veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Eva Kohn-van der Lijn

Eva Kohn-van der Lijn

Bruiloft Lies en Emanuel van der Lijn
Trouwfoto Elise en Emanuel van der Lijn, 1937. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280
Eva met haar vader. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280/1
Eva met haar vader Emanuel. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280

‘Ik ben geboren eind 1937 in Amsterdam. Mijn vader, Emanuel van der Lijn, was accountant (geboren: 20 juni 1911). Mijn moeder, Elise Evaline Hijmans, was maatschappelijk werkster (geboren:14 januari 1910). Ik heb een jonger broertje, Joost. Wij woonden op Dintelstraat 6 in Amsterdam-Zuid tot eind 1942. Daarna zijn we verhuisd naar Transvaalstraat 54hs in Amsterdam-Oost. Alle Joden moesten toen verhuizen.

Eva voor de oorlog. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280/1
Eva. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280

Ik ging daar naar een Joods kleuterklasje. Ik meen dat Ada Tal dat leidde. Ze is overleden in 2012 of 2013. Als ik haar tegenkwam, zei ik altijd: “O, mijn kleuterjuffrouw.”

We waren een heel positief Joods gezin. We gingen met mijn grootvader naar sjoel. De feestdagen werden dan misschien niet heel orthodox gehouden, maar ze werden wel degelijk gehouden.’

 

Oorlogsjaren

 

‘Ik ben ondergedoken met behulp van het verzet, de ondergrondse. Mijn vader heeft later ook in het verzet gezeten. Hij bood hulp aan Joodse onderduikers, onder andere door vervalste persoonsbewijzen te verzorgen. Hij is op 28 april 1944 gepakt, waarschijnlijk in Eindhoven. Via de strafgevangenis in Scheveningen en Westerbork is hij naar Bergen-Belsen op transport gesteld.

Eva bij haar onderduikfamilie, oom Ab en tante Tiny van Emmerik, in Haarlem, 1943. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280/1

Eva bij haar onderduikfamilie, oom Ab en tante Tiny van Emmerik, in Haarlem, 1943. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280/1
Eva bij haar onderduikfamilie, oom Ab en tante Tiny van Emmerik, in Haarlem, 1943. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280

Ik ben op twee adressen geweest. In het begin in 1943 vier maanden op één adres en daarna twee jaar in Zuid-Limburg. En met beide families heb ik contact gehouden tot hun dood. Op mijn adres verbleef ook enkele maanden Shlomo de Haas. De zoon van mr. De Haas uit Utrecht.’

Eva in Eijsden, 1943. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280
Eva in Eijsden, 1943. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280

In haar memoires schrijft Eva’s moeder het volgende:

Eefje ging aanvankelijk naar Haarlem naar de fam v. Emmerik. Ze maakte -het ze soms wel lastig door b.v. te vragen aan oom Abert, “mag jij wel op de fiets, mijn vader niet” enz. Maar ook daar moest ze na enige tijd weg. Toen kwam ze bij de fam Hardy in Eysden (Limburg) Die hadden daar een slagerij Het waren 2 ongetrouwde zusters en 3 ongetrouwde broers. Men zei daar dat ze een kind uit Rotterdam was. Ze had het er heel goed. Als er alarm in het dorp was ging tante Corry met haar in een bootje de rivier over naar België. Ze ging ook naar de zr.(nonnen) school en kon heel goed leren. Ze waren in het Zuiden veel eerder bevrijd, dan in het N. en toen wij ook bevrijd waren stond Eefjes naam op een lijst van opgedoken kinderen in Eindhoven.

Eva: ‘In Zuid-Limburg zijn we bevrijd in september 1944. Ik ben in september 1944 direct naar school gegaan. Ik was alleen ondergedoken, mijn broertje zat ondergedoken in Wormerveer.’

 

Hereniging na de oorlog

 

Eva van der Lijn kort na de oorlog. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280
Eva kort na de oorlog. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280

‘De hereniging met mijn moeder was niet eenvoudig. Ergens in de zomer van 1945 is op een goede dag mijn moeder gekomen. Ze zei: “Ik ben jouw moeder.” Tja, een jong kind dat drie jaar zijn moeder niet heeft gezien, herinnert zich zijn moeder niet meer zo goed. De volgende dag heeft ze me meegenomen. Achteraf gezien was dat toch niet de juiste manier waarop je een kind meeneemt.

Mijn moeder en ik zijn van juli tot eind oktober 1945 bij de pleegouders van mijn broertje in huis geweest. Die familie had een groot huis en het was een heel genereus gezin.

Eva bij haar onderduikfamilie, oom Ab en tante Tiny van Emmerik, in Haarlem, 1943. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280/1
Eva en Joost kort na de oorlog met Gé en Bets Koene, de onderduikfamilie van Joost, in Wormerveer. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 14280/1

Toen mijn moeder eind 1945 een woning van de gemeente toegewezen heeft gekregen in Amsterdam-West, zijn we verhuisd. Met mijn broertje heeft mijn moeder het toch anders aangepakt. Ze heeft hem eens een keer een weekend laten komen, en hij is uiteindelijk pas teruggekomen in februari 1946, dacht ik.

Ik ging naar een niet-Joodse school aan de overkant van waar ik woonde. In West woonden nauwelijks Joden.

Mijn vader is niet teruggekomen uit Bergen-Belsen.’

 

Bijeenkomst Concertgebouw

 

‘Op 16 mei 1948 werd de uitroeping van de nieuwe Joodse staat Israël feestelijk gevierd in het Concertgebouw in Amsterdam. Uit heel Nederland waren Joden naar de hoofdstad gekomen om dit heugelijk feit te te vieren. Zij werden onthaald door Joodse padvinders, die hun saluut brachten. Ik herinner me dat ik met veel andere kinderen, netjes met een blauw rokje en een wit blousje, op het podium heb gezeten.’

Joodse padvinders met vlaggen voor het Concertgebouwbij de viering van de oprichting van de Staat Israël, 16 mei 1948
Joodse padvinders met vlaggen voor het Concertgebouw bij de viering van de oprichting van de Staat Israël, 16 mei 1948. Beeld: foto-archief NIW

 

Tsofiem – Joodse Padvinderij

 

Eddy Izaks
Eddy Izaks. Beeld: privé-collectie Julia Izaks-van der Velde

‘Toen ik iets ouder was, werd ik lid van de Joodse padvinderij, geleid door Eddy Izaks en Julia van der Velde. Dat is ongeveer in 1949 geweest.

Ik geloof dat mijn moeder in het NIW, of zoiets dergelijks, had gelezen dat Tsofiem was opgericht. Zo ben ik er bij gekomen.

Na verloop van tijd hebben we een speciale donkerblauwe padvinderij-jurk aangeschaft. Er was in Amsterdam een grote bedrijfskledingzaak, Neef, en die hadden ook padvinderijspullen. Dus als je een “pakje” wilde hebben, dan ging je naar Neef en dan kocht je dat daar.

speld
Speld van de Tsofiem met de Hebreeuwse tekst: He’je nachon (Wees bereid): Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

De jongens en meisjes hadden apart bijeenkomsten. We hadden ook een speciaal speldje. Er was in Amsterdam maar één groep met maar weinig leden, ongeveer twintig kinderen. In eerste instantie kwamen we bijeen in de sjoel op de Lineausstraat, in Amsterdam-Oost, niet ver van het Tropenmuseum. De sjoel was verwaarloosd maar er was een bruikbaar zijzaaltje en daar zaten we dan in. Daar fietste ik op zondagmiddag heen. De leden waren in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar.’

 

He’je Nachon

 

Tsofiem Eva Kohn-van der Lijn
Nieuwelingkaart Tsofiem van Eva Kohn-van der Lijn

‘Het motto van de Tsofiem was: He’je nachon. Dat kun je vertalen als “Wees bereid” of “Wees paraat”. Doe iedere dag een goede daad.

Ik meen me te herinneren dat om lid te worden van de Tsofiem, je een eed moest afleggen dat je beloofde trouw te zijn aan de beweging.

Ik ben een enkele keer in een autobus meegeweest als leidster voor jongere kinderen, maar ik weet niet meer waar naartoe.’

Nieuwelingkaart Tsofiem van Eva Kohn-van der Lijn
Nieuwelingkaart Tsofiem van Eva Kohn-van der Lijn waarop de exameneisen staan die moeten worden gehaald. De examens zijn afgenomen door Dini Vedder en door Marianne Schwarz, echtgenote van Manfred Gerstenfeld

 

Landdagen, 22 februari

 

‘Wij van de Tsofiem hadden geen contact met de algemene padvinderij. Behalve dan op 22 februari, want dat was de verjaardag van Lord Baden-Powell, de oprichter van de padvinderij. Op deze dag werd een Landdag georganiseerd waar alle padvinders bijeenkwamen. Daar werden ook toespraken gehouden. Daar gingen wij ook naartoe. Dan werd in alle vroegte, ik meen in het Vondelpark, de vlag gehesen.’

 

Eisenkaarten

 

Eva Kohn-van der Lijn
Eisenkaart Tsofiem van Eva

‘Ik kan me eigenlijk niet meer herinneren wat we in de begintijd deden. In het begin was het eigenlijk alleen maar een bijeenkomst met Julia om ons bij elkaar te krijgen. Daarna, toen Dini Vedder onze leidster werd, probeerden we het een “beetje echter te doen”. Zij had namelijk eerst bij de algemene padvinderij gezeten en had zo een basiskennis. Padvinders gebruikten eisenkaarten. Zo moest je bijvoorbeeld morse kennen en je moest bomen kunnen onderscheiden.

Dat soort eisenkaarten kregen we toen ook. Ik heb de kaarten nog steeds. Ik kan me ook herinneren dat we een stokbroodje moesten maken. Deeg om een stokje heen doen en dan bakken. Voor dat soort dingen gingen we dan naar buiten.’

Eva Kohn-van der Lijn
Eisenkaart Tsofiem van Eva, afgetekend door Kitty Deen

 

Den Dolder

 

Leidster Dini Boas-Vedder in het gebouwtje Boschduif op het terrein van het Joods Herstellings- en Vakantieoord in Den Dolder. Beeld: privé-collectie Dini Boas-Vedder

‘In Den Dolder was een Joods herstellingsoord. Het lag in de bossen. Ze stonden meisjes van Tsofioet toe tijdens weekenden te komen. We sliepen op zolder in slaapzakken. Het moet omstreeks 1950 geweest zijn dat we daarheen gingen. Ik geloof dat we daar twee keer geweest zijn.

Ik kan me herinneren dat we daar stamppot wilden maken en dat dat toen niet gelukt is. We hadden er veel te veel margarine ingestopt, zodat het geheel wel op smeerolie leek. We hebben daar achteraf nog veel om moeten lachen.

Deze weekenden waren een extraatje, want er waren natuurlijk ook de zomerkampen.’

 

Zomerkampen

 

‘Voorzover ik weet waren er geen winterkampen. Ik ben naar drie zomerkampen geweest van de Tsofiem. Het eerste kamp was in 1950 in Borculo en duurde een week. Daar waren zowel de jongens als de meisjes.

In 1951 was er een zomerkamp van een week in Voorthuizen, alleen maar met de meisjes. Onze leidster was Dini Vedder. We zaten daar in bungalows. Een van die bungalows diende als keuken. Daar waren hoofdzakelijk de Amsterdamse meisjes, maar er was ook een klein groepje uit Bussum.

In 1952 is er nog een zomerkamp geweest in Ermelo. Maar dat was eigenlijk al het laatste van de padvinders. Daarna is het allemaal opgedoekt.’

Veel tijd voor spelletjes tijdens een kamp van Tsofiem. Beeld: privé-collectie Dini Boas-Vedder

 

Leidsters

 

Kitty Deen in de keuken, zomerkamp in Lunteren. Beeld: privé-collectie Brendele Herzberger
Kitty Deen in de keuken, zomerkamp in Lunteren. Beeld: privé-collectie Brendele Herzberger

‘Onze eerste leidster was Julia van der Velde. Nadat zij op Alijah was gegaan, kwam Kitty Deen. Daarna kwam Dini Vedder. Onze laatste leidster was Rini Coster. Het liep kennelijk al op zijn eind, want voor het laatste kamp in 1952 in Ermelo hebben ze twee tijdelijke leidsters moeten opscharrelen om dat kamp te leiden: Ro Snijder en Ro Akker.’

 

Sochnoet

 

‘Tegen de tijd dat ik een jaar of zeventien was, ben ik een poosje lid geweest van Haboniem. Maar dat beviel me toch eigenlijk niet. Weer later, toen ik een jaar of twintig was, ben ik naar een seminarium van de Sochnoet geweest in Oosterbeek. Ieder jaar organiseerden zij wat. Ik ben ook naar een zomerkamp in Aroza geweest in Zwitserland van de Sochnoet.

De Sochnoet hield iedere winter een winterseminarium van ongeveer vier à vijf dagen in Oosterbeek. Dat was om Ivriet te leren. Daar ben ik één keer geweest.

En weer later ben ik een tijdje bij groep geweest die zich Macabi cultureel noemde. Dat was een gezelligheidsgroep eigenlijk. De Liberale Gemeente had een groep Scopus, welke ook een gezelligheidsgroep was eigenlijk.

Op de vraag wat de Tsofiem voor mijn latere leven heeft betekend, kan ik antwoorden dat ik daardoor misschien heb geleerd om in een team te werken en dat ik nog vriendinnen heb uit die tijd.’

 

Alijah

 

‘Ik heb voor medisch analiste gestudeerd. Mijn eerste baan was in het Weesperpleinziekenhuis in Amsterdam. Dat was in de voormalig Joodse Invalide.

Ik oktober 1961 ben ik voorgoed naar Israël vertrokken. Hier in Israël heb ik tot mijn pensioen gewerkt bij Koepat choliem Clalit (ziekenfonds Clalit). Nu breng ik mijn tijd door als huisvrouw.’

Deel deze pagina