veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Tirza Dotsch

Tirza (Carla) Levinson-Dotsch

‘Ik ben in 1941 in Amsterdam geboren als Carla Dotsch. Toen ik achttien was, ging ik met de boot naar Israël. Onderweg zeiden de matrozen: “Carla, zullen we je opwarmen?” (Noot: kar-la betekent in het Hebreeuws: “ze heeft het koud”). Toen dacht ik: dit is geen goede naam voor mij. Daarom heb ik mijn naam veranderd in Tirza.

Toen ik zeven jaar oud was, las ik een boek over een meisje dat Tirza heette en naar Erets Jisraël ging. Daarna zei ik tegen mijn moeder en mijn zussen dat ik later ook naar Erets Jisraël zou gaan, maar zij lachten daarom. Uiteindelijk is die wens toch uitgekomen en werd ik echt Tirza.

Ouders Samuel Dotsch en Elisabeth Viskoop
Ouders Samuel Dotsch en Elisabeth Viskoop

Mijn ouders waren Samuel Dotsch en Elisabeth Viskoop. Mijn vader is in 1911 in Amsterdam geboren. Hij werkte als leerbewerker en was ook lid van de communistische partij. Zijn jongste broer, Gershon, was de enige uit het gezin die de oorlog heeft overleefd.

Mijn moeder is in 1910 in Amsterdam geboren. Zij heeft als enige van haar familie de oorlog overleefd. Haar ouders waren religieus en wilden dat ook mijn moeder religieus zou leven, maar dat wilde zij niet. Ze verzette zich tegen die religieuze levenswijze. Ze wilde graag naar de middelbare school, maar daar was geen geld voor. Daarom ging ze werken als verkoopster in een winkel voor huishoudelijke artikelen. Daarnaast sportte ze, en via de sport heeft ze mijn vader ontmoet. Ze hield ook van zingen. Na de oorlog herinner ik me dat mijn moeder graag naar opera’s luisterde en van klassieke muziek hield.

De drie zusjes in het ouderlijk huis in Amsterdam, enkele dagen voordat hun ouders hen meegaven aan mensen van de ondergrondse. De ouders wilden nog een foto van hun dochters hebben. Vlnr: Greetje (later Margalit), Carla (later Tirza) anderhalf jaar oud, en Sonja.
De drie zusjes in het ouderlijk huis in Amsterdam, enkele dagen voordat hun ouders hen meegaven aan mensen van de ondergrondse. De ouders wilden nog een foto van hun dochters hebben. Vlnr: Greetje (later Margalit), Carla (later Tirza) anderhalf jaar oud, en Sonja.

Mijn oudste zus, Sonja, werd geboren in 1936. Daarna kwam Gretha in 1937, die Greetje werd genoemd en later in Israël de naam Margalit aannam. Vóór de oorlog woonden we in een huurwoning in Amsterdam-Oost, in de Joodse buurt. We waren niet rijk, maar ook niet arm; we hadden het redelijk. Thuis leefden we vóór de oorlog niet religieus. We hielden geen kasjroet, vierden geen Sjabbat of feestdagen en gingen niet naar de synagoge. Ook was er geen zionistische verbondenheid. De sociale kring van mijn ouders was wel voornamelijk Joods, maar ze hadden ook niet-Joodse vrienden.

Carla Dotsch
Carla, anderhalf jaar oud

In 1941 werden de Joden opgeroepen zich te melden. Mij is verteld dat de hele familie bijeenkwam om te bespreken wat zij zouden doen. Ze besloten bij elkaar te blijven. Mijn ouders daarentegen besloten geen gehoor te geven aan de oproep en onder te duiken.

Mijn moeder zag er niet echt Joods uit en had bovendien veel lef. Soms deed ze de Davidsster af en ging ze zo boodschappen doen. Via het verzet werd in september 1942 geregeld dat wij, de kinderen, zouden onderduiken. Ik was toen anderhalf jaar oud en mijn zussen waren vijf en zes. Natuurlijk kan ik me het afscheid niet herinneren, maar later is het mij verteld. Mijn moeder nam afscheid met kusjes; mijn vader kon dat niet. Hij draaide zich om en huilde.’

 

Onderduik ouders – Deportatie vader

 

‘Mijn ouders doken onder bij een boer in het noorden van het land. Op een dag, begin 1943, ging mijn vader naar Amsterdam om geld op te halen waarmee de boer betaald kon worden. Toen hij terugkwam, stond er een Duitser of een NSB’er bij de boerderij. De boer gaf mijn vader een teken dat hij niet dichterbij moest komen.

Mijn vader sloeg op de vlucht, maar de Duitser zag hem en pakte hem op. Mijn moeder was op dat moment in huis en werd niet opgemerkt. Mijn vader werd naar Westerbork gestuurd en vandaar naar Auschwitz gedeporteerd. Hij schreef nog een briefkaart aan mijn moeder; daarvan heb ik een kopie. Daarin schreef hij dat hij hoopte dat de oorlog snel voorbij zou zijn en dat we daarna weer samen zouden zijn. Dat was het laatste wat hij ooit schreef.

Na de oorlog hoorde mijn moeder van mensen die samen met hem in het kamp hadden gezeten dat hij erg ziek was geweest. Hij is vermoord in Auschwitz. Nadat mijn vader was weggehaald, dook mijn moeder onder in Leiden bij een zeer religieuze christelijke familie die een pension had. Zij wisten dat mijn moeder Joods was, maar de kinderen in huis wisten dat niet. Ze had een valse naam en werkte daar tot het einde van de oorlog.’

Joodse Raad-kaart van vader Samuel Dotsch. Beeld: Arolsen Archives
Joodse Raad-kaart van vader Samuel Dotsch. Beeld: Arolsen Archives

 

Onderduik in Zeist, Driebergen, Utrecht en Zuilen

 

Het huis aan Hoog Kanje 5. Beeld: Joodse onderduikers in Zeist
Het huis aan Hoog Kanje 5. Beeld: Joodse onderduikers in Zeist

‘Greetje en ik kwamen in Zeist terecht, ieder bij een ander gezin. Greetje bij Joop Banens en Jenny Banens-van Bakergem op Hoog Kanje 3 en ik bij de buren op Hoog Kanje 5, bij het gezin George Brill en Dina Brill-Wolf. Mijn zus bleef de hele oorlog bij de familie Banens. Ik werd na korte tijd alweer verplaatst, omdat Greetje mij had herkend. Op een dag zag mijn zusje mij bij de buren in de box staan. “Dat is mijn zusje!”, riep ze enthousiast. Omdat ze dat vervolgens overal trots rondvertelde, moest ik naar een ander adres.1 Het was te gevaarlijk geworden.

Carla Dotsch tijdens de onderduik
Carla tijdens de onderduik
De onderduikmoeder stuurde in 1943 een brief via het verzet aan Carla’s moeder waarin ze schrijft dat Carla blij was met de pop die haar moeder heeft gestuurd. En ze schrijft: “Het is toch zoo’n schat van ons. En het zonnetje in huis.”

Daarna kwam ik terecht in Driebergen bij een wat oudere ongehuwde vrouw. Deze vrouw had behalve mij nog twee andere Joodse onderduikkinderen in huis, en dat trok de aandacht. We werden gearresteerd en in politiehechtenis gezet. Maar een Nederlandse politieagent heeft ons geholpen. Hij nam contact op met iemand uit het verzet, vermoedelijk met studenten van het Utrechts Kindercomité. Zo konden we weer worden weggehaald en naar een veiliger adres worden gebracht.2 Vervolgens kwam ik in Utrecht terecht bij de familie De Jong. Dat was een tijdelijk onderduikadres, want even later kwam ik in Zuilen terecht.’

 

Westerbork

 

Brief van onderduikmoeder aan de Carla's moeder waarin ze schrijft dat Carla heel opgwekt si maar een moeilijke eter is.
Brief van onderduikmoeder aan de Carla’s moeder waarin ze schrijft dat Carla heel lief en opgewekt is maar een moeilijke eter, 1944

‘In mei 1944 kwamen de Duitsers naar Zuilen. Ze gaven snoepjes aan een kind en vroegen of het wist waar kinderen waren die daar eerder niet waren geweest. Ze stelden die vraag op een ogenschijnlijk onschuldige manier, en het kind vertelde het. Daarna namen de Duitsers ons mee naar Westerbork.

Sal Boas

Ik werd een van de “onbekende kinderen” die werden ondergebracht in het weeshuis van Westerbork. Daar stonden bedden waarin we werden gelegd. We konden niet praten of spelen, omdat we zo verward en getraumatiseerd waren.

Een paar vrouwen in het kamp kregen de opdracht om voor de kinderen te zorgen. Een van hen was Seraphina Boas-Prins. Zij was getrouwd met Salomon (Sal) Pinchas Boas en samen hadden zij een dochtertje, Esther, dat ongeveer een jaar jonger was dan ik.3 Ik verbleef een paar maanden in Westerbork.’

 

Bergen-Belsen

 

‘In september 1944 vertrok de laatste trein uit Westerbork. Ook onze groep van “onbekende kinderen” zat in die trein. Op de lijst stond Auschwitz als bestemming vermeld, maar dat werd doorgestreept en vervangen door Bergen-Belsen. Behalve een baby, een meisje met de achternaam Hamburger, heeft onze hele groep Bergen-Belsen overleefd.

Ook daar was bijna geen eten meer en we leden honger. Een meisje dat ongeveer vijf jaar ouder was dan ik, vertelde later dat zij soms het eten van de kleinere kinderen afpakte. Ik herinner me nog dat ik in Bergen-Belsen was. Er liepen veel mensen in witte jassen rond en ik kreeg heel veel injecties, omdat ik erg ziek was. Na de oorlog had ik dan ook een enorme hekel aan injecties.

Misschien zaten we in het “Sterrenkamp”, waar Nederlandse Joden verbleven die eventueel zouden worden uitgewisseld, maar dat weet ik niet zeker.4 Uit Bergen-Belsen herinner ik me vooral de familie Birnbaum. Ik hield veel van mevrouw Birnbaum.

Portret van de familie Birnbaum in Westerbork. Van links naar rechts: Zvi, Sonni, Hennie, Yaakov, Susy, Yehoshua, Regina en Shmuel. Beeld: USHMM, courtesy of Sonni Schey Birnbaum
Portret van de familie Birnbaum in Westerbork. Van links naar rechts: Zvi, Sonni, Hennie, Yaakov, Susy, Yehoshua, Regina en Shmuel. Beeld: USHMM, courtesy of Sonni Schey Birnbaum

Op een dag kreeg ik een paar snoepjes en een stukje brood. Er werd gezegd dat het mijn verjaardag was. Ik was toen drie jaar oud. Ik wist niet of het echt mijn verjaardag was, maar zij hadden besloten dat het mijn verjaardag was. Toen ik later weer in Nederland kwam, vertelde ik mijn moeder over mevrouw Birnbaum: hoe lief zij voor mij was geweest en dat ik eten van haar had gekregen. Ik noemde hen “BimBam”.’5

Tirza ontmoet Sonni Birnbaum in Beth Juliana.
Tirza ontmoet Sonni Birnbaum (de dochter van Hennie en Yehoshua) in Beth Juliana

 

Theresienstadt

 

Voedselbon uit Theresienstadt. Wanneer de houder van de bon voedsel ontving, werd dit op die dag met een X afgestreept. De voedselbon staat op naam van Carla; hier wordt zij Carla de Jong genoemd.
Voedselbon uit Theresienstadt. Wanneer de houder van de bon voedsel ontving, werd dit op die dag met een X afgestreept. De voedselbon staat op naam van Carla; hier wordt zij Carla de Jong genoemd.

‘Na een aantal maanden werden we doorgestuurd naar Theresienstadt. Daar kwamen we eind 1944 aan. We zaten eerst twee maanden in quarantaine vanwege allerlei ziektes. Ik herinner me het gebouw van binnen: meerdere bedden en een washoek met water. Ook herinner ik me dat ik met Esther Boas speelde. We sliepen in hetzelfde stapelbed en dat Seraphina ons daar waste.

In Theresienstadt kwamen andere gevangenen de kinderen bekijken, omdat het zo bijzonder was: een groep van ongeveer vijftig kinderen. Iedereen wilde helpen. Seraphina en haar man probeerden mij te adopteren. Ze vroegen toestemming aan de kampcommandant. Er is zelfs een document waarin staat dat zij mij mochten aannemen. Seraphina zei dat ze in Westerbork al meteen van mij had gehouden.

Ik was altijd een stil kind. Men zei dat ik niet sprak. Ik herinner me vooral veel mensen, veel lawaai en dat ik zelf stil was.’

Transport van de 51 kinderen van Wsterbork naar Theresienstadt.
Transportlijst van de 51 kinderen naar Theresienstadt. Carla staat hier op als Carla Israel met nummer XX //8-30

 

Terug naar Nederland

 

‘In mei 1945 bevrijdden de Russen Theresienstadt. Ik herinner me dat ik samen met de familie Boas werd meegenomen. Zij namen mij als hun dochter mee naar Nederland. Met grote trucks werden we naar Frankrijk gebracht. Het was koud en er stond veel wind. Ik herinner me dat we met veel touwen vastgebonden zaten in de open laadbak van de vrachtwagen.

In Frankrijk sliepen we in een klooster, op de vloer, en daar kregen we te eten, zo is mij verteld. Daarna vlogen we met een vliegtuig naar Nederland. Iedereen was ziek, behalve ik, zeggen ze. Ik weet niet of dat klopt. We gingen naar Amsterdam, naar het adres waar Esther Boas destijds was ondergebracht bij een niet-Joodse familie. Daar werden we opgevangen, en ook Seraphina’s moeder of schoonmoeder, geloof ik. We bleven daar een tijdje, totdat zij een woning kregen, niet ver daarvandaan.

Ze behandelden me echt als hun eigen kind, en hun dochter dacht ook dat ik haar zusje was. Of ik hen ook papa en mama noemde, weet ik niet meer. Op een dag zei Seraphina tegen mij: “Morgen komt je echte moeder je bezoeken.” Dat was niet echt een schok, want ik was gewend steeds weer nieuwe mensen te zien. Het woord “moeder” betekende in die zin voor mij niets. Voor mij was het normaal: je zette me ergens neer, en dat was dan mijn familie. Zo was ik dat gewend geraakt. Ik voelde me als een pakketje dat steeds opnieuw werd doorgegeven. Dat was het beeld dat ik ervan had. Ik herinner me niet dat het me iets deed toen ik daar wegging.

De Duitsers hadden lijsten gemaakt met de namen van de kinderen, en mijn naam stond daarop als Carla de Jong of Carla Israel, met een nummer erbij. In elk kamp had ik hetzelfde nummer. Toen ik terugkwam in Nederland, stonden de namen van teruggekeerde mensen op lijsten vermeld. Op die lijst stonden Seraphina, haar man en dochter – maar ik stond er niet op. Men was vergeten mijn naam erop te zetten. Administratief gezien bestond ik niet.’

 

Mijn moeder komt me halen

 

‘Nadat ik in Zuilen was opgepakt, wist mijn moeder dat ik naar een kamp was gebracht. Maar ze wist niet of ik nog leefde.

Op een dag ging mijn moeder naar Pieter Deenekamp (getrouwd met Adriana Bardina Hulsink), die in het verzet had gezeten. Mijn moeder kende hem, en daar liet ze hem een foto van mij zien. Mijnheer Deenekamp had op dat moment twee Joodse meisjes, zusjes, uit dezelfde groep “Onbekende Kinderen” in huis, en hij liet de meisjes de foto zien. “Dat is Carlaatje, zij is met de familie Boas teruggekomen,” zeiden ze.

Van de eerste ontmoeting met mijn moeder herinner ik me niets meer. Voor haar was het overweldigend. Ze kon geen woord uitbrengen. Seraphina schreef later in haar memoires dat mijn moeder vroeg of ik nog een paar dagen bij hen mocht blijven. Maar Seraphina kon dat niet aan. Ze zei: “Of je neemt haar nu mee, of helemaal niet.” Mijn moeder antwoordde: “Dan nu.” Ze nam me per trein mee naar Leiden, naar het pension waar mijn moeder werkte. Sonja was inmiddels al door mijn moeder opgehaald. In Leiden bleven we nog een tijd met ons drieën samen.

Tirza met Seraphina in Israël
Tirza met Seraphina in Israël

In het begin schreef mijn moeder brieven naar Seraphina. Ik geloof dat we weleens naar hen toegingen. Maar na een paar jaar is dat contact toch langzaam verwaterd. Tot ik op een dag op Rosj Pina Esther Boas tegenkwam. Ik zei: “Jij bent Esther.” Esther vertelde thuis dat ze mij op school had ontmoet. De volgende dag kwam Seraphina ook naar school om mij te zien. Vanaf die tijd ging ik met alle Joodse feestdagen naar de familie Boas toe. In 1946 had de familie Boas een zoontje gekregen, Mark. Hij is naar Israël gekomen. Tot op de dag van vandaag zijn we goede vrienden gebleven.’

 

Naar Amsterdam

 

‘Later gingen we terug naar Amsterdam. We werden ondergebracht in een huis waar ook families van NSB’ers woonden. De overheid had bepaald dat die gezinnen daar moesten wonen, en daar werden wij eveneens neergezet. Of je dat antisemitisme van de overheid kunt noemen, weet ik niet, maar het was wel erg ongevoelig. Het was beslist geen fijne plek om te wonen.

Later kreeg mijn moeder een heel klein huisje in Amsterdam. Eén kamer, daarnaast nog een piepklein kamertje, en een keuken waarin maar één persoon kon staan. Greetje kwam in augustus 1945 weer bij ons in Amsterdam wonen. Mijn oom Gershon, de jongste broer van mijn vader, was ook teruggekomen. Hij was toen nog een tiener en wilde graag bij ons wonen, maar daarvoor was geen ruimte. Daarom ging hij met de Jeugd-Alijah naar Israël. In het begin kreeg mijn moeder financiële steun; later werkte ze bij de Bijenkorf.

We hadden weinig meubilair en zaten op kistjes. Alleen op vrijdag kregen we kip te eten. Het was koud in huis. We hadden vrijwel niets. Kleding kregen we ook ergens vandaan. Maar omdat ik zo “verwend” was, weigerde ik die jurken en schoentjes aan te doen. Mensen zeiden altijd: “Dat arme kind uit de kampen.” Als ik huilde, kreeg ik alles wat ik wilde. Dat was niet goed.

Later kreeg ik hevige angsten en nachtmerries. Wanneer ik mensen in uniform zag, begon ik te krijsen. Met hulp van de Joodse Gemeente Amsterdam kon ik naar een psychiater gaan. Blijkbaar speelde ik daar, als onderdeel van de behandeling, met poppen. Na verloop van tijd zei hij dat het goed met me ging. Daarna werd ik juist heel sterk, was ik nergens meer bang voor en huilde ik nergens meer om.

Mijn middelste zus en ik hadden veel vrienden. De oudste, Sonja, had het het moeilijkst. Voor haar was alles een trauma. Zij herinnerde zich ook mijn vader nog. Ik fantaseerde altijd dat mijn vader misschien nog leefde en ooit zou terugkomen. Ik had een foto van hem. Ik stelde me voor dat hij terug zou komen en dat we dan een goed huis zouden hebben.

Mijn moeder moest drie kinderen opvoeden die elkaar eigenlijk nauwelijks kenden, terwijl ze ook nog op zoek was naar haar man en haar familie. Het was heel moeilijk bij ons thuis. We woonden dicht bij de plek waar we vóór de oorlog hadden gewoond, met alle herinneringen van dien.

Mijn moeder ging naar de vroegere buren en vroeg of er nog spullen van ons bij hen waren achtergebleven. En wat deden ze? Ze gooiden de spullen van mijn moeder vanuit het raam van de derde verdieping naar beneden. De buren waren soms vijandig. Niet allemaal, maar sommige mensen zeker wel.

Ik herinner me dat we een keer naar Driebergen gingen, naar de plek waar ik ondergedoken was geweest, en dat we daar iemand bezochten: een rooms-katholieke broeder in een klooster. Hij gaf me eieren. Hij was een vriend van mijn moeder en had haar veel geholpen. Maar hij woonde ver van Amsterdam vandaan.

Er was ook nog een verre oom die de oorlog had overleefd. Hij stond op de Albert Cuypmarkt met horloges. Hij en zijn vrouw hadden geen kinderen. Mijn school lag daar vlakbij in de buurt. Tussen de middag ging ik vaak bij hen eten. Door hen werd ik verwend.’

 

Naar school

 

Carla Dotsch op de kleuterschool
Carla op de kleuterschool

‘Mijn moeder bracht me naar de kleuterschool. Ik vond het daar geweldig. Daarna ging ik naar een niet-Joodse lagere school. De kinderen vroegen me: “Hoe doen jullie dat thuis dan?” Ik vond het niet prettig op die school, omdat ze me zoveel vragen stelden, alsof ik van de maan kwam.

Daarbij kwam ook nog dat ik netjes Nederlands sprak. Dat had ik geleerd bij de familie Boas. De kinderen in de arbeidersbuurt waar wij woonden, spraken platter, dus dat zorgde opnieuw voor een duidelijk verschil.

Daarna stuurde mijn moeder mij naar de Joodse school Rosj Pina. Vervolgens ging ik naar een Joodse middelbare school, en dat bleek een vergissing te zijn. In mijn klas had geen enkel kind nog twee ouders, en er was niemand die de oorlog niet had meegemaakt. Het was een verschrikkelijke klas. Leraren liepen huilend de klas uit. Op een keer werd ik de klas uitgestuurd en moest ik me melden bij de directeur. Hij kende mij uit Theresienstadt. Hij zei: “Nou, je was niet goed, ga maar wandelen in de zon, dat is goed voor je.” Dus ik had disciplineproblemen, maar ik kon er niets aan doen.

Mijn zus hielp me met mijn huiswerk. Mensen denken vaak dat na de oorlog alles voorbij is. Maar dat is niet waar. Alles komt later weer naar boven. Men begreep die kinderen niet. Men zei: “Een klas vol lastpakken”, maar het was een klas vol kinderen die dingen hadden meegemaakt die men zich niet kon voorstellen.

Op de middelbare school was er een leraar Tenach en Ivriet; hij was een rabbijn uit Rotterdam. Hij kende me nog uit Theresienstadt en zei tegen de andere leerlingen dat ze op mij moesten letten. Maar echt luisteren deed ik niet tijdens de Ivriet-lessen, en daarom leerde ik ook niet veel.’

 

Tikwatenoe, Tsofiem, Haboniem

 

‘Eerst ging ik naar Tikwatenoe, daarna naar de Tsofiem en Haboniem, waar we over zionisme leerden. Zo ontstond ook mijn band met het zionisme. Bij Haboniem hadden we kampen: zomer- en winterkampen. Ik moest van mijn moeder aan de leiding van Haboniem vragen of ik gratis mee mocht vanwege onze financiële situatie. Dat vond ik vreselijk. Ik was meestal heel stil, maar op kamp had ik veel vrienden.

Bij Haboniem werd gesproken over Erets Jisraël en zongen we liederen in het Hebreeuws. Er werd ook gesproken over het gaan naar een kibboets. Ik zei eens: “En degenen die naar Israël willen, maar niet naar een kibboets?” De leiders zeiden: “Dan hoor je niet bij Haboniem.” En weet je wat? Ik ben uiteindelijk de enige geweest die daadwerkelijk naar Israël ging.’

 

Engeland

 

‘Toen ik achttien jaar was, in 1959, ging ik naar Engeland om Engels te leren. Ik werkte als au pair bij twee families, maar dat was geen succes. Daarna ging ik naar de Sognoet (Jewish Agency) en zei dat ik naar Israël wilde gaan voor mijn militaire dienstjaar.

Mensen van de Sognoet plaatsten me samen met Engelsen in een groep op een hachsjara-boerderij. We moesten werken in de keuken en buiten op het land, maar ik praatte daar meer met de instructeur dan dat ik echt werkte. Daar verbleven we een paar maanden, en daarna ben ik in 1960 op Alijah gegaan.

Mijn moeder, die in die jaren inmiddels een aardige baan bij een bank had en ook wat vrienden, wilde niet dat ik ook naar Israël zou gaan, want ik was de enige die nog thuis was. Sonja was in 1956 naar Israël gegaan en Greetje in 1959. Mijn moeder smeekte me bijna om niet te gaan: “Je laat me toch niet alleen?” Ik zei dat het me speet, maar dat ik niet in Nederland kon blijven en dat zij toch naar Israël zou kunnen komen. En ik ben gegaan.

Zelfs degenen die bij hun moeder waren, hadden het moeilijk. Ik hield heel veel van mijn moeder, maar het was niet eenvoudig. Plotseling moest je iemand leren kennen die eigenlijk een vreemde voor je was. Degene die het dichtst bij je had moeten staan, was jarenlang niet bij je geweest.

Bovendien had mijn moeder zelf ook alles verloren. Na de oorlog kon ze niet meer echt blij zijn of de energie opbrengen, ook emotioneel gezien niet. Ik begreep pas later hoe zwaar het voor haar was. Ze had haar levensvreugde na de oorlog volledig verloren. Dat was heel zwaar.’

 

1960: Alijah

 

‘Ik heb me nooit thuis gevoeld in Nederland en wilde daar ook niet blijven. Zo ging ik in 1960 aan boord van de Theodor Herzl op weg naar Israël. Onze groep bestond uit tien jongeren: één uit Denemarken, één uit België en zeven uit Engeland. Wij hadden plek in de goedkoopste cabines aan boord. In de eerste dagen waren veel mensen zeeziek. Ik was dus vaak aan dek en leerde zo de matrozen kennen. Zij regelden dat ik in de eerste klas kon eten en dat ik naar de filmzaal mocht.

Ik herinner me de aankomst in Haifa. Van de kibboets HaSolaliem kwamen ze ons ophalen. (Deze kibboets ligt tussen Sjefaram en Nazareth). De eerste dag vroeg iemand of ik op de tractor mee wilde, en dat wilde ik wel. Daar ben ik een jaar gebleven. We werkten er in de katoen. Daar waren ook oorlogsoverlevenden uit Roemenië. Met hen sprak ik in het Duits en we vertelden elkaar een beetje over wat we tijdens de Sjoa hadden meegemaakt.

De tweede dag gingen we naar Nazareth om inkopen te doen. Daar ontmoette ik mijn latere man, Sjalom Levinson. Hij was op herhaling, tijdens zijn militaire dienst. Ik wilde bananen kopen, en hij zei tegen mij: “Ik weet waar je bananen kunt kopen voor een lage prijs,” en hij kocht de bananen voor ons. Hij zat naast me in de bus en vroeg waar ik vandaan kwam. Ik zei: “Uit Holland,” en hij begon Afrikaans tegen me te praten, want hij kwam uit Zuid-Afrika. Sindsdien was hij altijd in mijn buurt. Tijdens mijn diensttijd is mijn moeder op bezoek in de kibboets gekomen.’

 

Mosjav Orot

 

‘Ik sprak nauwelijks Hebreeuws. Ik had graag een oelpan gevolgd, maar in kibboets HaSolaliem moest ik eerst een aantal jaren in de keuken werken voordat ik naar een oelpan kon gaan. Daarom besloten Sjalom en ik deze kibboets te verlaten.

Na het dienstjaar in kibboets HaSolaliem ging ik samen met Greetje terug naar Nederland. We voeren opnieuw met de Theodor Herzl. Ons doel was om onze moeder naar Israël te halen. Mijn moeder ging aanvankelijk bij Sonja wonen in kibboets Neot Mordechai, maar dat beviel haar niet. Daarna verhuisde ze naar Tel Aviv, vervolgens naar Petah Tikva en ten slotte naar het ouderenhuis Beth Juliana in Herzliya. Toen mijn moeder eenmaal gewend was aan het leven in Israël, zei ze: “Waarom heb ik dit niet eerder gedaan?” Zij overleed in 1994.

Trouwfoto Tirza
Trouwfoto Tirza

In de periode waarin ik mijn moeder naar Israël haalde, ging Sjalom op bezoek bij vrienden in mosjav Orot. Daar hoorde hij dat er een landbouwbedrijf te koop was. Dankzij een lening van de Zuid-Afrikaanse staat kon hij het bedrijf aanschaffen. Toen ik uit Nederland terugkeerde, reisde ik meteen door naar deze mosjav. We begonnen daar samen aan een nieuw leven en enkele maanden later zijn we getrouwd.

Toen we wilden trouwen, moest ik bewijzen dat ik Joods was. Omdat ik geen schriftelijke bewijzen had van wie ik was, leek dat aanvankelijk een probleem. Mijn moeder vertelde dat een verre neef van haar al vóór de oorlog naar Erets Jisraël was gekomen. Hij was hoofd van een religieuze school in Tel Aviv. Ik meen dat hij Meijer Viskoop heette. Hij kon bevestigen dat mijn moeder Elisabeth Jodin was, en dankzij zijn verklaring konden wij trouwen.

Dat was in de zomer van 1961. ’s Ochtends vond de huwelijksceremonie plaats en ’s middags stonden we alweer tomatenplantjes te planten. De mensen van de mosjav hadden een prachtig feest voor ons georganiseerd, waardoor het een onvergetelijke dag werd.

Tirza en Shalom Levinson op hun trouwdag. Het eerste paar dat in de mosjav Orot trouwde, op 29 juni 1961.
Tirza en Sjalom Levinson op hun trouwdag. Het eerste paar dat in de mosjav Orot trouwde, op 29 juni 1961.

Het eerste jaar was moeilijk. Ik miste gezelschap. Op de kibboets was ik immers onderdeel geweest van die Engelse groep, maar op de mosjav voelde ik me vaak alleen. Een iets oudere buurvrouw heeft mij geholpen om me meer thuis te laten voelen op de mosjav. We begonnen met het verbouwen van tomaten, komkommers en allerlei andere groenten. Later zijn we ook aardbeien gaan telen.

Tegenwoordig verbouwen we druiven. Op de mosjav zijn onze drie kinderen geboren. We hadden het niet gemakkelijk, maar we hielden van het leven dat we leidden. Zelf had ik weinig belangstelling voor de landbouw; ik had meer passie voor lezen.

Met andere overlevenden die ik ontmoette, sprak ik nauwelijks over de oorlog. Ook aan mijn kinderen heb ik eigenlijk bijna niets verteld over wat ik tijdens de oorlog had meegemaakt. Ik zette het verleden opzij en had het druk genoeg met het opbouwen van een nieuw leven.’

 

Onbekende kinderen

 

‘Pas rond mijn vijftigste hoorde ik het volledige verhaal van de “Onbekende kinderen”. Een journaliste en onderzoekster, Daphne Meijer, probeerde de kinderen uit deze groep op te sporen. Toen pas begreep ik dat wij deel uitmaakten van een bijzondere groep.

Daphne Meijer schreef het boek Onbekende kinderen. De laatste trein uit Westerbork. Bij de publicatie van het boek, in april 2001, werd in Herinneringscentrum Kamp Westerbork een tijdelijke tentoonstelling geopend over deze kinderen. Voor zover ik me herinner, waren er op dat moment inmiddels negentien kinderen uit deze groep opgespoord.

Ik ben voor de opening naar Nederland gegaan. Een aantal van deze negentien personen overnachtten de dag ervoor in een hotel in de buurt. In de lobby zagen we elkaar. Seraphina en Sal Boas waren er ook. Het voelde alsof ik mijn broers en zussen terugzag, alsof we altijd samen waren geweest. Er waren veel journalisten aanwezig, en het werd een echt verhaal.

Tirza (midden tweede rij met witte blouse) met achttien andere ‘Unknown Children’ in Herinneringscentrum Westerbork, april 2001. Beeld: Reyer Boxem
Tirza (midden tweede rij met witte blouse) met achttien andere ‘Onbekende kinderen’ in Herinneringscentrum Kamp Westerbork, april 2001. Beeld: Reyer Boxem

De volgende dag gingen we naar Westerbork, waar we een rondleiding kregen. Ik had niet het gevoel dat Westerbork op zichzelf iets met mij deed; het raakte me niet. Wat mij wél raakte was het zien van al die mensen. Het contact met hen opende een wereld voor mij. Daarna gingen we naar binnen, waar ze over de kinderen spraken. Elk kind uit de groep moest opstaan, zijn of haar naam zeggen, vertellen of hij of zij getrouwd was en wat hij of zij in het leven deed.

Vanaf dat moment besloot de groep elk jaar op 13 september samen te komen. Dat was de datum waarop wij vanuit Westerbork naar Bergen-Belsen werden gestuurd. Wie in de gelegenheid is, komt dan naar Nederland. Inmiddels komen de deelnemers uit de hele wereld: uit Amerika, Brazilië, Canada, Israël, Australië en vele andere landen. Zelf ben ik er twee keer bij geweest. Het voelt als familie. Het is bijzonder om mensen te ontmoeten die hetzelfde hebben meegemaakt als jij, die dezelfde achtergrond delen en tegen vergelijkbare problemen zijn aangelopen. Velen hadden, net als ik, moeite om anderen te vertrouwen, stil te zitten en te leren. We herkenden veel van onszelf in elkaar.’

 

Reflecties

 

‘Toen mijn kleinkinderen ongeveer even oud waren als ik toen ik moest onderduiken, zei ik tegen mijn zoon: “Weet je, toen ik anderhalf was, moesten mijn ouders mij aan vreemden geven zonder te weten wat mijn toekomst zou zijn en of ze mij ooit zouden terugzien.”

Dat is een paradox. Aan de ene kant geven ze je weg in de hoop dat het je leven redt, en aan de andere kant weten ze niet of het de juiste beslissing is. Ze wisten niet zeker of ze het juiste deden.

Achteraf bleek dat hun keuze het leven van hun kind had gered, maar toen wisten ze dat niet. Je weet niet of je je kind naar het leven of naar de dood stuurt. Hoe moeilijk moet dat zijn geweest. Pas toen ik zelf kleinkinderen kreeg, begon ik het werkelijk te begrijpen. Niet toen ik mijn eigen kinderen had gekregen, maar pas bij mijn kleinkinderen.

Tirza met haar man Sjalom en hun kinderen en kleinkinderen
Tirza met haar man Sjalom en hun kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen
Tirza met haar man Sjalom
Tirza en Sjalom

Ik heb me altijd anders dan anderen gevoeld en had vaak het gevoel dat ik vreemd was. Ouders vertellen hun kinderen bijvoorbeeld hoe ze hun eerste stapjes zetten of hoe ze gingen zitten. Dat soort herinneringen had ik niet. Mijn moeder vertelde mij wel hoe ik terugkwam uit het pleeggezin en hoe zij mij toen weer heeft ontvangen. Naarmate ik ouder werd, begon ik me steeds meer voor het verleden te interesseren.

Nu ga ik elk jaar op Jom HaSjoa naar Beit HaLochem. Dat vind ik heel belangrijk. Ik neem ook mijn kinderen en kleinkinderen mee. Daarnaast ga ik soms naar bijeenkomsten van overlevenden. Ik ga dan met vriendinnen die ook overlevenden zijn en luister naar hun verhalen.

Ik vind het belangrijk dat mijn verhaal wordt gehoord en dat ik kan luisteren naar wat anderen hebben meegemaakt. Vrienden uit Zuid-Afrika willen het altijd horen, maar in de mosjav vond ik het moeilijk om erover te praten. Dat voelde te open. Met vrienden thuis, rond de tafel, ging het beter; dat was intiemer. Door alles wat ik heb meegemaakt, ben ik vaak prikkelbaar en huil ik niet snel. Maar ik accepteer dat. Zo ben ik.’

De drie zussen Sonja, Tirza en Margalit Dotsch
De drie zussen Sonja, Tirza en Margalit

Dit interview is gebaseerd op de interviews die Tirza Levinson-Dotsch voor Yad Vashem in 2001 en 2015 heeft gegeven.
____________

Noten

 

  1. Zie website Joodse onderduikers in Zeist.
  2. Ibid.
  3. Salomon (Sal) Pinchas Boas (1913-1990) en Seraphina Boas-Prins (1913-2006).
  4. Een van de versies hoe het komt dat de groep “Onbekende Kinderen” het overleefde is omdat er beweerd werd dat het om kinderen ging van Nederlandse moeders en Duitse soldaten.
  5. In 2011 werd er aan Yehoshua en Hennie Birnbaum (postuum) en aan andere Joodse redders voor de eerste keer een Eervolle Vermelding Joodse Redders door het Comité ter Erkenning van de Heldenmoed van Joden die Mede-Joden Redden tijdens de Holocaust (JRJ) en het B’nai B’rith Wereldcentrum toegekend.
Deel deze pagina