappen waar kinderen waren die wij op die manier in contact brachten met de “grote” gemeenschap in Amsterdam. We organiseerden weekenden, vakantie-leerweken en zomerkampen. Zo kwamen die Joodse kinderen en jongeren weer langzaam bij elkaar. Het gaf ons heel veel voldoening weer iets op te bouwen wat zo verwoest was.

Een van mijn taken was het afleggen van huisbezoeken om ouders te interesseren om hun kinderen naar Joodse les te sturen. Sommigen hadden geen idee meer van het Jodendom, bijvoorbeeld gemengd gehuwden, andere ouders waren na de Sjoa zo bang dat ze geen enkel contact met de Joodse gemeenschap wilden hebben.

Niet altijd werden onze bezoeken in dank afgenomen. Een keer ben ik ergens een oude trap opgelopen in het centrum. Boven gekomen zei de vrouw des huizes tegen me: “De katholieken geven zoveel, en hoeveel geven de Joden mij?” Ik ben bijna de trap afgegooid.

Heel veel jongelui zijn teruggekomen doordat ze Joodse les kregen. Er werden Joodse lessen gegeven in Oost en Zuid, op zondagmorgen en woensdagmiddag. Tevens probeerden wij de kinderen naar Hasjalsjelet of Bne Akiwa te brengen. De Israëlische sjeliecha die voor Bne Akiwa werkte, was mijn vriendin en beiden jeugdbewegingen probeerden de Joodse jeugd te behouden voor het Jodendom.’

 

Zomer- en winterkampen

 

‘In alle mogelijke kleine plaatsen organiseerden we zomer- en winterkampen: Lunteren, Haarlem, Hilversum, Laage Vuursche. Ik herinner me dat we in een schoolgebouw of internaat sliepen. Er waren daar genoeg bedden en wij kookten. Het was altijd gezellig. Alles was natuurlijk koosjer, maar ik herinner me niet of we het eten meenamen uit Amsterdam.

Hasjalsjelet
Rachel met pan. Hasjalsjelet-kamp in Apeldoorn, Hasjalsjelet, jrg. 3, nr. 7-8, 1949

De groep bestond ongeveer uit dertig kinderen. Ze vonden het prachtig. Het was meestal voor een week. Er was handenarbeid, er werden spelen gespeeld en wandelingen door de natuur gemaakt. Tevens werd er geleerd. Altijd was er wel iets te doen.

Ik kan me nog goed het bezoek van Yaakov Rosenheim, de toenmalige president van de Agoedat Jisraël, herinneren. Hij was op doorreis naar Israël en maakte een tussenstop op Schiphol. We verwelkomden hem daar samen met onze Amsterdamse chanichiem (leerlingen). Ook de jeugd uit Rotterdam, Den Haag en Utrecht kwamen. We onthaalden hem met een blauw-witte vlag waarop we een Davidster op hadden geborduurd. Het was een fantastisch gevoel om die vlag vast te houden. Het was een teken voor de niet-Joden dat het Joodse volk leeft en bestaat tot in eeuwigheid.

In winterkampen tijdens Chanoeka werd er voornamelijk over Joodse onderwerpen geleerd. Het was voor de oudere kinderen van een jaar of twaalf of dertien.

Sommigen van deze kinderen wilden meteen naar Israël. Dan zeiden hun ouders: “Jullie blijven netjes hier tot je je eindexamen gedaan hebt.” Soms ontmoet ik hier mensen tegen die tegen mij zeggen: “Jij bent degene die mij hier naartoe heeft gebracht.”’

 

Geen toestemming voor Alijah

 

‘Nadat ik vijf maanden hard gewerkt had voor het onderwijsbureau, wilde ik mij gaan voorbereiden op mijn Aliyah. Vol goede moed ging ik naar het bureau van Hachsjara en Alijah (Immigratie en voorbereiding voor Israël.) Ik kwam binnen en zei: “Ik zou graag mijn aanvraag indienen om op Alijah te gaan.” Waarop ik van de directrice, mevrouw Mendes da Costa, te horen kreeg: “Het spijt me, maar je moet eerst opgeleid worden voor de immigratie.” Ik werd wat ongeduldig en reageerde: “Willen jullie dat ik directrice word van deze groep? Ik ken al het werk op het veld, in de stallen en in het kippenhok. Ik heb bij de boeren gewerkt, heb Hebreeuws geleerd, spreek de taal en geef er les in. Ik ben lerares in Hebreeuwse vakken. Ik heb een kindertehuis geleid als plaatsvervangend directrice, kan koken en bakken, dus wat heb ik in de hachsjara te zoeken? Bovendien was ik al drie maanden in Israël en weet dat ik daar thuishoor.”

Het antwoord was: “Het spijt ons, zo is het ons voorgeschreven, en dit zijn de voorwaarden van de immigratie.” Dezelfde avond stuurde ik een telegram naar Parijs, waar sjaliach Rafi Levi woonde, en vroeg hem hoe ik naar Israël kon reizen zonder de “service” van het bureau in Holland te gebruiken. Wij kenden elkaar uit Nederland, waar hij in het PAI-huis gewerkt had.

Ik schreef dat ik geen certificaat kon krijgen, omdat ik niet bij de hachsjara een opleiding had gedaan. Toen antwoordde Rafi Levi: “Kom alsjeblieft direct naar Hénonville, want we hebben dringend madrichot nodig.” Nadat ik mijn baan had opgezegd in juli 1950, ging ik in augustus naar Parijs.’

 

Hénonville

 

Rafi Levi haalde me af en bracht me naar Hénonville, een gehucht niet ver van Parijs. Het kindertehuis was gehuisvest in een oud kasteel met brede trappen. Toen ik de trap opging, liep een jonge jeugdleider de trap af. Hij begroette degene die met mij mee de trap op liep en ook mij met de traditionele Joodse groet: “Shalom Aleichem.” Ik antwoordde: “Aleichem Shalom,” en in mijn hart dacht ik: dat is de ware Jacob. Deze jongeman was Akiba Erlanger (geboren in Luzern in 1921).

Het kasteel waarin de school gevestigd was. In: Hasjalsjelet, jrg. 4, nr. 7-8, 1950
Het kasteel in Hénonville waarin het kindertehuis gevestigd was. In: Hasjalsjelet, jrg. 4, nr. 7-8, 1950

Er woonden honderdvijftig Marokkaanse, Tunesische en Algerijnse kinderen in het tehuis in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar. Zij zouden in een tijdbestek van zo’n negen maanden immigreren. We werkten heel hard, de kinderen kwamen uit een ander milieu dan wij en hadden veel opvoedingsproblemen. Er waren problemen met de taal en met het eten. Wij gaven les in Ivriet, maar de kinderen spraken Frans, waarop ik ook Frans heb leren spreken. Wij kookten Europees, maar de kinderen waren gewend aan heel scherp Noord-Afrikaans eten.

Bericht over Hénonville in Hasjalsjelet, jrg. 4, nr. 7-8, 1950

Ik werd madriecha voor de meisjes. Er waren intelligente meisjes bij, die hadden in Tunis op de middelbare school geleerd, en er waren Marokkaanse meisjes bij die analfabeet waren.

Afscheid van Rachel in Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950

Al deze problemen werden besproken met de andere leiders, die dezelfde leeftijdsgroep hadden. Ik had de meisjes van elf tot veertien jaar, en Akiba (die jonge jeugdleider van de trap) had de jongens van dezelfde leeftijd. Zo hadden we veel te bespreken over “onze” jongens en “onze” meisjes.’

 

Alijah: februari-maart 1951

 

‘Na negen maanden gingen wij op reis naar Israël. We deden de reis van Parijs naar Marseille met autobussen. Van Marseille moesten we met de boot vertrekken. Wij kregen een groep Egyptische kinderen onder onze hoede. Zo waren wij met meer dan honderdvijftig kinderen. Onderweg naar het schip Negba troffen we een grote groep Hollanders op de kade aan.

En wie was daarbij? Mevrouw Mendes da Costa die me geen permissie had gegeven te immigreren! Ze zag me en vroeg me: “Waar ga jij heen?” Ik antwoordde: “Naar Israël, als jeugdleidster van de Jewish Agency en ik heb hier meer dan honderdvijftig kinderen bij me.” Ze wenste me veel succes! De bootreis verliep niet zo makkelijk. De kinderen waren onderweg allemaal doodziek. Het was februari en er was een verschrikkelijke storm. Ik was niet misselijk. Ik zat als enige in de eetzaal en at samen met de bemanning.

Toen we na vijf dagen in Haifa arriveerden was het prachtig weer. Akiba en ik stapten samen van de boot, Onze persoonsbewijzen werden zo 63 en 64 op het eind, alhoewel we nog niet getrouwd waren.

De hele groep ging aan wal en een madriech bracht ons naar een jeugdkamp van de Jewish Agency in Achuza, een wijk in Haifa. Daar werden wij tijdelijk opgevangen om daarna verder te gaan, ieder naar zijn bestemming. De kinderen gingen naar verschillende kindertehuizen en ik kreeg een baan als madriecha in een kindertehuis in Nahalat Yehuda, een dorp naast Rishon LeZion, niet ver van Tel Aviv. In dat tehuis waren Poolse kinderen die uit kampen uit Oost-Europa kwamen. Het was een moeilijke periode voor mij. Ik was afgesloten van de stad en ik had geen gezelschap buiten mijn werk. Ik besloot om naar Jeruzalem te gaan om daar mijn geluk te beproeven.’

 

Naar Jeruzalem

 

‘In Jeruzalem werkte ik als jeugdleidster in een internaat van zes tot acht in de ochtend. Dan ging ik naar een school om mijn Ivriet kennis te verbeteren. ’s Avonds werkte ik van vijf tot negen met de kinderen en later deed ik mijn huiswerk. Na vijf maanden haalde ik mijn diploma. Ik had genoeg van het jeugdwerk en ik ging iets anders zoeken.

Een paar maanden heb ik op een kantoor gewerkt bij Pikofski, een zincografisch bedrijf5, en daarna een tijd als bibliothecaresse.’

 

Huwelijk

 

‘In september 1952 kreeg ik een uitnodiging om over Sjabbat naar kibboets Netiwa te komen. Akiba Erlanger was daar aangenomen als lid, ook mijn broer Piet woonde en leerde daar. Ik trof Akiba daar en praatte met hem over van alles en nog wat en ’s avonds hebben we ons verloofd. We kenden elkaar al lang genoeg.

In december 1952 zijn we getrouwd. Onze bruiloft werd gehouden in de lege voorraadschuur. Er werden lampen opgehangen en planken op stenen gelegd, die als tafels en banken dienden. De koek was van brooddeeg met cacaovulling. Alles was heel eenvoudig, maar de stemming was geweldig, vooral omdat Akiba het oudste lid was van de kibboets.

We kregen een driedeurskast van de kibboets, hadden zes stoelen en een tafel. We voelden ons de koning te rijk. Ik had nog van thuis borden met een gouden rand en in de kibboets dachten ze dat wij miljonairs waren.

We kregen onze “woning” toegewezen: een ruimte ter grootte van één kamer in een houten loods. Het toilet en water was buiten de deur. Elektriciteit hadden we af en toe. Meestal verlichtten wij het huis met petroleumlampen. Maar wij waren tevreden.

Akiba werkte op het veld en in de boomgaard. Ik was verantwoordelijk voor de keuken en het arbeidsplan: iedereen kreeg zijn taak toegewezen en iemand moest die indeling maken. Eten was er niet veel in die tijd. Brood, macaroni, mayonaise, witte kaas en radijsjes en visfilet, en een half ei per dag. Maar niemand klaagde. Alles was goed.

Ondertussen was er een revolutie in de kibboets. We wilden de kibboets omvormen van een kibboets naar een coöperatieve boerderij, waar, in tegenstelling tot de kibboets, mensen thuis eten en kinderen niet in kindertehuizen slapen. Het Agentschap ging echter niet akkoord. De kibboets had ook een schuld en de kibboets werd opgeheven en iedereen ging zijn eigen weg. We hadden geen geld om te verhuizen. We verhuisden naar Beit Hilkia met onze zes weken oude zoon. We reisden met hem en onze schamele bezittingen gestapeld op een wagen die achteraan een tractor was gekoppeld. Beit Hilkia was een nieuw dorp tussen Netiva en Chafets Chaim.

Wij begonnen een kleine boerderij. Als we werk hadden op het veld, zoals komkommers plukken of tomaten of uien uitdunnen, dan ging onze Meir mee het veld op, in een aardappelkist gevuld met stro, een luier op het stro en de baby erboven op. We werkten in de late namiddag, anders was de zon te heet. Gas om te koken was er niet. We kookten op een petroleumstel.

Later hebben we een waterleiding aangelegd in de keuken en weer later zelfs een douche! We waren in die tijd heel arm. We kochten een halve liter melk per dag en één kip in de week. Soms was er zelfs geen geld om brood te kopen. Gelukkig hadden we onze eigen eieren en melk van ons geitje, waar ik niet van hield. Ook groenten hadden we van ons stukje land, zelfs paprika. Eens hadden we per vergissing scherpe paprika gezaaid en onze mond eraan verbrand.’

 

Terug naar Jeruzalem

 

‘Toen we in Beit Hilkia woonden, ben ik erg ziek geworden. De dokter van het dorp was van mening dat ik niet meer zo hard mocht werken. Ik werkte in de landbouw en in het huis met de kinderen. We hadden toen twee jongentjes. Bovendien was het klimaat niet goed voor mij. We zijn in Jeruzalem gaan wonen, waar Akiba een baan als landbouwleraar vond. Hij had vijf jaar landbouw gestudeerd in Zwitserland en was al jaren leraar geweest. In de daarop volgende jaren hebben we nog vijf kinderen gekregen.

Eerst werkte ik als boekhoudster bij een grote fabriek. Daarna ben ik een zaak begonnen in boeken en schrijfwaren en later in speelgoed en kranten. In 1983 ging ik met pensioen nadat ik de zaak verkocht had.’

Rachel Erlanger-Cohen
Vijf generaties. Rachel met haar zoon en kleindochters

Rachel Erlanger-Cohen is in 2020 overleden.
_______________

 

Noten

 

 

  1. Pinchas Bar Efrat woonde op de Statenlaan 77.
  2. Op 18 juni 2019 erkende Yad Vashem postuum de familie Reijnders uit IJzeren als Rechtvaardigen onder de Volkeren. Omdat het initiatief destijds vanuit de kerk kwam, werd de onderscheiding op verzoek van de familie Reijnders in de kerk uitgereikt door de Israëlische ambassadeur in Nederland. Twee van deze drie kinderen (Piet en Betje) waren bij de ceremonie aanwezig. Zij vertelden dat zij in IJzeren met veel liefde zijn ontvangen en dat hun hele gezin de oorlog heeft overleefd. Niet alleen zijzelf, maar daardoor ook hun inmiddels ongeveer tweehonderd nakomelingen.
  3. Muur met witkalk bewerken.
  4. Helden-Beringe heet tegenwoordig Beringe. Het Schoor en Beringe liggen hemelsbreeed 18 km uit elkaar
  5. De zincografie is een grafische vlakdruktechniek analoog met deze van de lithografie.
Deel deze pagina