Deze tekst is gebaseerd op het door Elizabeth Dotsch-Viskoop zelf geschreven levensverhaal, gedateerd 22 augustus 1988.
Op 25 juni 1910 werd ik geboren in Amsterdam, aan de Oudeschans. De rest van ons gezin bestond toen reeds uit vier personen: mijn moeder, toen 42 jaar oud, mijn vader, reeds 45 jaar, mijn oudste zuster, bijna acht jaar, mijn broer, zeven jaar, en de tweede [zuster], vier jaar. Toen ik tweeënhalf jaar oud was, werd mijn jongste broertje geboren, zodat ons gezin toen uit zeven personen bestond. Toen ik acht maanden oud was, verhuisden wij naar de Lange Houtstraat; natuurlijk herinner ik mij dit niet. Tot mijn zeventiende woonden wij in deze straat.
Het dagelijks leven thuis
Rijk waren wij beslist niet. Mijn vader was broodbezorger voor eigen rekening, wat inhield dat hij het brood dat overbleef zelf moest houden, zodat wij bijna altijd oud – soms zeer oud – brood aten. Belegd brood aten wij alleen op Sjabbat. Wij hoefden niet veel te eten, maar wat op ons bord lag, moest opgegeten worden. Mijn moeder werkte heel hard, want behalve voor het grote gezin werkte zij voor een kleermakersatelier als broekenmaakster, maar dat gebeurde thuis.
Onze woning bestond uit een voor- en achterkamer, keuken en alkoof. Voor deze buurt was dit een tamelijk grote woning, want menig gezin woonde in een eenkamerwoning, sommigen zelfs zonder keuken. Die eenkamerwoningen hadden bedsteden en vaak een kraan en wc in het portaal.
In de oorlog 1914-1918, die ik mij nog heel goed herinner, heeft mijn moeder militairengoed gemaakt. Dat was eigenlijk verboden voor huisnaaisters, maar op een of andere manier lukte het mijn moeder toch wel thuis te werken. Aangezien er geen andere plaats was, werkte mijn moeder van zondag tot donderdagmiddag in de huiskamer, waar het dan altijd rommelig was. Donderdagavond werd schoongemaakt en de naaimachine afgedekt. Vrijdags werd eten gekookt en stond de soep de hele dag te trekken. Meestal was het [van] een poot en een stukje soepvlees. Het been van de poot werd zondags verkocht in de voddenloods van Firma De Jong. Wij mochten deze centen houden en er wat lekkers van kopen in het snoepwinkeltje in de Korte Houtstraat bij juffrouw Schuitenvoorder.
Van bewaarschool tot mulo
Toen ik vier jaar was, ging ik naar de bewaarschool in de Uilenburgerstraat. Daar werd ik verliefd op de juffrouw, die Van der Wijk heette. Zij was werkelijk heel schattig voor mij. Ik mocht vooraan zitten en soms iets uitdelen, zoals krijt en ander materiaal. Ik ging dan ook heel graag naar school.
Toen ik zes jaar was, ging ik naar de grote school aan de Oudeschans, waar mijn twee oudere zusjes al op zaten. Daardoor was het halen en brengen geen probleem. Mijn oudste broer ging naar school in de Valkenburgerstraat; later ging ook mijn jongste broertje daarheen.
Wij kregen allemaal ook Joodse les, maar daarvoor gingen we naar een andere school, in de Rapenburgerstraat. Die lessen waren van vijf tot zeven uur ’s avonds.
Op de lagere school kon ik behoorlijk goed meekomen. Toen ik in de vijfde klas zat, mocht ik ook een vreemde taal leren, naar keuze: Frans, Duits of Engels. Ik koos Frans. Veel heb ik daarvan niet geleerd, want het bleef bij die twee jaar.
Later ging ik naar de mulo, waar ik onder andere Engels kreeg. Die mulo was voor mij beslist geen succes. Mijn onderwijzer bleek antisemitisch te zijn. Er waren daar maar een paar Joodse kinderen en die man kon het niet laten daarover te spotten. Toen ik dertien jaar was, liep ik van school weg.
Aan het werk
Ergens had ik gelezen dat er een leerling voor kantoorwerk werd gevraagd bij een zaak in verlichtingsartikelen. Daar ging ik heen en ik werd aangenomen. Mijn aanvangssalaris was tien gulden per maand. Mijn ouders vonden het goed, ook omdat ons inkomen daardoor iets groter werd.
Jammer genoeg bleef deze zaak niet lang bestaan. Op kantoor had ik ook machineschrijven geleerd; na mijn werk mocht ik oefenen. Via mijn chef kreeg ik daarna een baantje bij Contex, een onderafdeling van Magazijn De Bijenkorf. Ook Contex bleef niet lang bestaan en al het personeel werd overgeplaatst naar De Bijenkorf. Ik kwam op de hoofdcassa terecht, later op de centraalcassa, en had het daar heel goed naar mijn zin. Het salaris werd echter niet veel hoger: vijftien gulden per maand.
Gezin
Na vijf jaar ging ik weer eens solliciteren en kwam ik bij de firma De Beer, een zaak in garen en band. Daar verdiende ik wel wat meer, maar ik had het er niet zo naar mijn zin. Opnieuw ging ik solliciteren en werd verkoopster bij de firma Drukkers Drogisterijen. Het hoofdmagazijn was in de Koningsstraat, waar ik werkte.
Van en naar de andere filialen werden goederen gehaald en gebracht. Zo leerde ik daar mijn man kennen. Mijn man was eigenlijk lederbewerker, voornamelijk tassenmaker, maar ook in dat vak was er niet veel werk.
Mijn man had in zijn leven erg weinig geluk gehad. Zijn vader had het gezin verlaten, waarna zijn moeder ernstig ziek werd. Het gezin viel uiteen en hij kwam bij andere mensen in huis terecht. Daar moest hij veel kostgeld betalen.

Toen wij elkaar een poosje kenden, besloten wij te trouwen en allebei te blijven werken. Wij hadden een heel kleine woning, één kamer, en kochten iedere week een meubelstuk of iets anders voor het huis. We waren erg gelukkig.
Na anderhalf jaar werd onze eerste dochter geboren. Van de gemeente Amsterdam kregen wij een vierkamerwoning en later kregen wij nog twee dochters.
Intussen ging mijn man weer in zijn eigen vak werken. Er kwam wat meer leer beschikbaar, maar ook imitatieleer. De firma Klein, waar hij toen werkte, had zelfs zoveel werk dat hem werd gevraagd of hij ’s avonds thuis nog wat extra werk wilde doen. Dat deed hij. Hij kreeg een machine in bruikleen en zo begon hij langzamerhand voor eigen rekening te werken. Later had hij ook een andere werkplaats en wat personeel.
In 1936 overleed mijn moeder plotseling. Zij was hartpatiënte en astmatisch. Mijn vader overleed in 1939, kort voor het uitbreken van de oorlog. Niet lang voor zijn dood zei hij nog: ‘Hier komt geen oorlog.’ Dat dachten in die tijd veel mensen. Nog steeds kan ik zeggen: gelukkig hebben zij die oorlog niet meegemaakt.

Onderduik
Toen Nederland in oorlog kwam, konden velen nog altijd niet geloven dat er zulke wreedheden zouden plaatsvinden. Wij lazen en hoorden inmiddels over vernietigingskampen, maar toen mijn oudste zuster een oproep kreeg en wij haar afraadden te gaan, zei zij dat zij die verhalen niet geloofde en ze als communistische propaganda beschouwde. Mijn zwager was suikerpatiënt, maar zelfs het uitstel van drie maanden dat hij kon aanvragen, wilden zij niet benutten.
Mijn twee broers gingen na een oproep naar een zogenaamd werkkamp. Mijn jongste broer was nog niet getrouwd. De vrouw van mijn oudste broer ging zelfs naar het werkkamp om samen met hem verder te gaan.
In 1941 hebben wij er eerst voor gezorgd dat onze kinderen een schuiladres kregen. Daarna zijn wij zelf weggegaan. Eerst gingen wij naar een zogenaamde vriend in Amsterdam. Gelukkig merkte ik al snel dat er iets niet klopte en dat hij ons waarschijnlijk zou verraden.
Daarna gingen wij naar vrienden in Amersfoort. Deze mensen waren goed voor ons, maar omdat wij er vóór de oorlog ook wel eens hadden gelogeerd, kende men ons daar. Wij wisten daarom van tevoren dat wij er beslist niet lang konden blijven en moesten verder zoeken.
Stevensbeek en Utrecht
Wij kwamen toen in Stevensbeek, in Brabant, terecht bij een gezin waar de boerin ziek was. Ik kon in het huishouden helpen en mijn man ging op het land werken.
Ook daar hadden wij niet al te veel geluk. Eind 1941 kwamen mensen van Winterhulp 1 collecteren. Mijn man kwam juist thuis van het land en de boer maakte met zijn arm een gebaar dat hij weg moest blijven. Natuurlijk zagen de mensen van Winterhulp dat gebaar ook en zij gingen mijn man achterna.
Diezelfde middag vertrok ik natuurlijk eveneens. Ik liep te voet naar Oploo en ging vandaar met de bus naar Utrecht, naar een adres [de familie Kamperman, red.] waarvan ik wist dat men er kinderen had ondergebracht. Er verbleven daar al twee Joodse kinderen en men wilde, heel begrijpelijk, geen verdere risico’s nemen.
Wel hadden zij een familielid [zus Aaltje Rietveld-Kamperman, red.] in Leiden dat een dienstbode zocht. Zij vroegen mij of ik daar zou willen werken. Natuurlijk wilde ik dat.
Leiden: Pension Rietveld
De familie belde naar Leiden en zo werd ik dienstbode bij de familie Rietveld, die een pension had. De pensiongasten waren bijna allemaal studenten. Toen ook de Leidse universiteit werd gesloten, kwamen er kamers vrij en werd het pension een onderduikadres voor Joden.
Tijdens mijn onderduiktijd werd ik ziek. Ik kreeg een spierontsteking aan mijn been, zo ernstig dat ik geopereerd moest worden. Naar het ziekenhuis kon ik niet, want dat was voor Joden verboden, en mijn papieren waren niet goed genoeg om het risico te nemen. Een chirurg kwam naar mij toe en opereerde mijn voet. Drie weken lang kon ik niet werken en ik voelde mij dubbel ongelukkig.
Toen na mij de eerste Joodse mensen als gewone, betalende pensiongasten in huis kwamen wonen, zei ik tegen mevrouw Rietveld: ‘Wilt u tegen deze mensen ook zeggen dat ik dienstbode ben?’ Mevrouw Rietveld antwoordde: ‘Waarom moet dat? Het zijn toch ook Joden? Die zullen je toch zeker niet verraden?’ Waarop ik zei: ‘Natuurlijk zullen zij mij niet zomaar verraden, maar je weet nooit in welke omstandigheden zij terechtkomen. Wat men niet weet, kan men ook niet verraden.’
Toen ik vanwege mijn erg pijnlijke voet op een kamer naast hen lag en nogal kreunde, vroegen zij: ‘Waarom gaat Willie toch niet naar het ziekenhuis?’ Willie was mijn valse naam; voluit heette ik Wilhelmina Hamers. Mevrouw Rietveld vertelde toen dat ik niet naar het ziekenhuis kon, omdat ik, net als zij, Joods was.

Later kwamen er nog meer Joodse mensen in huis. In totaal waren wij met z’n zessen. Gelukkig is dat tot het einde van de oorlog goed gegaan.
Vroeger geloofde ik nooit in toeval. Alleen in boeken gebeurden toevallige dingen, dacht ik. Tijdens de oorlog zou ik ondervinden dat zulke dingen ook in het gewone leven voorkwamen.
Natuurlijk hoorden wij maar al te vaak dat er weer iemand was opgepakt. Toen in 1943 in Utrecht een groep kinderen werd opgepakt, zei ik: ‘Daar is een van mijn kinderen bij.’ Mevrouw Rietveld vroeg: ‘Hoe kom je daar nu bij?’ Ik antwoordde: ‘Dat voel ik.’ Zulke dingen zijn onverklaarbaar, maar ik voelde het werkelijk.
Het familielid in Utrecht was de broer van mevrouw Rietveld. Een paar dagen later kwam hij speciaal naar Leiden om mij te vertellen dat mijn dochtertje samen met andere kinderen was opgepakt.
Er waren nog meer van zulke toevalligheden. Toen mijn kinderen gingen onderduiken, werden zij begeleid door een helpster die destijds studente was en in Pension Rietveld woonde. Later kwam ik dus terecht in hetzelfde huis waar zij als studente had gewoond.
Mijn dochtertje werd tegelijk met nog 33 kinderen opgepakt. Deze kinderen werden eerst naar Westerbork gebracht. In Westerbork bevond zich ook een familie Boas. Verschillende families ontfermden zich over de groep kinderen en mijn dochtertje, toen tweeënhalf jaar oud, kwam bij de familie Boas terecht. De familie Boas werd naar Theresienstadt gedeporteerd. Toen later ook de groep kinderen naar Theresienstadt werd gestuurd, ontmoetten zij elkaar daar opnieuw.
Aan het einde van de oorlog zijn zij gezamenlijk teruggekomen. Ik werkte toen nog bij de familie Rietveld in Leiden, omdat ik had beloofd te blijven totdat er een andere dienstbode zou zijn. Voor die periode wilde ik geen geld meer aannemen.

Sonja komt terug
In mei was de oorlog afgelopen. Mijn oudste dochter Sonja verbleef in Sassenheim. Kort voor het einde van de oorlog had ik ontdekt waar zij ondergedoken zat. Toen ik dacht dat het nu wel snel afgelopen zou zijn, ben ik op een fiets met houten banden naar Sassenheim gereden. Ik durfde toen eindelijk te gaan kijken hoe mijn oudste dochter de oorlog was doorgekomen. [Lees hier het onderduikverhaal van Sonja, red.]
Zij was te klein geboren en was lange tijd zwak gebleven. De adressen van de kinderen mocht ik natuurlijk niet weten. Het gebeurde namelijk nogal eens dat vooral moeders hun kinderen gingen opzoeken, en dat leverde groot gevaar op, niet alleen voor de kinderen maar ook voor de mensen bij wie zij ondergedoken waren. Bij de pleegouders in Sassenheim heb ik toen wel mijn adres in Leiden durven achterlaten.
Direct na het einde van de oorlog wilde Sonja niet langer in Sassenheim blijven en kwam zij bij mij in Leiden wonen. Voor haar betaalde ik 75 gulden per maand.
Carla gevonden
Enkele weken later stond ik in de keuken van Pension Rietveld het fornuis schoon te maken met een krant, toen mijn oog viel op een bericht over gevangenen die uit de kampen waren teruggekeerd. Daarin stond dat ook professor Meyers en zijn vrouw uit Theresienstadt waren teruggekomen en weer in hun eigen huis aan de Rijnsburgerweg woonden.
Er stond ook bij dat mevrouw Meyers de namen van verschillende kinderen had genoteerd, omdat zij begreep dat er ouders waren teruggekeerd die hun kinderen zochten.
Gelukkig had ik foto’s van de kinderen bij mij. Ik liet die aan mevrouw Meijers zien en zij zei: ‘Ja, dat is Carla. Zij is met de familie Boas mee teruggegaan naar Amsterdam.’
In die tijd reden er nog nauwelijks bussen of treinen. Ik hield daarom een vrachtwagen aan en mocht voor drie gulden meerijden op de verbinding tussen de twee wagens. Een groot schandaal, maar ik was toch blij dat ik, hoewel erg vuil, in Amsterdam kon komen.
De familie Boas was tijdelijk ondergebracht bij een dokter die, tot mijn geluk, nog telefoon had. Ik kon dus bellen om te zeggen dat ik eraan kwam. Mevrouw Boas had Carla intussen verteld dat zij niet haar echte moeder was en dat haar eigen moeder nu zou komen. Ik was dan ook heel verbaasd toen Carla, zodra ik aankwam, zei: ‘Dat is mijn mammie.’
Ik wilde haar meteen voor een paar dagen meenemen, maar dat mocht niet. Dat vond ik toen vreemd, maar later begreep ik het beter, toen ik verhalen hoorde over andere kinderen die tijdelijk bij hun ouders werden opgehaald en daarna weer moesten worden teruggebracht, omdat die ouders, net als ik, nog geen eigen woonruimte hadden.
Uiteindelijk besloot ik Carla toch mee te nemen. Zo had ik in Leiden twee van mijn kinderen weer bij mij. [Lees hier het onderduikverhaal van Carla, red.]
Nu moest ik mijn middelste dochter nog vinden. Inmiddels wist ik dat zij ergens in de buurt van Utrecht was, maar precies waar wist ik nog niet. Ook haar ging ik zoeken.
Liftend ging ik naar Utrecht, eerst naar de familie Kamperman die mijn onderduikadres had verzorgd. Zij kenden echter geen adressen van de kinderen die door het verzet waren ondergebracht. Dat was heel begrijpelijk: als er op zo’n adres iets zou gebeuren, konden er ook geen adressen van andere kinderen worden prijsgegeven.
Inderdaad is er op dat adres later iets gebeurd. De heer Kamperman heeft ook in een kamp gezeten. Hij werd niet verder gedeporteerd, maar is wel zeer ernstig ziek geweest. Niet lang nadat hij weer thuis was, is hij overleden.
Greetje komt terug

Van Utrecht liep ik naar Zeist. Onderweg vroeg ik steeds of men wist waar nog Joodse kinderen verbleven die niet door hun ouders waren opgehaald. Zo kwam ik uiteindelijk bij de familie Banens in Zeist terecht.
Daar bleek mijn dochter Greet, toen zesenhalf jaar oud, in huis te zijn. De familie Banens was enige tijd in Indië geweest en had haar verteld dat zij haar van een Indische familie hadden meegenomen.
Gelukkig mocht Greet bij de familie Banens blijven totdat ik zelf een woning had. Dat was begin oktober. Haar zevende verjaardag vierde zij in onze naoorlogse woning in de Schalkburgerstraat in Amsterdam. [Lees hier het onderduikverhaal van Greet, red.]
Tot eind juli bleef ik bij de familie Rietveld. Voor de twee kinderen die toen bij mij waren, betaalde ik 150 gulden per maand. Dat bedrag kreeg ik van een of andere hulporganisatie.
Terug naar Amsterdam
In Leiden kon ik geen woning krijgen, omdat men daar vond dat ik in Amsterdam thuishoorde. Eind juli ging ik daarom met de twee kinderen naar Amsterdam. Daar werden wij ondergebracht in een huis waar ook NSB’ers verbleven.
Op een dag ging ik met de twee kinderen wandelen en kwam ik de hoofdopzichter tegen van het complex gemeentewoningen in de Transvaalbuurt. Hij keek heel verheugd toen hij mij zag en vroeg waar ik tegenwoordig woonde. Ik vertelde hem dat ik nog steeds geen eigen woning had.
Hij zei: ‘Ik heb een woning voor u, maar die is heel klein.’ Daarop antwoordde ik dat een kleine woning juist goed was, want ik had geen meubels en ook geen geld. Hij zei: ‘Dat komt allemaal wel in orde. U krijgt de woning.’
In deze woning heb ik nog veertien jaar gewoond. De huur bedroeg slechts vierenhalve gulden per week, maar ik kreeg ook maar een heel lage uitkering. Eerst was dat ongeveer 35 gulden per week en later tien gulden meer, voor mij en mijn drie kinderen.
Ik nam mij voor weer te gaan werken zodra de kinderen wat groter waren. Dat deed ik dan ook. Eerst ging ik parttime werken bij de Bijenkorf. De kinderen hoefden dan niet alleen thuis te zijn wanneer zij uit school kwamen. Mijn salaris was ongeveer even hoog als de uitkering, maar ik voelde mij er toch prettiger bij dan bij die aalmoes.
Toen de kinderen wat ouder waren en alleen mijn jongste dochter nog op de lagere school zat, las ik een advertentie van de Sociale Verzekeringsbank. Men zocht ambtenaren om de AOW op poten te zetten. Ik solliciteerde meteen. Hoewel ik geen ambtenaar was en al boven de veertig, werd ik toch aangenomen. Naar ik meen was dat in 1956 of 1957.
Dochters gaan naar Israël
Langzamerhand gingen de kinderen ook werken en werd het financieel wat gemakkelijker. Mijn oudste dochter ging na de lagere school naar de Industrieschool. Mijn tweede dochter ging naar de vijfjarige Joodse HBS en mijn jongste dochter naar de vierjarige muloschool. Schoolgeld hoefde ik niet te betalen.
Maar er kwam een ander probleem: de kinderen wilden niet in Holland blijven. Eerst ging mijn oudste dochter naar Israël. Mijn tweede dochter was eerst een jaar in Engeland, waar zij als mother’s help, een soort au pair, werkte, en ging daarna eveneens naar Israël.
Vervolgens wilde ook mijn jongste dochter niet in Nederland blijven. Ook zij wilde eerst naar Engeland. Zij hield niet zo erg van huishoudelijk werk en ik had haar daarvoor gewaarschuwd, omdat het niet overal even gemakkelijk is. Maar zij hield vol dat zij toch wilde gaan.
Jammer genoeg kreeg ik gelijk. Zij kwam bij minder aardige mensen terecht. Gelukkig kwam zij daarna in contact met een beweging die zich ervoor inzette jongeren naar Israël te laten gaan. Zij vroeg mij toestemming om ook te gaan. Ik antwoordde: ‘Als jij denkt dat jij je in Israël gelukkiger zult voelen, mag je gerust gaan.’
Alijah
Toen had ik al het idee om, als het mogelijk was, alle schepen achter mij te verbranden. Eerst vroeg ik daarom een half jaar onbetaald verlof en in 1960 ging ik naar Israël. Ik verbleef in een paar kibboetsiem en logeerde af en toe bij kennissen.
Daarna ging ik terug naar Nederland. Bij de SVB nam ik ontslag met een opzegtermijn van drie maanden. Ook ging ik naar een oelpan in Ein Hashofet, waar ik vijf weken intensief Ivriet leerde. Ik had daar een buitengewoon goede onderwijzer. Hij gaf mij de raad gewoon met mijn gebrekkige Ivriet te gaan spreken. Als mensen mij uitlachten, moest ik maar zeggen dat ik het op die manier wilde leren. Zo leerde ik vrij snel spreken. Met lezen heb ik nog steeds moeite.
In juni 1961 emigreerde ik naar Israël. Toch kreeg ik vlak voor mijn vertrek opnieuw moeilijkheden in Nederland. Mijn man had tot kort voor onze onderduik gewerkt. Omdat hij zelfstandig was, betaalde hij geen loonbelasting maar andere belastingen, die pas later werden vastgesteld. Daardoor kreeg ik geen toestemming het land te verlaten voordat die belasting was betaald. Zo kwam ik ook deze keer vrijwel zonder geld in Israël aan.

Gelukkig woonde mijn oudste dochter in een kibboets en kon ik daar eveneens terecht. Tot 1966 woonde ik in de kibboets. Eerst werkte ik bij de appelpluk en later op kantoor, voornamelijk aan de telefoon. Ook daardoor leerde ik snel Ivriet spreken.
In Israël was het mogelijk dat ouders in een kibboets woonden wanneer ook hun kinderen daar woonden. Die ouders hoefden niet te werken, maar de meesten die nog niet te oud waren, wilden dat zelf graag.
Toen mijn dochter en schoonzoon erover spraken de kibboets te verlaten, ging ik alvast op zoek naar een andere woonplaats en naar werk. Dat lukte vrij snel. Ik kreeg werk in een bejaardentehuis en vond een dakkamer op de vijfde verdieping als woning. Die kamer maakte deel uit van een wooncomplex met meerdere dakkamers naast elkaar, zodat ik daar niet helemaal alleen woonde.
Operatie en later leven
Er kwam een ander probleem: ik werd ziek en moest voor een operatie naar het ziekenhuis. Daar werd ik buitengewoon goed verzorgd.
Intussen was het 1967 en brak de Zesdaagse Oorlog uit. In het ziekenhuis moest plaats worden gemaakt voor gewonde soldaten en patiënten die enigszins naar huis konden, werden ontslagen. Mijn operatie had nog niet plaatsgevonden en ook ik werd naar huis gestuurd.
Direct na de oorlog kreeg ik bericht dat ik terug moest komen en kort daarna werd ik geopereerd. De avond voor de operatie kwam een dokter met mij praten. Hij vertelde dat ik wel geopereerd zou worden, maar niet onder narcose. Natuurlijk vroeg ik waarom. Hij antwoordde: ‘Wij zijn modern.’ Ik geloofde hem, totdat ik de volgende dag merkte dat een andere patiënte, die dezelfde operatie onderging, wél onder narcose werd gebracht.
De operatie verliep heel goed. Samen met de patiënte die wel narcose had gekregen, kwam ik op een kleine kamer te liggen. Ik voelde mij al snel veel beter dan zij, omdat ik geen last had van de naweeën van de verdoving.
Toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, vroeg ik de dokter: ‘Mag ik nu de werkelijke reden weten waarom ik geen narcose heb gekregen?’ Hij keek mij even aan en zei: ‘Wij waren bang dat je hart de narcose niet zou kunnen verdragen.’ Daar schrok ik toch wel van. Ik zei: ‘Maar ik woon op de vijfde verdieping, zonder lift!’ De dokter antwoordde: ‘Dat is juist heel goed. Denk erom: je moet lopen, maar jezelf niet vermoeien. Dus bij iedere trap even rusten.’
Het is nu 1988 en ik loop nog steeds.
Na de operatie kon ik een heel jaar geen volledige baan aan. Ik ging bij zieke mensen oppassen. Daarmee verdiende ik iets en kreeg ik ook eten. Tegenover mij stond een bejaardentehuis en daar kreeg ik later een volledige, tamelijk lichte baan.
In Nederland was men in 1968 al begonnen met het uitkeren van vergoedingen aan oorlogsslachtoffers. Hier kregen wij daar pas in 1970 bericht over en in 1972 begonnen de uitkeringen. Ik kreeg een vrij groot bedrag uitbetaald en kocht daarvan een kleine woning in Petach Tikwa, die toen nog in aanbouw was. Pas in 1974 kon ik de woning betrekken.
Zolang ik in Petach Tikwa woonde, deed ik vrijwilligerswerk in een ziekenhuis. In maart 1980 kreeg ik op straat een hartaanval. Daar schrok ik eigenlijk niet eens zo heel erg van, omdat ik erop voorbereid was.
Intussen was in Herzliya een Nederlands bejaardenhuis gebouwd. Toen men met de bouw begon, had ik mij al laten inschrijven. In juni 1979 was het huis klaar en eind maart 1980 ben ik in Beth Juliana komen wonen. Er was juist een kamer vrijgekomen en ik woon hier nu nog steeds.
Zelf heb ik nooit grootouders gekend, wat ik altijd als een gemis heb ervaren. Nu heb ik negen kleinkinderen en zes achterkleinkinderen. Een rijk bezit!
____________
Noot
- Winterhulp was tijdens de Duitse bezetting een door de nazi’s opgezette hulporganisatie: Winterhulp Nederland. Officieel zamelde zij geld en goederen in voor arme Nederlanders, vooral in de winter. In de praktijk stond de organisatie sterk onder invloed van de Duitse bezetter en de NSB. Collectanten gingen langs de deuren met collectebussen, en meedoen of geven kon ook als teken van politieke loyaliteit worden gezien. Veel Nederlanders wantrouwden Winterhulp daarom en wilden er niets mee te maken hebben.