veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Caroline Mass Carry Ulreich

Carmela Mass (Carry Ulreich)

‘Ik ben op 15 november 1926 in Rotterdam geboren en getogen. Mijn officiële naam is Caroline, maar mijn roepnaam was Carry. Wij woonden aan de Witte de Withstraat 59a. Mijn vader, Getzel Ulreich, werd geboren in Zagórze, destijds onderdeel van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, dus hij was Oostenrijker. Hij groeide op in een orthodox milieu, waarin Jiddisch de voertaal was. Na de lagere school ging mijn vader naar de hogere textielschool in Berlijn. Een goede vriend van hem was naar Nederland vertrokken en mijn vader is in 1919 ook naar Nederland, naar Rotterdam, gegaan. Een paar jaar later is hij genaturaliseerd. Hij noemde zich in Nederland Gustav.

Mijn moeder, Anna Fany Gottlieb, was een Poolse, ze werd geboren in Krakau. Ze waren achterneef en nicht. Ze hebben een paar jaar met elkaar gecorrespondeerd. In 1922 is mijn vader naar Polen gegaan, is met mijn moeder getrouwd en heeft haar meegenomen naar Nederland.

Mijn oudere zus, Rachel, werd geboren in Rotterdam op 21 november 1922. Mijn moeder sprak Pools tegen ons en wij spraken Nederlands terug. Mijn vader sprak Jiddisch, mijn moeder niet. Mijn moeder stamde uit een geassimileerde familie.

Het jonge gezin Ulreich aan de wandel op de Coolsingel, van links naar rechts: vader Gustav, Rachel, Carry en moeder Anna Fany
Het jonge gezin Ulreich aan de wandel op de Coolsingel. Van links naar rechts: vader Gustav, Rachel, Carry en moeder Anna Fany.

Mijn vader was kleermaker en begon als “damestailleur naar maat” en bouwde dat uit tot een groot kledingatelier voor het vervaardigen van confectie. Daarnaast ontwierp hij ook kleding.  Voor het uitbreken van de oorlog had hij onder meer het Nederlandse leger als opdrachtgever.

Mijn moeder hield van naaien, in tegenstelling tot mij. Mijn vader was erg streng op de meisjes van het naaiatelier. Ze mochten onderling niet met elkaar spreken. Mijn moeder werkte ’s ochtends en ’s middags op het atelier en paste erop dat de meisjes niet praatten. Tevens moest mijn moeder ervoor zorgen dat de meisjes de schaar gebruikten om de draad door te knippen en die niet af te breken. Er waren ongeveer twintig meisjes op het atelier.

Het huis waar wij woonden was niet ons eigen huis. Het was een huurhuis en het had drie verdiepingen. Onder waren de eetkamer, de salon, de paskamer en de wachtkamer. Op de verdieping daarboven waren de slaapkamers en op de bovenste verdieping was het atelier.

Advertentie voor wintermantels van Ulreich in Rotterdamsch Nieuwsblad, 31 oktober 1933
Advertentie voor wintermantels van Ulreich in Rotterdamsch Nieuwsblad, 31 oktober 1933. Het telefoonnummer is 13087.

Er was ook een tussenkamer waar de telefoon stond. Ik weet het nummer nog: 13087. We hadden zelfs een intercom. Als er een klant kwam werd mijn vader via de intercom gewaarschuwd. Jaren later, toen ik in Israël woonde, tot mijn derde kind geboren werd, heb ik zelfs geen telefoon gehad. En in Nederland hadden we al een intercom.

We hadden een dienstmeisje en een kindermeisje. In die jaren werd er in Nederland op maandag gewassen. Daarvoor had je veel warm water nodig en dat had je natuurlijk niet in zulke grote hoeveelheden. Dan ging het dienstmeisje naar de waterstokerij die op maandag een heleboel water kookte. Ze bracht dan twee emmers heet water, en als er nog eens twee emmers nodig waren, dan ging ze nog een keer. Later is ze met de waterstoker getrouwd.

Op Sjabbat werd een halve dag gewerkt. De straat waar wij woonden was een heel goede straat, maar ik moest oppassen voor de meisjes die in de Zwarte Paardenstraat woonden en ik moest oppassen met wat ik zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet zeggen: “Ik mag dit wel doen en dat niet.” Want mijn vader was erg bang voor risjes (sluimerende Jodenhaat).

We waren niet vroom, maar wel traditioneel Joods. Ik ging naar een openbare lagere school, ook op Sjabbat, maar we onthielden ons daar van schrijven. Dat is een van de activiteiten die op sjabbat niet geoorloofd zijn.

Ik weet niet meer precies of moeder nog werkte wanneer ik thuis kwam uit school. Misschien dat ze naar beneden kwam. Soms gaf ze ons wat geld om kaas te kopen of zoiets. We speelden niet op straat.’

Het strand van Scheveningen en Hoek van Holland was een geliefd uitje voor de familie Ulreich. Carry is het meest meisje van links. Rachel is het meisje in het midden.
Het strand van Scheveningen en Hoek van Holland was een geliefd uitje voor de familie Ulreich. Carry is het meisje uiterst links; Rachel zit in het midden. Geheel rechts zitten moeder Anna Fany en haar zus Dora uit Polen. De familie heeft een 78-toerenplatenspeler bij zich.

 

Joodse les

 

‘Op zondag hadden we Joodse les van een onderwijzeres. Misschien was dat Shelly die naderhand getrouwd is met rabbijn Levie Vorst. Maar zeker weet ik het niet. We hadden geen koosjere huishouding, totdat mijn zuster naar deze Joodse les ging en leerde dat er kasjroet bestond. Toen heeft ze de gehele huishouding omgedraaid. Vanaf dat moment hadden we een koosjere huishouding. We hielden Sjabbat en alle feestdagen werden gevierd. Maar dat deden we ook toen we nog geen echt koosjere huishouding hadden.

Rachel en ik gingen, tot in de oorlog, naar Hebreeuwse les in de buurtsynagoge Hamerkaz aan de Walenburgerweg 78. De lessen werden gegeven door Greet Vleeschhouwer.

Caroline Mass carry ulreich
Foto van Carry op de lagere school, 1934

Ik had ook niet-Joodse vriendinnetjes die ik naderhand gewisseld heb voor een Joodse vriendin. Het niet-Joodse vriendinnetje bleef ook nog een beetje vriendin, maar naderhand bleek dat haar familie NSB was. Ze kwam meer bij mij. Ze woonde in een niet zo’n goede buurt. Mijn ouders waren er geen voorstander van dat ik daarnaartoe ging. Met mijn vrome Joodse vriendinnen ging ik fietsen en we maakten op zondag uitstapjes.

Ik heb mijn vader er nooit over gehoord dat hij antisemitische opmerkingen te horen kreeg van klanten. Ik zelf ook niet.’

 

Bezoek Verenigde Staten

 

‘In juni 1939 gingen mijn ouders met de Nieuw Amsterdam naar Amerika. Een Poolse tante, tante Dora, kwam naar ons om op ons te passen. Mijn ouders bezochten daar oom Adolf, een broer van mijn vader. Daar spraken zij uitvoerig over de situatie in Europa. Ze deelden hun angst dat ook Nederland door de nazi’s onder de voet gelopen zou worden. Als resultaat van dit bezoek werd besloten om visa te regelen zodat we eventueel naar de Verenigde Staten konden emigreren. Daar was wel de nodige discussie over binnen ons gezin. Mijn ouders wilden het liefst zo snel mogelijk vertrekken. Rachel daarentegen wilde dat niet. Ze zei: “Nee, Duitsland komt hier niet, we zijn neutraal, de Duitsers komen hier niet. (…) Ik wil niet naar een vreemd land, tenzij Palestina.”1 En ze wilde niet naar Amerika, want ze had haar verloofde hier.

Ondanks dat Rachel niet wilde, werden alle formulieren ingevuld. De uitnodiging van het Amerikaanse consulaat te Rotterdam kwam met de mededeling dat op 17 mei 1940 de visa konden worden opgehaald. Op 10 mei 1940 brak echter de oorlog uit en alle documenten voor onze familie werden door brand verwoest.’

 

Zionisme

 

‘Rachel werkte bij een kolenfabrikant. Zij ging naar de zionistische jeugdbeweging Haäwodah, dat was een Rotterdamse afdeling van de Joodse Jeugdfederatie. Door haar ben ik er ook bij gekomen en dat heeft mij beïnvloed wat zionisme betreft. Rachel werd in januari 1941 gekozen als secretaresse. Ondanks het verbod op het bijeenkomen bij Joodse jeugdbewegingen gingen we “ondergronds” nog een hele tijd door. Vriendinnen van Rachel die ook actief waren in deze jeugdbeweging waren Tilly Bosman en Hannele Franken.

Voorzover ik me herinner was er voor de oorlog geen sprake van dat we naar Palestina zouden gaan. We hadden het wel goed in Nederland. Maar in mijn dagboek schrijf ik heel veel over Palestina: “Onze toekomst is in Palestina.” Een van mijn eerste dagboekvermeldingen betreft een bijeenkomst van de inmiddels verboden jeugdbeweging, maar we kwamen bij elkaar thuis.’

De volgende dag had ik de club bij mij: mijn vereniging is verboden. Wij zijn sinds 14-5-1940 bezet door Duitsland en nu hebben wij jongeren van Haäwodah zich verzameld en komen elke week bij elkaar. Leden zijn: Felix Zwick, Wiet Wijler, Herman van Coevorden, Jopie Wijler, Arthur Goudsmid, Sam Bosman, Bobby Herschberg, Milly de Leeuwe, Hetty Corper, Tootje de Haas, Belia de Haas, Ruth Zwick en ik. Misschien komt Betty Posner er binnenkort nog bij. Wiet, Felix en ik zijn bestuur.2

 

Middelbare school

 

‘Ik was de enige uit mijn klas van de lagere school die toelatingsexamen deed voor de meisjes-hbs. Ik slaagde en ik mocht naar de hbs. De hbs was precies tegenover ons huis, de middelbare meisjesschool (mms).’

 

Joodse school

 

‘Ik heb drie jaar mms gedaan. In 1941 moest ik die verlaten en ik ging naar het Joods Lyceum. Dat was een echte hbs met wiskunde, trigonometrie en dat soort vakken. Dat had ik op de mss niet geleerd en daarom moest ik daar voor de tweede keer naar de derde klas. Ik zei tegen de leraar: “Dat ken ik niet, dat heb ik nog niet geleerd.” Hij zei: “Dat geeft niet, dat zul je volgend jaar wel leren.” Dus hij heeft het me niet uitgelegd. Tja, “volgend jaar”, hij was er niet en ik was er niet.

In 1941 kreeg ik voor mijn verjaardag van mijn goede vriendin Sonja Taub een dagboek. Dat heb ik bijgehouden tot 30 mei 1945.’

De originele dagboeken van Carry Ulreich
De originele dagboeken van Carry

In haar dagboek schrijft Carry op 17 december 1941:

We hebben ’n Joodse school. Het is er reuze gezellig, net ’n hele familie. Vroeger was ik aan de overkant, Witte de Withstraat 30 Rotterdam, op school, en was over naar de 4e klas Lyceum. Maar wij waren meer op talen en nu kwam er een school, H.B.S., die meer voor wiskunde doet. Toen moest ik naar de 3e. Dit is niet zo heel erg. Er gebeuren tegenwoordig nog veel ergere dingen. Zaken worden van ons Joden weggenomen en nog meer erge dingen. Maar toch is ’t jammer. Ik had anders met Wiet (een heel aardige jongen) in de klas gezeten. Maar nu zit ook in de 3e gym Sam Bosman (niet zo aardig, gaat wel, weet veel van zionisme, erg knap in zionisme). Naast me zit Clara Haagman, 17 jaar, (heel) aardig, ook zioniste. Achter me Bernard Maarssen (heel geschikt) en Ab Spanjar (zoon van Franse leraar, beetje saai).3

Klassenfoto van de derde klas hbs van het Joods Lyceum, Rotterdam, 1942. De foto komt uit de nalatenschap van Simon Hornman. Beeld: Het vergeten lyceum.Carry zit in het midden met donker truitje, rechtsachter de jongen met de bril. Rechts naast haar zit Clara Haagman, rechts vooraan zit Samuel Bosman, de broer van Tilly Bosman, Bernard Maarssen zit achter Carry, naast jongen met bril
Klassenfoto van de derde klas hbs van het Joods Lyceum, Rotterdam, 1942. De foto komt uit de nalatenschap van Simon Hornman. Beeld: Het vergeten lyceum. Carry zit in het midden met donker truitje, rechtsachter de jongen met de bril op de voorste rij. Rechts naast haar zit Clara Haagman, rechts vooraan op de eerste rij zit Samuel Bosman, de broer van Tilly Bosman, Bernard Maarssen zit achter Carry, op de achterste rij naast jongen met bril.

‘De Joodse school was erg ver weg, ergens in het oosten van de stad. Je mocht niet meer met de tram en je had geen fiets meer. In het begin mochten we nog met de tram maar later moesten we lopen.

Op het eind zei mijn moeder: “Je moet me helpen”, want we hadden geen dienstmeisje meer.

Het grootste deel van het atelier hebben we verkocht. Mijn vader hield een of twee machines achter om mee te werken. Naderhand kon dat ook niet meer en mochten klanten niet meer komen.’

Carry Ulreich
Rachel en Carry, 1939

 

Oproep

 

‘Mijn vader had nu geen bedrijf meer en was werkloos. Hij was daardoor extra kwetsbaar voor deportatie. Aan een oproep voor een werkkamp ontsnapte hij op het nippertje. Hij zei: “Nou, werken is niet zo erg.” Maar toen de oproep kwam had mijn vader opeens last van reuze reumatiek en lag hij in bed. De huisarts die kwam controleren zei: “Ik zou u aanraden om toch naar het werkkamp te gaan.” Toen zei mijn slimme moeder: “Aan welke kant staat u, aan de kant van de Duitsers of van ons?” Hij antwoordde niet maar hij schreef het ziektebewijs uit.’

 

Joodse Raad

 

Rachel Ulreich aan het begin van de oorlog
Rachel aan het begin van de oorlog

‘Om een Sperre te krijgen gingen mijn vader, zus en ik werken voor de Rotterdamse Joodse Raad. Mijn moeder was een fel tegenstander, maar wij voelden ons tijdelijk door deze Sperre beschermd.

Mijn vader kreeg een functie bij het kledingatelier van de Joodse Raad. Hij hielp degenen die een oproep tot vertrek hadden gekregen om hun kleding op orde te krijgen. Mijn zus mocht niet langer werken op het kantoor van de Vereenigde Brandstoffenhandel en zij kreeg een administratieve functie bij de Joodse Raad als typiste.

Ik kwam terecht bij de Loodsdienst. Het was mijn taak om de gedeporteerde mensen die zich verzamelden in Loods Stieltjesplein, op te vangen, koffie en thee aan te bieden en de kinderen te helpen. Zo was ik getuige van de eerste deportie op 30 juli 1942. Bij het zien van bekenden onder de gedeporteerden brak mijn zelfbeheersing en barstte ik in snikken uit.

Joodse Raad-kaart van Carry
Bewijs dat Carry een aanstelling had bij de Joodse Raad als hulp in de keuken van Loods 24

Al die kinderen met wie ik in de klas zat werden opgeroepen. Het waren goede vrienden. Het is altijd nog emotioneel.4

Later was ik koerierster. Ik bracht brieven van de Joodse Raad rond en ik moest veel lopen. Ik was ook een keer bij de Gestapo om een vergunning voor iemand aan te vragen. Een keer stond ik ergens midden op straat en ik kon niet meer lopen. Het was in mijn rug geschoten. Hoe ik thuisgekomen ben, weet ik niet meer.’

 

Naailes

 

‘We hadden een paar keer naailes van mijn vader, zo van: je kunt nooit weten, als je in een werkkamp komt, of zo, dan kun je wat naaien. Dus hij gaf ons een beetje les. Maar het was niet zo erg serieus.

Ik wilde chemie studeren. Waarom? De leraar zei tegen mijn moeder op een ouderavond: “Ze is zo getalenteerd in chemie, ze moet verder studeren.” En dat leek mij leuk.’

 

Onderduik

 

‘Mijn vader had een grote som geld neergeteld om op de Weinreb-lijst geplaatst te worden. Weinreb beweerde dat hij door goede contacten met een Duitse generaal een beperkt aantal Joden kon laten emigreren via Zuid-Frankrijk. De koffers stonden gereed en het wachten was op het vertreksignaal van Weinreb. In september 1942 leek het ervan te komen, maar het uitstel zorgde ervoor dat wij niet langer bleven wachten en zijn ondergedoken.

Mijn zuster was in die tijd verloofd met Bram de Lange uit Groningen, Hoogezand. Hij was al doctorant. En hij vroeg aan zijn mede-studenten of die misschien plaats wisten voor zijn verloofde. Toen werd er een familie gevonden, de familie Zijlmans, en die zei dat ze de verloofde wel in huis wilden nemen maar onder conditie dat ook haar ouders zouden komen, want anders wil de dochter contact zoeken met de ouders en dat was gevaarlijk.

Adriaan Zijlmans
Adriaan Zijlmans

En ik? Daar spraken ze niet over. Maar Bram zei: “In Hoogezand komen de Duitsers toch niet?” Dus ik kon rustig naar zijn ouders gaan. Ik was een hele week bij de ouders van Bram, dat was erg leuk en prettig. Maar ja, de Duitsers deden wel huiszoekingen. Toen werd de familie Zijlmans gebeld en werd gezegd dat ik niet in Hoogezand kon blijven. De familie Zijlmans zei: “Laat haar ook maar komen.” Met de trein ben ik teruggegaan naar Rotterdam en zo was ons gezin weer compleet. Halverwege 1943 kwam ook Bram bij de familie Zijlmans in de onderduik.

De familie Zijlmans was een vroom rooms-katholiek gezin. Ze hadden vier kinderen. Hun oudste zoon was als soldaat voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Nederlands Oost-Indië vertrokken en daar in Japanse krijgsgevangenschap  terechtgekomen.

Ze namen ons in huis omdat ze erg gelovig waren. Ze deden het uit liefde voor Jezus. Die liefde gaf hen de kracht dit te doen.5 Daarbij hebben ze gedacht als zij goed zijn voor ons, dan zijn de Japanners misschien ook goed voor hun gevangen zoon. Maar hij is vermoord. Dat hebben we pas na de oorlog gehoord.

Toen ik onderweg was naar de familie Zijlmans, heeft mevrouw Zijlmans een kaarsje aangestoken. Mijn moeder vroeg waarom ze dat deed. “Dat zul je wel zien. Dat is een gebed.” Iets dergelijks. Dat was een gebed dat ik goed aan zou komen. Want ze wist dat ik onderweg was.

Wij zijn de hele oorlog bij de familie Zijlmans geweest, bijna drie jaar. Als we het van tevoren geweten hadden, hadden wij het niet gedaan en zij ook niet.

Het was relatief prettig. Wij kregen de slaapkamer van de ouders en zijzelf gingen in het aardappelhok slapen. Daar hadden ze een dubbele muur gebouwd om zodoende een schuilplaats te creëren in geval van nood.

Daar hebben we ons wel eens moeten verstoppen. Je moest de kast verschuiven die voor de dubbele wand stond en het bed. Als het donker was konden we even het dak op voor een frisse neus.

Via de eerste verloofde van hun dochter, Mies (1916), hebben we het onderduikadres bij haar ouders gekregen. Er was een zoon, Bob (1918), die kunstschilder was. Hij heeft gewerkt voor een katholieke verzetsgroep waardoor hij in staat was zijn ouders en ons, de onderduikers, te voorzien van voldoende gestolen voedselbonnen. Hij had zelf op zijn atelier ook Joden verborgen, maar dat wisten we toen niet.

Bob en Adriaan Zijlmans op de tandem
Bob en vader Adriaan Zijlmans op de tandem

De jongste zoon Canis (1926) ging nog naar school. Overdag, als vader Zijlmans, Bob, Mies en Canis naar hun werk en school gingen, moesten wij ons met de nodige voorzichtigheid bewegen en onze huishoudelijke taken doen, opdat de buren er geen lucht van zouden krijgen. Ook op zondagochtend, als de familie Zijlmans de hoogmis bezocht, bleven wij in bed en trokken zelfs het toilet niet door.

We zaten de hele dag binnen, maar dat was niet zo erg. De jongste zoon was mijn leeftijd en daar kreeg ik de schoolboeken van. Ma II, zoals ik mevrouw Zijlmans noemde, zei tegen mij dat ik moest leren: “Je moet straks weer naar school.” Maar er waren ook zoveel andere dingen te doen. Er was een piano. Daar mocht ik soms op spelen. En samen met mijn ouders en Rachel speelde ik bridge.

We kregen veel boeken te lezen. Ze waren ontzettend aardig. Ze gingen naar de bibliotheek en brachten een heleboel boeken voor ons mee. Mijn vader had altijd werk. Er moest soms iets veranderd worden. Van een mantel moest een rok gemaakt worden of een bloesje. Dat deed hij voor de hele familie. Maandags werd er gewassen en dan moest mijn vader wringen, en we moesten aardappels schillen, elke dag wel 10. We waren bezig. Als mijn zuster te veel sprak zei moeder: “Rachel, heb je geen boek?”

Radio’s waren verboden, maar we hadden soms wel twee of drie radio’s. We wisten wat er gebeurde. Mijn ouders hoorden nieuwsberichten, uit Polen of van de BBC, of via Radio Oranje.’

 

Discussies

 

‘Er waren heel veel debatten over religie tussen ons en de familie Zijlmans. Tot op een bepaalde dag zei pa Zijlmans: “Dus als Jezus geen God was, dan was hij een bedrieger.” Toen zei mijn vader: “Stop. Spreek niet verder.” Of zoiets. “Want als Jezus een bedrieger was, waarom heb jij ons dan genomen?”

Ze wilden mij graag meenemen naar de kerk, naar de mis, en Kerstmis. Mijn vader zei: “Nee, dat is te gevaarlijk.” Het was misschien ook gevaarlijk, en je wordt toch gauw beïnvloed. Er werd altijd gebeden voor het eten en daar zaten we rustig bij.

Pa Zijlmans werkte bij een bank en kreeg salaris. Hij gaf zijn vrouw wekelijks of maandelijks een som geld en het verschil dat betaalden wij. Maar ze hebben het niet voor het geld gedaan.

Wat hadden wel een heleboel stoffen bij de familie Zijlmans. Soms ging een van de kinderen Zijlmans naar ons huis en haalde uit ons huis stoffen, of dekens of kleren en stopte die in een koffer. Ons huis stond tegenover een school, en elke keer als er een tram voorbij ging, kwam hij – ongezien – met koffer uit ons huis en ging dan naar zijn eigen huis terug.

Er waren natuurlijk ook spanningen met de familie Zijlmans. Ze aten ’s avonds pap dat ze ons niet gaven. Zulke dingen. Ze lieten dan de vuile borden staan voor ons. Of mijn moeder kwam naar beneden om stof af te nemen en ma II zat daar de krant te lezen. Mijn moeder moest net als een dienstmeisje eventjes de kamer opruimen. En je kunt niets zeggen natuurlijk. We waren toch in een afhankelijke positie en geen gelijke partijen. Een keer ben ik echt boos geweest in mijn dagboek.’

 

Noodgevallen

 

‘Mijn moeder had last van de overgang. Ze verloor een heleboel bloed. Toen is ze naar een dokter gegaan en die heeft haar een medicijn gegeven wat hielp. Ook in andere noodgevallen gingen we weleens de deur uit. Zo ben ik ook enkele malen naar de tandarts toe gegaan. Hij was een kennis van een van de zonen en stelde geen vragen.

Ik had een vals persoonsbewijs en mijn naam was Liesje Akkerman.’

 

Bevrijding

 

‘Na de bevrijding gingen we naar de buren toe die beneden woonden. We zeiden: “We zijn al drie jaar jullie buren.” “Waar wonen jullie dan?” was de vraag. Wij vertelden dat we ondergedoken waren bij de familie Zijlmans. De onderburen hebben al die jaren van niets geweten.

We vierden de bevrijding met echte vooroorlogse sigaretten en sigaren, speciaal bewaard voor die dag. We dronken echte thee met suiker en namen daarna een borreltje. Bram speelde het Wilhelmus en wij zongen. Vervolgens speelde hij het Hatikva. Dat was heel indrukwekkend. Ik begon te huilen.

We hebben altijd contact met de familie Zijlmans gehouden en in 1977 kregen ze van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Caroline Mass Carry Ulreich Boomplantceremonie ter ere van de familie Zijlmans bij Yad Vashem, 25 juli 1977
Boomplantceremonie ter ere van de familie Zijlmans bij Yad Vashem, 25 juli 1977. Beeld: Yad Vashem Righteous Among The Nations Collection, 14480518

We bleven nog een maand bij de familie, want we konden niet terug naar ons huis in de Witte de Withstraat. Daar woonden inmiddels meerdere gezinnen en die kon je niet uit huis zetten. Dus we zochten een woning. We hebben een mooie woning gekregen aan de Mathenesserlaan: drie gemeubileerde kamers bij een oudere dame die twee verdiepingen had. Naderhand is die dame overleden. Toen kregen we de hele woning. Vader heeft nog een beetje gewerkt. Maar een paar jaar, want in 1949 zijn ze naar Israël gekomen.’

 

Joodse Brigade

 

‘In juni ging ik terug naar de mms. In één maand heb ik de vierde klas gedaan. Die andere leerlingen hadden ook niet zoveel geleerd tijdens de oorlog. Het voelde als vanouds. Dus de vierde klas heb ik zo gedaan en toen kwam ik in de vijfde en laatste klas.

De synagoge werd opnieuw geopend. Mijn ouders gingen er op Sjabbat naar toe. Ze kwamen thuis en vertelden heel enthousiast dat ze daar Joodse soldaten uit Palestina hadden ontmoet. Ongelovig zei ik: “Joodse soldaten uit Canada of Amerika zeker.” Maar nee, ze kwamen echt uit Palestina. Ze kwamen ons vaak bezoeken, want wij waren het enige “echte” gezin met ouders en kinderen. Ze brachten thee, suiker en ander voedsel mee. Ze hadden een tweede thuis bij ons, want mijn moeder was erg gastvrij. Er waren soldaten bij die Pools spraken en mijn moeder sprak dat ook. Ze voerden hele debatten. Het was erg leuk.

Mijn zus Rachel, die ook een dagboek bijhield, schreef over deze Joodse Brigade-soldaten: “En ja hoor, even voor Rosj Hasjana zag je ze lopen in de stad en al gauw kwamen ze bij ons. Ze zaten eerst in Delft, waar ze heel trots Duitse krijgsgevangenen de sjoel lieten schoonmaken.”

De Joodse Brigade laat Duitse krijgsgevangene de synagoge in Delft schoonmaken. Beeld: Yad Vashem, 4620/2729
De Joodse Brigade laat Duitse krijgsgevangenen de synagoge in Delft schoonmaken. Beeld: Yad Vashem, 4620/2729

Deze soldaten wilden de jeugd, overeenkomstig hun zionistische overtuiging, enthousiast maken voor emigratie naar Palestina. Door middel van jeugdactiviteiten hadden ze een grote impact op ons. We kregen ook Hebreeuwse les van die soldaten. We waren met ongeveer tien jonge mensen, overlevenden van de concentratiekampen of onderduik. Het vervelende was dat die soldaten niet lang in Holland bleven, maar doorgestuurd werden naar België of Frankrijk. Zo begonnen we iedere keer opnieuw met dezelfde grammatica. Daar had ik geen tijd voor, want ik leerde voor mijn eindexamen en had nog veel in te halen. Dus ging ik niet naar de nieuwe leraar Hebreeuws. Mijn zuster ging wel en ze vertelde me later dat er nu zo’n goede en aardige leraar was. Dus ging ik de tweede keer wel. En zo ontmoette ik mijn toekomstige man Jonathan Mass.

Jonathan gaf direct aan ieder meisje een Hebreeuwse naam. Toosje werd Tirtsa, Hannele werd Chana en hij noemde mij Carmela. Dat sprak mij reuze aan. Vanaf die tijd was ik Carmela. Na zes weken zijn we verloofd.

Jonathan was in 1922 in Berlijn geboren. Hij is met zijn ouders  in 1933 naar Palestina gegaan. Jonathan was werktuigbouwkundig ingenieur. Hij had gestudeerd aan de Technion in Haifa. Direct nadat hij zijn diploma had gehaald, is hij naar the Joodse Brigade gegaan. Hij heeft mijn ouders zijn diploma laten zien. Mijn ouders hadden kennissen in Erets Jisraël, waaronder een hele goede vriendin van mijn moeder, en mijn ouders hebben via hen informatie ingewonnen over Jonathan.’

 

Verloving, eindexamen, huwelijk, choepa

 

Carry en Jonathan Mass, een dag na hun choepa in België
Carmela en Jonathan Mass in België, een dag na hun choepa

‘In februari 1946 zijn we officieel verloofd. Ik was nog op school en ik wilde die afmaken. Het was toen zo in Nederland dat als een lerares trouwde, ze moest ophouden met werken. En een leerling die ging trouwen, dat bestond gewoon niet.

Voor mijn Palestina-certificaat moest ik officieel trouwen. Op een dag in mei gingen we naar het gemeentehuis en trouwden we voor de wet. Als uitje gingen we de telefooncentrale bezoeken. Dat vond mijn man interessant.

Mijn eindexamenuitreiking was op Sjabbat 29 juni en ik kreeg een goed diploma. De dag daarop hadden we onze choepa (religieus huwelijk). Er was een witte jurk beschikbaar. Iedereen trouwde in diezelfde witte jurk. Ik zei: “Ik trouw niet in die jurk!” Toen heeft mijn vader voor mij een mantelpak gemaakt, dat ik nog vele jaren gedragen heb. Hij maakte dat van een van de stoffen die mijn vader bewaard had en die ik zo mooi vond.

Mijn man moest demobiliseren. Hij moest terug naar Palestina. Op zondag was de choepa en dinsdag was hij al weg. Ik ging terug naar mijn ouders in Rotterdam. Ik ben daar gebleven tot ik bericht kreeg dat er van Marseille een brides boat naar Erets Jisraël ging.

Aankondiging bruiloft van Rachel en Bram en Carry en Jonathan, NIW, 21 juni 1946
Aankondiging bruiloft van Rachel en Bram en Carry en Jonathan op 30 juni 1946, NIW, 21 juni 1946

Aanvankelijk waren de choepot van Rachel en Bram en van Jonathan en mij op dezelfde dag (30 juni) gepland. Maar Bram kreeg hersenvliesontsteking en hun choepa kon niet doorgaan. Hij is gestorven in oktober 1946. Na zijn overlijden zette Rachel zich in voor het weer opbouwen van de zionistische jeugdbeweging in Rotterdam Hazair Hechaloets samen met Hannele Franken. De soldaten van de Joodse Brigade hielpen de bijeenkomsten te organiseren en gaven lessen Hebreeuws.’

 

‘Bruiden’-Boot

 

‘Ik scheepte mij in naar Palestina op de ‘Bruiden’-Boot. Onderweg naar Erets Jisraël kon ik niet van boord als we een haven invoeren. Er waren namelijk ook illegale meisjes aan boord. En wanneer ze aan wal zouden gaan zou de kans bestaan dat ze hun paspoort zouden moeten laten zien.

Bomaanslag op de King David Hotel, 1946. Beeld: Wikimedia Commons
Bomaanslag op de King David Hotel, 1946. Beeld: Wikimedia Commons

Ongeveer drie weken later kwam ik op 22 juli 1946 in Jeruzalem aan, precies op de dag van de bomaanslag op het King David Hotel. Daarmee was ik middenin het conflict terecht gekomen tussen de Joodse en Arabische gemeenschap en de Britste gezaghebbers over de toekomst van het Mandaatsgebied Palestina. Mijn man kwam me halen.

In Jeruzalem werd ik heel hartelijk ontvangen door mijn schoonouders. Mijn man gebruikte zijn ervaring die hij had opgedaan bij de Joodse Brigade bij de strijd rond de onafhankelijkheid van de staat Israël. Hij was majoor in het leger. Zijn enige broer, Dani, leidde een eenheid van de Palmach. Hij sneuvelde bij een gevecht op 16 januari 1948. Ik heb Dani slechts enkele keren ontmoet, want de Engelsen zochten hem. Het was een hele moeilijke tijd. Voor mij waren de Engelsen bevrijders, en hier in Israël waren ze de bezetters. Ik vond het moeilijk te begrijpen.’

 

Erets Jisraël

 

Bericht geboorte Eva, dochter van Carmela en Jonathan, NIW 25 mei 1947
Bericht geboorte Eva, dochter van Carmela en Jonathan, NIW 25 mei 1947

‘We hebben een jaar bij mijn schoonouders in Jeruzalem in huis gewoond. Naderhand kreeg mijn man werk op het vliegveld en verhuisden we. Na de geboorte van mijn eerste kind, een dochter, in 1947, volgden twee zoons in 1949 en 1952.

Mijn zus probeerde in 1947 illegaal Erets Jisraël te bereiken en was aan boord van de Theodor Herzl. Op 13 april werden de opvarenden door de Britten naar een interneringskamp op Cyprus gebracht. Op Cyprus deed ze ervaring op als verpleegster. Door een truc wist ze, nog voor de uitroeping van de staat Israël, van Cyprus af te komen. De Britten gaven moeders met kinderen verlof te vertrekken en mijn zus regelde met de moeder van een tweeling dat zij een van hen onder haar hoede zou nemen. Zo arriveerde ze in de haven van Haifa.

Gustav en Anna Fany in Jeruzalem
Moeder Anna Fany en vader Gustav na hun aankomst in Israël

In 1949 kwamen mijn ouders in Jeruzalem wonen waar mijn vader stierf in 1960. Wij gingen in dat jaar naar Parijs voor de studie van mijn man. We bleven drie jaar weg. Daarom ging mijn moeder naar Brazilië, waar mijn zus toen woonde. Later verhuisde ze naar Haifa. Ze is in 1986 overleden.

Mijn zuster is in 1952 in Israël met een ingenieur getrouwd en heeft twee kinderen gekregen. In 1958 vertelde mijn zuster dat zij en haar gezin naar Brazilië wilde gaan, omdat hij zijn hele familie daar heeft, en omdat hij bang was voor al die oorlogen hier. Zij wilde niet echt, maar ze is met haar man meegegaan naar Brazilië. Dat was erg moeilijk voor mijn ouders. Ze waren hier in Israël gekomen voor hun dochters en kleinkinderen. In Nederland hadden ze de taal, de existentie, en hier niet zo erg.’

 

‘Het verhaal van Anne Frank, maar dan met een happy end’

 

‘Toen ik 85 jaar was haalde ik mijn dagboek weer tevoorschijn en dacht: het wordt tijd dat alle kinderen en kleinkinderen het lezen.’

De Nederlandse en vertaalde edities van ‘’s Nachts droom ik van vrede'
De Nederlandse en vertaalde edities van ‘’s Nachts droom ik van vrede’

De publicatie van haar dagboek, dat bezorgd werd door dr. Bart Wallet en in 2016 bij uitgeverij Mozaïek verscheen onder de titel ’s Nachts droom ik van vrede, kreeg wereldwijd veel pers en vertaalrechten werden verkocht aan Duitsland, Spanje, Italië en Portugal.

Carmela met dagboeken in Israël
Carmela met haar dagboeken in Israël

Carmela Mass is op 31 januari 2019 overleden.

___________________

Noten

 

  1. Dagboek Rachel Ulreich, 4 mei 1941.
  2. Carry Ulreich. ’s Nachts droom ik van vrede. Oorlogsdagboek 1941-1945 (Zoetermeer, 2016) p. 15.
  3. Ibid., p. 16.
  4. Monique van HoogstratenHet verhaal van Anne Frank, maar dan met een happy end’,
  5. Interview met Carmela Mass in Israël Aktueel, december 2016.
Deel deze pagina