‘Mijn meisjesnaam is Gretha Dotsch. Ik stond ingeschreven bij de Joodse gemeente als Gittel. Ik ben geboren op 9 oktober 1937 in Amsterdam als tweede dochter van mijn ouders. Mijn oudere zus heette Sonja (januari 1936-2016) en mijn jongste zusje Carla werd geboren in maart 1941.
Ik ben geboren ergens in de Joodse buurt, ik weet niet precies waar, want ofschoon mijn moeder terug kwam na de oorlog, heeft ze nooit iets willen vertellen over ons leven voor de oorlog.
Over de achtergrond van mijn ouders weet ik nogal weinig. Ongeveer in 1939 heeft mijn vader, Samuel Dotsch, samen met een compagnon, waarvan ik de naam niet weet, een leerfabriek opgezet. Hoe die fabriek heette en waar die stond weet ik niet. Die leerfabriek voorzag in ons onderhoud, totdat er een Verwalter in werd gezet, daarna moet het financieel heel erg moeilijk zijn geweest voor mijn ouders. Mijn vader heeft toen allerlei baantjes gehad. Ik herinner me dat hij in de zomer ijsjes verkocht.

Zowel mijn moeder, Elisabeth Viskoop, als mijn vader waren Nederlandse Joden. Mijn vader kwam uit een nogal vrij huis heb ik begrepen, maar dat weet ik ook niet zeker. Want van vaderskant is alleen maar een jongere broer overgebleven, die tien jaar ouder was dan ik. Hij kon ook niet veel vertellen over de familie van vaderskant.
Zodra de Duitsers in Amsterdam-Oost het getto uitriepen, moesten ook wij, net als alle andere Joden, daarheen verhuizen. Van het getto in Amsterdam herinner ik me het huis aan de Transvaalkade 120, drie hoog. Ik denk dat we verhuisd zijn in 1941 en daar is mijn jongste zus Carla geboren.
Begin 1942 trouwde een broer van mijn vader met zijn vriendin in onze woning op driehoog. Tijdens het bruiloftsfeest vond er plotseling een huiszoeking plaats. Het bruidspaar vluchtte de straat op, waar zij beiden werden doodgeschoten. Dat hebben mijn ouders, Sonja en ik zelf gezien.
Mijn vader had zich inmiddels in verbinding gesteld met de communistische ondergrondse studentenorganisatie. Mijn vader studeerde ook in die jaren, dus hij kende die studenten bij naam. Hoewel zij elkaar met hun schuilnamen aanspraken, wisten zij van elkaar wie zij werkelijk waren en hoe zij heetten.
Na de dood van zijn broer en diens vrouw begon mijn vader een onderduikplaats voor ons als gezin te zoeken. Maar eind augustus kwam iemand van de ondergrondse mijn vader waarschuwen dat zijn contactpersoon de dag ervoor was opgepakt. Als deze contactpersoon gemarteld zou worden, bestond de kans dat hij de naam van mijn vader zou noemen. Daarop raadden ze mijn vader aan om onmiddellijk onder te duiken.’

Mijn onderduik
‘We zijn ieder apart ondergedoken. Ik was de eerste die werd meegenomen. Op een ochtend in september 1942 werd ik wakker gemaakt en mijn moeder kwam me aankleden.
Ik werd toen vreselijk kwaad. Ik was bijna vijf jaar en zei: “Dat kan ik allang zelf. Ik ben de baby niet.” Mijn moeder antwoordde: “Schatje, dat weet ik. Maar vandaag wil ik extra goed voor je zorgen, want je gaat op reis.” Ze voegde eraan toe: “Ik weet niet waar je naartoe gaat, maar het zijn heel lieve mensen. En je mag daar nooit huilen.”
Twee jonge vrouwen kwamen mij ophalen. Ze zeiden: “Je mag vandaag met de trein mee.” Volgens het verhaal liep ik blij en huppelend tussen hen in mee. Zoals gezegd woonden we op de Transvaalkade, drie hoog, en vanuit ons huis kon je het Amstelstation zien. Het is een glazen station en dan kon je de treinen zien aankomen en vertrekken.
Ik snapte niet waarom de rest van de familie me niet goedendag zei, maar dat heb ik pas bewust gevoeld toen ik eenmaal op het onderduikadres aankwam.
In de trein zat ik tussen die twee voor mij onbekende jonge vrouwen. Ik ben tegenwoordig een volwassene die ontzettend veel praat, maar dat deed ik ook al toen ik klein was. Ik sprak tegen iedereen in de trein en kennelijk vertelde ik over mijn babyzusje Carla, en dat mijn oudste zusje deze naam “Carla” gekozen had. Ik vertelde dat mijn oudste zus al zes jaar was en dat zij een ster mocht dragen, en ik vertelde erbij: “Als ik zes ben, krijg ik het ook.” Ik vertelde het aan iedereen totdat mijn begeleidsters doorhadden wat ik zat te vertellen. Je weet hoe dat gaat, je luistert niet altijd naar wat kinderen vertellen.
We hadden alle drie heel veel geluk, niemand heeft ons verraden. Als iemand een Jood en een helpende niet-Jood aanbracht kreeg je daar zeven gulden vijftig voor, wat toen een heleboel geld was.’
Aankomst in Zeist
‘Er was toentertijd geen treinstation in Zeist. We moesten lopen vanaf Driebergen naar Zeist. Dat was heel ver en ik was doodmoe toen we bij het adres aankwamen. Mijn begeleidsters hadden een klein koffertje waar mijn kleren in zaten. Voor en achter het huis was bos en er stonden links en rechts een paar huizen.
Zo kwam ik terecht bij de rooms-katholieke familie Banens op Hoog Kanje 3 in Zeist. Zij hadden acht kinderen. De vader, Joop Banens, was zeer actief in de ondergrondse. Toen ik daar aankwam waren alleen het dienstmeisje en de baby thuis. Mijn begeleidsters zetten mijn koffertje naast mij op een bankje in de tuin. Het was een heel mooie dag en ze zeiden: “Straks komen de mensen wel die je zullen ontvangen.” Ik zat daar moederziel alleen in die tuin, en ik kreeg vreselijke heimwee. Ik vond de treinreis geweldig, maar nu zat ik daar alleen. Ik was moe en ik werd kwaad. Even later kwamen mijn pleegouders en hun kinderen thuis, maar ik zag hen maar heel kort.’

Leren om onderduiknaam te zeggen: Ingrid Maria Theresia Tulleneurs
‘Ik zat in twee geheime zolderkamertjes. Daar stond een bedje en er lag speelgoed. Daar moest ik blijven tot ik mijn onderduiknaam kon zeggen. Na een paar dagen zei mijnheer Banens dat we een spelletje zouden spelen. Ik zou in de toekomst een naam moeten gebruiken die niet mijn eigen naam was, maar die ik wel moest zeggen. Ik was bijna vijf jaar, dus ik was al groot genoeg om mijn eigen naam, adres en geboortedatum te weten. Toen zei mijnheer Banens: “Maar dat zeggen we nooit meer.”

Ze zeiden wel tien of twintig keer tegen me dat mijn naam Ingrid Maria Theresia Tulleneurs was. Dat zijn erg katholieke namen. Tulleneurs was een familie die gebombardeerd was in Rotterdam. De ouders waren daarbij omgekomen. Op het stadhuis was vervalst dat ook het kind omgekomen was. In werkelijkheid was het door haar familie naar Amerika gestuurd. Het was vanzelfsprekend dat ik dat allemaal niet wist. Zo kreeg ik deze naam. Ingrid was heel erg makkelijk, want dat lijkt op Gretha. Als ik ’s ochtends wakker werd, dan vroegen ze steevast hoe ik heette. Op een gegeven ogenblik stond ik op en dacht: o, die zeuren. Als ze vandaag vragen hoe ik heet, dan krijgen ze hun zin. Ik antwoordde dus zoals gewoonlijk: “Ingrid Maria Theresia Tulleneurs.” Ietsjes zachter zei ik erachteraan: “Maar lekker toch Gretha Dotsch.” Mijn pleegvader nam mij op schoot en zei: “Lief schatje van me. Je hebt volkomen gelijk. De volgende keer zeg je hardop de naam van Ingrid Maria Theresia Tulleneurs. Je mag dan zelf in je eigen hartje denken: maar lekker toch Gretha Dotsch.” Vanaf die tijd antwoordde ik keurig mijn onderduiknaam.’
De onderduikfamilie
‘Zodra ik mijn onderduiknaam kon zeggen, heeft mijnheer Banens een persoonsbewijs voor me meegenomen. Later hoorde ik dat hij dat voor veel mensen heeft gedaan: persoonsbewijzen vervalsen. Zo kon ik beneden bij de familie zijn, maar ik mocht nooit naar buiten. Ik sliep nu op de kinderkamer samen met de jongste kinderen van de familie Banens.
De welgestelde familie Banens kwam uit Nederlands-Indië. Zo konden zij doen alsof ze de familie Tulleneurs kenden, die eveneens uit voormalig Nederlands-Indië afkomstig was. De drie oudste kinderen van het gezin waren in Nederlands-Indië geboren, de vijf jongsten in Nederland. Ze waren dus al langere tijd terug in Nederland. Er was een dienstmeisje en een kindermeisje. Mevrouw Banens was verpleegster, en ze werkte af en toe.
De oudste vier kinderen waren op kostschool, de jongste vier kinderen thuis. Met deze kinderen speelde ik. Als er visite kwam, moest ik naar boven en stil zijn. Hoe de heer en mevrouw Banens hun eigen jongste kinderen hebben bijgebracht dat ze nooit over het logeetje mochten spreken, weet ik niet. Ik heb het idee dat ze mochten spreken over een logeetje wiens ouders overleden waren.
De oudere kinderen zullen geweten hebben dat er een “luchtje” aan het logeetje zat. Een van de pleegzusjes was een jaar ouder dan ik en een ander pleegzusje was een jaar jonger dan ik en voor haar was ik “het logeetje dat bij ons is komen wonen”. Voor haar was het heel normaal dat er nog een kind in huis kwam, want er was ook nog een baby van een paar maanden.’
Nooit huilen
‘Bij de familie Banens voelde ik me thuis. Ik had van mijn moeder de boodschap meegekregen dat ik nooit mocht huilen. Wat er ook gebeurde, ik mocht niet huilen. Want als ik zou huilen zou ik mezelf en de mensen die voor me zorgden in gevaar brengen. Dan zou ik daar niet meer kunnen blijven. Die boodschap heeft zo’n indruk op me gemaakt dat als ik een kinderziekte had niet huilde.’
Sleutelbeen gebroken
‘Op een dag brak ik mijn sleutelbeen. Dat zag de familie Banens pas na twee dagen. Ik liep en deed zo gek en ik bewoog me raar. Ze dachten dat er misschien wat aan de hand was. Van de andere kinderen kregen mijn pleegouders te horen dat ik gevallen was. Maar ze konden er niet veel aan doen, want ze konden me niet meenemen naar een dokter. Hun eigen huisarts, waarop ze vertrouwden, was met pensioen gegaan. Mijn pleegmoeder was verpleegster. Ze wist dat je aan een sleutelbeenbreuk niets kunt doen, alleen de arm tegen het lijf aanbinden. Het is geheeld, en ik heb er niets van overgehouden.’
Oorontsteking
‘Op een keer had ik een oorontsteking, maar daar zei ik niets over. Op sinterklaasavond zaten we allemaal beneden met een schoteltje lekkers op schoot, toen mijn oor plotseling begon te lopen. Pas toen ontdekten ze dat mijn oor ernstig ontstoken was. Ook over mijn hoge koorts had ik niets gezegd. Ik kon geen onderscheid maken tussen lichamelijke pijn en “hart”pijn. Tijdens de onderduik noemde ik beide “hartpijn”, en eigenlijk doe ik dat nog steeds.’
Verjaardag
‘Twee van de kinderen Banens waren in oktober jarig: de een op 5 oktober en de ander op 11 oktober. Hun verjaardagen werden gezamenlijk gevierd. Toen ik hen daarover hoorde praten, zei ik: “Ik ben ook op tober geboren.” Ik dacht dat je ergens óp geboren werd en zei daarom “op tober”. Toen ze vroegen wanneer precies, antwoordde ik: “9 op tober.”
Ze zullen wel gedacht hebben: dat kind moet toch ook een verjaardag hebben en 9 oktober valt mooi tussen die andere twee data in. Laten we het dan ook voor haar vieren. Zo kreeg ik mijn eigen verjaardag op 9 oktober. En 9 oktober is inderdaad mijn echte geboortedag.’

Halfjaar onderduik Heerlen
‘In maart 1944 werd er een razzia gehouden in Zeist. Ik werd voor de zekerheid naar Heerlen overgebracht. Het dienstmeisje van de Banens bracht me met de trein naar Heerlen. Toen heette ik al Ingrid Maria Theresia Tulleneurs. Mijn valse papieren waren in orde. Ik was inmiddels wijzer geworden – een kind leert snel – en deze keer vertelde ik niets.
Ik ben daar ongeveer een halfjaar geweest. In Heerlen moet ik vreselijk gehuild hebben, dag in dag uit. Ik wilde niet eten, maar werd daartoe gedwongen. Daar kwam ik echter wel buiten. Ze hadden een grote tuin met een grasveld. Op het grasveld bleekten ze de was. Dan kon ik zo tussen de was doorlopen buiten in de zon.’
Terug naar Zeist
‘Op een gegeven moment werd ik teruggestuurd naar Zeist. Dat moet kort voor de bevrijding van het zuiden van Nederland zijn geweest. Voor de Hongerwinter kwam ik weer terug bij mijn Eigen Pleegfamilie! Ik was zo blij. Zo blij dat ik niet eens meer het gevoel had dat ik mijn ouders niet meer had. Mijnheer en mevrouw Banens waren toen voor mij volkomen mijn vader en moeder. Maar naar buiten mocht ik echter nog altijd niet.’
Leren rekenen, schrijven en lezen
‘Ik zat in een hoekje te spelen terwijl het één jaar oudere pleegzusje bijles had. Op een gegeven ogenblik hoorde ik de juffrouw vragen: “Hoeveel is elf min drie”? Het pleegzusje zei: “Zeven.” Ik riep: “Nee, acht.” Toen keken ze op en dachten: nou ja, het zal wel toevallig zijn dat ze het goede antwoord geeft. Bij de volgende fout riep ik weer: “Nee, zoveel.” Toen dachten ze: zou het kind hebben leren rekenen? Ik was immers nooit officieel naar school geweest.
Ze begonnen me sommetjes op te geven. Ik wist net zoveel als het pleegzusje dat in de tweede klas zat. Door te luisteren had ik dat geleerd. Ik hoorde dat ze rekensommetjes opkreeg, maar schrijven en lezen kon ik niet.
Ze zeiden: “Als ze kan leren rekenen, kan ze ook leren schrijven.” Dus ik heb cijfers leren schrijven. Vanaf dat moment heb ik samen met mijn pleegzusje les gekregen. Ik moest wel stil zijn. Alleen als ze me wat vroegen, mocht ik antwoorden. Zo heb ik leren lezen, schrijven en rekenen. Ik las alles. Ik was vreselijk jaloers op het jongere pleegzusje dat wel naar school mocht. Ik was een jaar ouder en ik mocht níet naar school.’
Niet mee naar de kerk
‘Ik had niet het gevoel dat ze me tot het christendom wilden overhalen. Integendeel, ik dacht dat ze me dat niet wilden geven. Ik was kwaad en jaloers dat ze op zondag naar de kerk gingen met prachtige witte handschoenen aan en met kerkboeken uit een prachtig tafeltje in de hal. Ik zie het zo voor me. En ik mocht niet. Mijn pleegvader zei: “Schatje van me, als de oorlog voorbij is” – want ik wist dat het oorlog was, dat wist iedereen – “dan ga je misschien weer naar het oorspronkelijke huis waar je was.” Hij heeft niet eens gezegd: “Naar je eigen vader en moeder.” Hij dacht misschien dat ik niet meer wist dat er een vader en moeder waren.
Ik noemde mijn onderduikouders immers “vader” en “moeder” net als hun eigen kinderen deden. Mijn pleegvader vervolgde: “Daar ben je geboren. Daar mag je dan weer naar terug, dus we zullen nog maar eventjes afwachten. Als ze je niet komen halen dan blijf je heerlijk bij ons, en dan ga je net als wij ook naar de kerk.”
Toen ik alleen op de zolder zat werd er niet over geloof gesproken. Maar toen ik een poosje later in het gezin werd opgenomen en op de kinderkamer sliep, zag ik dat zij voor het slapengaan op hun knieën zaten en een gebedje uitspraken. Dus op een gegeven moment kende ik dat ook uit mijn hoofd. Ik hoorde het immers elke avond. Automatisch knielde ik en zei keurig mijn gebedje op mijn knieën met gevouwen handen. Kinderen kunnen heel goed na-apen.
Toen mijn jongste pleegzusje haar eerste heilige communie deed, beloofde mijn pleegvader dat ik, als er niemand zou komen om mij terug te halen, na de oorlog ook mijn eerste heilige communie mocht doen.’
Hongerwinter
‘In de winter van 1944-1945 hebben ook wij honger gehad. Mijn pleegvader ging met een van de grote kinderen samen op de fiets – zonder banden – in de omgeving op zoek naar eten. We hebben van de gaarkeuken eten gekregen. Alle huisgenoten kregen daar diarree van, behalve ik. Ik was gewoon een varkentje en kon alles eten.’
Onderduik ouders, Sonja en Carla
‘Mijn ouders doken onder in november 1942. Mijn vader werd echter al snel gearresteerd en gevangen genomen. Begin februari 1943 werd hij overgebracht naar Westerbork en vandaaruit gedeporteerd naar Auschwitz – Monowitz. Mijn moeder was ondergedoken op verschillende adressen. Mijn moeder was onder andere ondergedoken bij Leendert en Aaltje Rietveld-Kamperman aan de Rijnsburgerweg 144 in Leiden. In 1979 werden Leendert en Aaltje postuum door Yad Vashem onderscheiden als Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Mijn kleine zusje Carla werd ondergebracht op een onderduikadres in Zeist, bij de buren van het gezin waar ik zat ondergedoken. Op een dag zag ik mijn kleine zusje en ik riep blij uit dat ik mijn zusje had gezien. Mijn onderduikouders ontkenden dit. Ik had mijn eigen naam al moeten opgeven en was niet van plan ook nog mijn zusje op te geven. Bezorgd dat anderen zouden horen dat ik vertelde dat ik mijn zusje Carla had gezien, brachten de onderduikouders van Carla haar naar een ander onderduikadres. (Lees hier het onderduikverhaal van Carla, red.)
Mijn oudste zus Sonja was op meerdere adressen ondergedoken. (Lees hier het onderduikverhaal van Sonja, red.)
Na de oorlog
‘Na de oorlog dook mijn moeder op in Leiden. Eerst vond ze Sonja terug. Mij heeft ze ook snel gevonden.
Ik stond keurig op de Rode Kruis-lijsten, met mijn echte naam en geboortedatum. Achter die datum stond wel een vraagteken, omdat de familie Banens dacht dat ik die datum zelf had bedacht. Maar ik wist mijn naam, mijn geboortedatum én mijn adres. Ik kon het allemaal precies zeggen.’
Gezinshereniging

Mijn moeder kwam in mei 1945 voor het eerst naar het huis van de familie Banens en zag hoeveel plezier ik daar had. Ze zei: “Laat haar de school tot de vakantie in Zeist afmaken. Dan kan ze zich langzaam vertrouwd maken met het idee dat ze teruggaat naar haar moeder.” Dat was een goede zet.
Na de bevrijding ging ik in Zeist naar school. Dat vond ik geweldig. Ik was zó blij dat ik naar school mocht en samen met de andere kinderen kattenkwaad kon uithalen. De jongens hadden van een paar grote, lege Canadese koekblikken een vlot gemaakt, dat ze op de vijver lieten varen. Als we daarmee voeren, vielen we er ook weleens af en kwamen we moddervies thuis.
Het was drie kwartier lopen van de school in de binnenstad naar het huis van mijn pleegouders. We hadden onderweg veel plezier. Zo kwam ik op een goede dag thuis, helemaal bemodderd en met natte haren. Mijn pleegmoeder zei: “Ga je gauw verkleden, je hebt namelijk visite.”
Het was half augustus en mijn moeder was met Sonja helemaal van Leiden komen lopen naar het adres van de familie Banens in Zeist. Ik was al eigenwijs aan het worden en deed niet meer wat me gezegd werd. Er was immers geen gevaar meer. Dus ik liep snel de serre in, want daar werd de visite altijd neergezet. Ik keek naar de vrouw die daar zat en riep: “Hé, dat is mijn moeder.” Ik twijfelde er geen minuut aan. Ik herkende haar direct. Daarna vroegen ze aan mij: “Weet je ook wie dat meisje is?”
Daar stond ook een meisje van een jaar of negen, een groot meisje. Ik zeg “Nee, geen idee. Die ken ik niet.” Zij zeiden: “Dat is je zusje Sonja.” Ik begon te lachen en zei: “Jullie weten ook helemaal niks. Mijn zus Sonja is veel kleiner.” Sonja was in mijn gedachten nog altijd zes jaar.
Begin augustus kreeg mijn moeder van de gemeente een huis in Amsterdam toegewezen en eind augustus ging ik naar haar terug. Op 1 september ging ik naar school.’
Terug naar Amsterdam
‘Mijn moeder had niemand meer: geen ouders, geen grootouders, geen schoonfamilie, geen zussen of broers, en ook geen kinderen van haar broers en zussen. Van haar familie is niemand teruggekomen uit de oorlog. Van mijn vaders familie is alleen zijn jongste broer teruggekomen. Mijn vader was de oudste en hij was de jongste. Er waren vijf kinderen in dat gezin.
Met veel hulp van anderen vond mijn moeder een paar maanden later Carla. Zij was in juni 1945 met de familie Boas uit Theresienstadt teruggekomen naar Nederland. Zij was herstellende van tyfus en heel erg zwak. In Nederland stond ze als driejarig onbekend kind op de lijst, maar ze was al vijf jaar. Ze zag er echter uit als een heel klein kind. Nadat ze weer wat sterker was, ging ze al snel naar de openbare kleuterschool.
Mijn moeder was wat je tegenwoordig een “uitgebluste” vrouw zou noemen. Ze had niemand om mee te praten. Ze was nog maar tweeëndertig jaar en had drie moeilijke kinderen die ze niet meer kende en die haar niet kenden. Het klinkt raar, maar ik kwam thuis bij mijn moeder die een niet-moeder was.
We zaten met z’n vieren in een huis zonder meubels. Er stond een vuilnisbak buiten en we mochten om de beurt op de vuilnisbak zitten. Daarna kregen we van de kruidenier een tafel. Nou, dan zaten we om de beurt op de vuilnisbak bij tafel te eten, dan hoefde je niet aan tafel te staan. We kregen eens per week vlees en dat was natuurlijk op vrijdagavond. Soms kregen we op woensdagavond een gehaktballetje en dan vroeg Carla: “Hé, is het vanavond al vrijdagavond?” Want we kregen eigenlijk alleen op vrijdagavond een gehaktbal.’

Naar de lagere school
‘Sonja en ik gingen naar dezelfde openbare lagere school. Behalve wij waren er nog drie Joodse kinderen op die school. Ik had in Zeist bijles gekregen van mijn pleegzusje en ik had van mei tot augustus in Zeist in de tweede klas gezeten en die afgemaakt. Ik was dus helemaal geschikt om naar de derde klas te gaan, en dat ging ik ook.’
Dat we naar dezelfde school gingen, was achteraf gezien eigenlijk een grote fout. Mijn oudere zusje zat twee klassen lager dan ik. Toen werd op school besloten: “Dat kan zo niet langer,” en werden we in dezelfde klas geplaatst. Dat maakte de situatie eigenlijk alleen maar erger. Nu zaten er twee zusjes in één klas: de oudste was de slechtste van de klas, en de jongste de beste. Later zeiden we vaak dat we beter naar verschillende scholen hadden kunnen gaan.
Hoe kon je Sonja en mij herkennen tussen al die andere kinderen? Wij waren de meisjes die jurken van de bedeling droegen. We hadden namelijk geen kleren. Mijn pleegouders hadden mijn kleren aan mijn moeder meegegeven, maar daar was ik natuurlijk snel uitgegroeid.
Die eerste winter zijn we niet naar school gegaan, omdat mijn moeder geen geld had voor winterkleding. Ze kreeg een aanmaning van de school: als we niet naar school zouden komen, zou de politie ons komen halen. We kregen toen kleding van de bedeling, en dat vonden we vreselijk. Het ergste was dat iedereen meteen kon zien: dat zijn kinderen die kleding van de bedeling krijgen.

Mijn moeder was na de oorlog niet in staat om zelf enig initiatief te nemen. Ze had al haar kracht verbruikt om te overleven en om de verhalen aan te horen over familieleden die niet waren teruggekomen. We hebben huilconcerten meegemaakt van overlevenden uit de kampen, die bij mijn moeder hun verhaal kwamen doen. Sommigen konden wel iets vertellen over haar familie of schoonfamilie, anderen niet.
Zo werden wij groot. Vanuit de slaapkamer, waar we alle drie op de grond sliepen, hoorden we de verhalen van de mensen die in de huiskamer zaten.
Mijn moeder had mijn pleegvader beloofd dat ze mij in de vakantie naar Zeist zou sturen. Toen ik twee vakanties achter elkaar niet was gekomen, is hij uiteindelijk naar ons toe gegaan om te kijken wat er aan de hand was. Nou, toen snapte hij het wel. Mijn pleegvader regelde daarna dat we bedden en meubilair kregen. Mijn pleegvader was er één uit miljoenen. In 1979 zijn mijn pleegouders erkend door Yad Vashem als Rechtvaardigen onder de Volkeren.

We hadden misschien extra hulp kunnen krijgen van de Joodse gemeente als mijn moeder haar mond had opengedaan. Maar dat deed ze niet. Ze kreeg – volgens mij – een uitkering van Joods Maatschappelijk Werk. Ik weet niet of dat alleen maar later was of dat het onmiddellijk zo was. Die uitkering was een absoluut minimum. Daar kon je eigenlijk niks van kopen. Mijn moeder kreeg op een gegeven moment kleren van een Amerikaanse organisatie. We hoefden niet meer onze bedelingskleren aan en we groeiden wat normaler op.
Mijn moeder is altijd uitgeblust gebleven totdat mijn jongste zus en ik haar in 1961 kwamen halen en zeiden: “Je gaat mee naar Israël, wij zullen daar voor je zorgen.” Noch mijn zus noch ik hadden enige financiële middelen. Ondanks dat hebben we toch besloten dat we onze moeder zouden gaan halen. Dat hebben we gedaan en ze is naar Israël gekomen. In 1971 hebben we de WUV (Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945) voor haar aangevraagd. Ze werd als allereerste erkend.’
Tikwatenoe
‘We waren geen religieus gezin, maar we zijn toch naar het door de Joodse gemeente opgerichte Tikwatenoe gegaan. Dat is onze redding geweest. Tikwatenoe heeft ons de wereld geopend. Ons hart en ziel zat in Tikwatenoe. We vonden het geweldig en heerlijk. Ik heb alleen maar heel goede herinneringen aan Tikwatenoe.
Drie huizen verderop woonde een buurvrouw. Ze was ook een weduwe en had twee meisjes van onze leeftijd. Met deze meisjes speelden we op straat. Deze meisjes gingen naar Tikwatenoe, maar ze vonden het daar niet leuk. Ze vroegen of wij zin hadden om mee te gaan, misschien was het meer voor ons. Zo zijn Sonja en ik samen naar Tikwatenoe gegaan. Mijn moeder liet het gelaten toe. Bij Tikwatenoe hebben we de hemel leren kennen.
Ik kan me Hans Bloemendal heel goed herinneren. Hij ging trouwen en kwam bij ons om de hoek wonen. Wij woonden na de oorlog in de Schalk Burgerstraat in de Transvaalbuurt. Misschien heeft hij wel tegen de buurkinderen gezegd “Neem Sonja en Gretha ook maar mee.” Maar zeker weten doe ik dat niet. In elk geval kenden we hem.
De wekelijkse bijeenkomsten waren in een bijgebouw van de sjoel aan de Lekstraat. Op zaterdagmiddag kwam een groepje kinderen uit de buurt bij elkaar en dan liepen we samen naar de Lekstraat. Het was een halfuurtje lopen van Amsterdam-Oost naar de Lekstraat. Ik geloof dat er in de groep ongeveer twintig kinderen zaten. We werden ingedeeld op basis van de klas waarin je zat. De Lekstraat-sjoel was nog niet hersteld na de oorlog. Ik vond het heerlijk om daar verstoppertje te spelen. Na de spelletjes hoorden we verhaaltjes aan, bijvoorbeeld over de Joodse geschiedenis, of verhalen uit de Tenach.

Bij Tikwatenoe werden geen vragen gesteld over hoe religieus je thuis was. Er kwamen kinderen uit religieuze gezinnen, uit enigszins religieuze gezinnen, maar ook kinderen uit vrijzinnige gezinnen die toch een typisch Joodse opvoeding kregen. Wij drietjes kregen een heel klein beetje een Joodse opvoeding, want op vrijdagavond werd er een gehaktbal gegeten. Op vrijdagavond mochten we niet allemaal apart iets gaan doen, maar dan deden we een spelletje met elkaar. Dus vrijdagavond was de feestavond.’
Zomerkampen
‘Voor de zomerkampen had mijn moeder geen geld maar Hans Bloemendal zei: “Elk Joods kind gaat naar de zomerkampen.” En zo zijn wij ook gegaan. Dat heeft de Joodse gemeente voor ons geregeld, denk ik.
We gingen naar twee soorten zomerkampen. Eén van de stichting Het Vierde Prinsenkind, dat waren vakanties voor Joodse en niet-Joodse kinderen uit arme gezinnen. Deze vakanties waren in jeugdherbergen.
In de zomerkampen van Tikwatenoe kwamen volgens mij wel enkele honderden kinderen in de leeftijd van acht tot tien jaar. In het begin waren het tentenkampen. Het kamp was voor een week. We deden eigenlijk precies hetzelfde wat we op de wekelijke bijeenkomsten van Tikwatenoe deden, alleen uitgebreider, leuker, gezelliger, en vrijer want je hoefde ’s avonds niet naar huis. Je sliep in een tent en had veel plezier met al je vriendinnetjes om je heen.

Ik geloof dat de kampleiding een speciale kookgroep had. Ik kan me niet herinneren of dat moeders waren of vrienden of kennissen of grote jongens of studenten. Ik denk dat als ze ons een gebraden steen hadden gegeven, we dat ook heerlijk hadden gevonden.
Ik weet wel dat ik Eddy Izaks daar heb leren kennen. Eddy was de leider van de jongens-Tsofiem. Ik denk dat hij een beetje reclame kwam maken voor de Tsofiem. Zo ben ik later bij de meisjesgroep van de Tsofiem terechtgekomen.
Op de zomerkampen heb ik de gebeden geleerd en de liederen die er gezongen werden. Ik kon al heel gauw meedoen. Het verwarmde me helemaal. Ik heb toen bedacht dat ik alleen maar onder Joden wilde wonen.
Dankzij Tikwatenoe koos mijn jongste zus ervoor om naar Rosj Pina te gaan, en niet naar de openbare lagere school. Ze vond het daar heerlijk.’
Joodse les
‘Op zondagmiddag hadden we Joodse les. Ook Sonja ging daarheen. Ik weet niet meer wie ons les gaf. Ik denk dat dit wel van Tikwatenoe uitging. Tikwatenoe zorgde ervoor dat de kinderen die op Tikwatenoe kwamen ook naar Joodse les zouden gaan. Zo stel ik het me voor. Het gekke is dat ik me elke dag van de oorlog herinner, terwijl ik toen nog zo klein was, maar dat ik me dit niet precies herinner.
We leerden alef beth en een heleboel Hebreeuwse woorden. Er was ook altijd een verhaal uit de Tora bij. Ik weet niet of we ook leerden schrijven.’
Joodse HBS

‘Ik was zo doordrongen van Israël en van mijn Joods-zijn dat ik alleen maar naar de Joodse HBS wilde. Dat was helemaal mijn eigen keuze. Mijn scheikundeleraar was Hans Bloemendal. Ik was een gewone gemiddelde leerling. Ik zat vijf jaar lang naast Marianne Schwarz (later getrouwd met Manfred Gerstenfeld). Zij was het enige kind in onze klas dat nog zowel een vader als een moeder had.
Haar vader kwam ons ’s winters weleens ophalen om ergens een bord erwtensoep te eten, ik geloof bij Mouwes. Van hem heb ik ook leren schaatsen. Marianne kwam ook bij mij thuis, maar niet in dezelfde verhouding; ik kwam veel vaker bij haar. Als zij een enkele keer bij mij thuis kwam, was ik daar in het begin zenuwachtig of opgewonden over. Later dacht ik: dit is wat we hebben, zo is het nu eenmaal.’
Tsofiem
‘Toen ik bij de Tsofiem kwam, werd het voor mij ook steeds duidelijker: zo vlug mogelijk uit Nederland weg en het land Israël helpen opbouwen. Als je lid van de Tsofiem wilde worden, moest je leren wat de eed inhield en daarna moest jezelf de eed afleggen. Je leerde hoe je moest salueren en je moest de eisen van de eisenkaart uitvoeren, bijvoorbeeld bepaalde knopen leggen.
Ik weet niet precies meer wat je allemaal moest kennen, maar in de loop van de tijd moest je tien handtekeningen verzamelen. Als je die had, mocht je een gele das dragen.
We kwamen op zondagmiddagen bijeen in de Polderwegsjoel. We gingen vandaar vaak naar het Oosterpark, dat was dichtbij. Wij hadden een vrouwelijke leidster, maar de hoofdleider was Eddy.
We maakten een kampvuur en bakten daarin deeg dat om een stokje was gebonden. Dat aten we op en we aten gepofte aardappelen. Ik heb zo’n idee dat we dat samen met de jongens deden. Er werd streng de hand gehouden aan koosjer eten. Je had Kitty Deen die volkomen vrij was en je had Eddy Izaks die heel religieus was.
Van de zomerkampen van de Tsofiem herinner ik me echter weinig. De eerste zomerkampen van Tikwatenoe hadden zo’n indruk op me gemaakt, omdat er een hele nieuwe wereld voor me openging, een nieuw leven eigenlijk. Toen ik later bij de Tsofiem kwam, wist ik al precies wat zomerkampen waren. Daardoor hebben die kampen toch minder indruk op me gemaakt.
De kampen waren in een bosrijke omgeving. We deden echte padvindersdingen zoals spoorzoeken, de vlag veroveren en wie het snelst een hut kon bouwen. Daar zit een wedstrijdelement in. Padvinders zijn sowieso mensen die zich graag meten met elkaar. Je moest ook allerlei vaardigheidstesten afleggen. Padvinders is voor de strebers onder ons.
’s Ochtends hesen we zowel een Tsofiem-vlag als de Israëlische vlag en we zongen het Hatikva. Op Landdagen van de Nederlandse Padvinders stuurde de Tsofiem altijd een afvaardiging.’
Groepsleidster
‘Toen ik ongeveer vijftien was, werd ik Akela. Ik was min of meer assistent-groepsleidster, maar geen volwaardige groepsleidster: ik had niet alle examens afgelegd die de anderen bij de Nederlandse padvinders moesten doen om Tsofioet-leider te worden. Ik heb extra dingen geleerd en daarna werd ik het hoofd van mijn groepje. Een groepje bestond uit vijf tot acht mensen en er waren drie of vier groepen op een bijeenkomst.
Ik was vijftien of zestien jaar toen ik stopte met de Tsofiem. Ik weet eigenlijk niet waarom. Ik weet niet of ik zelf stopte of dat de Tsofioet ophield te bestaan.
De jeugdbeweging heeft niet alleen voor mij heel veel betekend, maar ook voor mijn zus Sonja die op hachsjara naar ’s-Graveland is gegaan. Mijn jongste zus had al twee oudere zussen die helemaal doordrenkt waren van het Jodendom.
Mijn prestaties op school hebben eronder geleden dat ik zoveel voor de Tsofiem deed. Ik kon goed leren, maar ik was een matige leerling, want ik besteedde niet veel tijd aan mijn huiswerk.’
Bijverdienen, werken
‘Bij ons thuis speelde geld een rol. Er was een leus in Nederland: “Meisjes, kom werken bij Verkade.” Ik heb elke grote vakantie bij Verkade gewerkt om wat geld bij te verdienen. Ook gaf ik vanaf de derde klas hbs bijles aan een jongen die twee jaar jonger was dan ik. Hij heeft een keer tegen een sociaal werkster gezegd: “Als Margalit er niet was geweest, dan had ik nooit eindexamen gedaan.”
Na mijn eindexamen en tot mijn Alijah heb ik drie jaar gewerkt. Ik wilde eigenlijk medicijnen gaan studeren, maar dan had ik bij mijn moeder thuis moeten blijven wonen. Ik werd ingeloot voor de studie geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ik zei tegen mijn moeder: “Dan ga ik een kamer zoeken.” Waarop mijn moeder zei: “Niks ervan. Ik heb je al zoveel jaren moeten missen. Je leert hier, dus je blijft hier.”
Ik besloot om er maar helemaal van af te zien. Ik heb eventjes bij de Bijenkorf gewerkt en daarna heb ik bij Schoevers allerlei cursussen gevolgd, zoals handelscorrespondentie en Engelse en Duitse stenografie. Ik ben ook naar Engeland gegaan om Engels te leren. Ik sloot me daar aan bij een Engelse groep die voor een jaar naar Israël wilde gaan.’
Alijah – Israël
‘Op 31 december 1959 ben ik op Alijah gekomen. Met die Engelse groep ging ik naar kibboets Usha bij Haifa. Daar was ik ongeveer acht tot negen maanden. Maar aangezien men daar onderling alleen maar Engels sprak en ik Ivriet wilde leren, heb ik op een dag mijn koffertje gepakt en ben ik in mijn eentje naar Tel Aviv gegaan. Daar heb ik werk en onderdak gezocht.
Ik vond een kamer in Beth Hachalutsot (Pionierhuis) op King George Street in Tel Aviv. In dat huis konden Israëlische meisjes komen wonen die in Tel Aviv leerden. De Sochnoet (het Joods Agentschap) had meerdere van dit soort pionierhuizen. Daar zat ik met vier meisjes op één kamer met één kast voor ons allen.
Die meisjes hoefden alleen hun kleding voor de week mee te nemen, maar ik had daar natuurlijk mijn hele hebben en houden. Ik heb allerlei baantjes gehad. Ik heb zelfs falafel verkocht, maar daar bleek ik helemaal niet geschikt voor te zijn.
Op een gegeven moment ben ik aangenomen bij de papierfabriek in Hadera. Daar was ik secretaresse en verdiende het “geweldige” bedrag van 250 Israëlische lirot. De helft daarvan ging op aan de kamerhuur. Van de andere helft moest ik leven en dat ging natuurlijk niet.
Ik leerde mensen kennen, maakte vrienden en werd dan uitgenodigd: “Kom je vanavond om acht uur? Dan gaan we naar de bioscoop.” Dan zei ik: “Oj, wat jammer, ik ben al om zes uur in die buurt,” in de hoop dat ze me dan zouden uitnodigen om iets te eten. Soms had ik namelijk geen geld om de maand door te komen. Maar in elk geval ging het steeds beter met me.
In mei 1961 besloot ik samen met Carla, die na mij naar Israël was gekomen: “We gaan naar Nederland om onze moeder te halen.” En dat hebben we gedaan.
Ik was de “schandpaal” van de familie want ik trouwde als laatste. Mijn oudste zus was al op haar achttiende getrouwd met een jongen die ze had leren kennen op hachsjara. Mijn jongste zus trouwde in 1961 met een jongen die ze op de kibboets had leren kennen. Ik trouwde “pas” in 1962 met een in Israël geboren en getogen jongeman. Helaas is hij veel te jong gestorven. We hebben twee schatten van kinderen geadopteerd.
We zijn altijd met de kinderen gaan kamperen. We beseften dat dit voor later belangrijk zou zijn: onze kinderen moesten hun vader zo goed mogelijk leren kennen. Waar kon dat beter dan tijdens het kamperen? Toen onze zoon bar mitswa werd, was mijn man al overleden.
Ik heb in 2014 een van de kaarsen aangestoken op Jom Hasjoa. Bij die gelegenheid heb ook ik gezegd: “Ik heb gelukkig twee geadopteerde kinderen.” De kinderen hadden er natuurlijk mee ingestemd dat ik dat publiekelijk zei.’
Mijn hart is tot rust gekomen
‘Toen ik een jaar of zestig, vijfenzestig was, heb ik een ernstige breakdown gehad. Ik heb toen met een psychiater gesproken over bepaalde herinneringen aan heel nare ervaringen tijdens mijn onderduik. Nu is mijn hart tot rust gekomen, dat klinkt misschien gek, maar zo voel ik dat.’
