
‘Ik ben in Amsterdam geboren op 3 juni 1929. Ik heet oorspronkelijk Abraham Samuel Reiner. Mijn vader, Josef Reiner, en mijn moeder, Lea Reiner-Goldberg, waren Oost-Europese traditionele Joden. Ze kwamen allebei uit Krakau. Ze zorgden voor onze uitmuntende Joodse opvoeding. Hebreeuws, Tenach, Misjna, Gemarah (Talmoed).
We gingen een tijd lang naar een synagoge van Oost-Joodse immigranten in de Swammerdamstraat. Mijn vader had samen met een oom van mij, oom Moishe Obstfeld getrouwd met Renée Reiner, een zus van mijn vader, de schoen- en pantoffelfabriek Rynco aan de Nieuwe Uilenburgerstraat.’1

Anne Frank
‘Vanaf mijn vierde jaar heb ik fröbelonderwijs genoten. Daarna bezocht ik de 6e Montessorischool aan de Niersstraat. Vele tientallen jaren later heb ik besloten om voor onze kinderen en kleinkinderen een video te maken over ons verleden. We zijn toen teruggegaan naar dat schoolgebouw. Het was niet veranderd. Er waren in mijn jeugd gietijzeren hekken. Ze waren destijds zilverkleurig geverfd en dat waren ze nog steeds. Ook de leermiddelen waren hetzelfde gebleven. Er waren oranje bolletjes om de getallen te leren. Ze hadden ook kubussen waarmee je onder andere kon leren wat een vierkant was.

Bij het maken van de video hebben we alle medewerking gekregen van de leiding van de school, die nu naar Anne Frank vernoemd is. Ik heb vanaf mijn vierde tot mijn elfde jaar samen met Anne op school gezeten. Dus zowel op de fröbelschool als op de lagere school. Ook mijn pleegbroer en neef Sol Kimmel heeft haar goed gekend. Anne was een beetje verliefd op hem en schrijft dat in haar dagboek. Sol wist daar niets van. Tot 1943 ben ik op de Joodse HBS geweest.’

Jeugdsjoel in de Coöperatiehof

‘Op mijn zevende of achtste jaar was er een bijeenkomst van een groep in een gebouw in het Coöperatiehof. Die groep zou uitgroeien tot een (gematigd) orthodoxe Joodse jeugdvereniging. Er werd bijvoorbeeld Toe Bisjvat (Nieuwjaar van de bomen) gevierd. We kregen toen een zakje met fruit en noten. Er was daar ook een jeugdsjoel.
Heel lang was er geen echte synagoge in de buurt waar wij woonden. De dichtstbijzijnde was in de Gerard Doustraat. Pas veel later is de Lekstraatsynagoge in de Rivierenbuurt gebouwd. Terwijl dat gebeurde was er tijdelijk dienst in een autogarage in de Waalstraat. De Lekstraatsynagoge werd gedomineerd door mensen die tot de Agoeda-beweging hoorden. Die waren echter veel minder extreem dan tegenwoordig het geval is.
Ik herinner me dat daar op een Jom Kipoer (Grote Verzoendag) een meisje flauwviel. Een zeer orthodoxe man belde toen de dokter. Zo heb ik geleerd dat als iemands leven in gevaar is, je de Joodse wetten van de Sjabbat en feestdagen mag overtreden.’

Onderduik

‘Mijn vader was in de oorlog tot de conclusie gekomen dat de situatie onhoudbaar was. Hij kwam in contact met een verzetsleider die ons bij het onderduiken geholpen heeft. Dat was meneer “De Groot”, oftewel Johannes Post. We hebben geluk gehad. Onze buurman, huisarts De Clercq Zubli2 intervenieerde enkele minuten voordat wij uit ons huis gehaald zouden worden in de ingang van de huisdeur. Hij verklaarde dat mijn broer Marco roodvonk had. Door deze mededeling lieten de Duitsers en hun Nederlandse handlangers ons even met rust. Lang genoeg om weg te kunnen komen.’
Johannes Post zorgde voor plaats in Moscou, ten zuiden van Hollandscheveld, in zijn ouderlijke woning aan Zuideropgaande 154, bij Jan en Jo van der Helm.

‘We zijn ongeveer twintig maanden ondergedoken geweest. Mijn neef Sol zat eerst bij de ouders van Jo. Dat was maar 300 meter bij ons vandaan, maar dat wisten wij niet van elkaar. Op een gegeven dag is hij bij ons gekomen.
Voor mijn onderduik had ik anderhalf jaar hbs gehad. Mijn neef Sol en ik speelden schaak. We hadden een Engels leerboek getiteld Teach Yourself English. Alle fouten die ik maak komen uit die tijd, al is mijn Engels niet slecht. We hadden ook een Duits boek met Gotische letters zodat ik tot vandaag Gotisch kan lezen.
Dat Duitse boek heette Planimetrie en ging over meetkunde. Het bevatte vragen en antwoorden. Omdat ik niets anders te lezen had heb ik het een aantal keren, samen met Sol, van begin tot eind gelezen. We hebben het boek vele keren opnieuw doorgenomen.’
Dat er behoefte was aan lesmateriaal blijkt ook uit het dagboek van verzetsman Arnold Douwes, de rechterhand van Johannes Post. Hij noteerde:
‘Vrijdag, 28 Juli ’44. (-) Op Moscou even aan geweest bij J. v.d. Helm (die met een nichtje van Johannes Post getrouwd is), er zijn daar 5 Joden in huis: man, vrouw, 2 zoons en een neef. Van de Joden kreeg ik een paar nieuwe pantoffels. Ze wilden graag weer studieboeken hebben voor de jongens: Meetkunde, Aardrijkskunde en Geschiedenis.’3
Kennelijk had vader Josef pantoffels uit zijn fabriek meegenomen om als ruilmiddel te gebruiken.
Verraad
‘Ik praat niet graag over de oorlog. Mijn moeder, mijn neef Sol en jongere broer Marco zijn teruggekeerd maar mijn vader is helaas vermoord.’
In het boek van Albert Metselaar over Jo Moes wordt nauwgezet beschreven wat er op de boerderij van Jo en Jan Moes gebeurde:4
Op 7 februari 1945 stonden ’s ochtends twee Landwachters bij Jan van der Helm aan de deur. Ze vorderden zijn paardetuig voor het Duitse leger. Hij gaf het met tegenzin af. Toen ze vroegen wat er in huis gaande was – de deur zat op slot, maar er liep iemand – sloeg Jan op de vlucht. Hij rende weg, maar werd door een van de Landwachters neergeschoten.
Zijn vlucht had de beide Landwachters alleen maar gesterkt in hun vermoedens dat er onderduikers waren op de boerderij. Tal van Landwachters uit Moscou en omgeving en een groep soldaten omsingelden de boerderij. Ze kamden hem helemaal uit.
Ab: ‘Mijn vader heeft ons nog verstopt voordat hij de deur opende. Wij zaten in de kelder schuin onder de kamer waar mijn vader werd verhoord. Ze ontaarden in bruut geweld. Mijn vader werd doodgeschoten omdat hij niets bekende – ook niet of er anderen verborgen zaten. Direct daarna werden wij gevonden. Iemand heeft toen een salvo in de kelder afgevuurd en ik werd in mijn been geraakt. Ik ben daarna in elkaar gezakt in de oostelijke kamer en werd na aankomst van huisarts Reynierse in die kamer verbonden en gespalkt.’
Op aandringen van huisarts Reynierse werd Ab overgebracht naar het ziekenhuis in Hoogeveen, waar hij maar een paar uur mocht verblijven. Toen werd hij gevangen gezet en op 9 februari 1945 samen met Sol, Lea en Marco naar Westerbork afgevoerd.

Ab: ‘Veel later keerde ik met mijn kinderen en kleinkinderen terug naar de plek waar we hadden ondergedoken gezeten. De trap naar de kelder, waar we ons hadden verscholen, ging ik niet meer af.’
Na de oorlog
‘Na de oorlog hebben Sol en ik onze middelbare school afgemaakt op de hbs. Ik had geen Nederlandse boeken gelezen en kon de taal dus niet schrijven. Nu nog maak ik fouten als ik Nederlands schrijf.
Deze hbs noemden we de “Houten H”. Officieel heette de school de Vierde Vijf, gevestigd in een houten gebouw aan de Amstelkade. Later was de school tijdelijk ingekwartierd in het gebouw van het Vossius Gymnasium. Ik was daar leerling gedurende 1945-1946 en 1946-1947.
Sol zat in de vierde klas, en ik in de derde. De directeur van de hbs kwam op een dag de klas binnen en vroeg mij: “Ab, wil jij niet ook naar de vierde klas gaan?” Ik antwoordde: “Ja.” Hij zei: “Pak je spullen maar.” Zo kwam ik in de vierde klas, zij het niet dezelfde waar Sol in zat.
De eerste dag dat ik in die klas zat zei de leraar: “We doen een examen over de planimetrie.” Ik vroeg: “Mag ik meedoen?” De man moet gedacht hebben: die is gek. Ik gaf hem het examen na twintig minuten. De leraar zei: “Je hebt een boek voor je gehad.” Ik antwoordde: “Toen de directeur mij riep kon ik toch niet weten naar welke klas ik zou gaan?” Ik had al mijn kennis uit het Duitse boek in de oorlog opgedaan.’
Hebreeuws
‘Na de oorlog werd er opnieuw jeugdsjoel gehouden. Die vond plaats in het bijlokaal van de Lekstraatsynagoge. In onze vooroorlogse jeugdsjoel werd de dienst in de zogenaamde Asjkenazische uitspraak gedaan. Dat was in Amsterdam gebruikelijk. Na de oorlog werden de diensten in de Hebreeuwse uitspraak gehouden zoals die in Israël gebezigd wordt.
Sol en ik spraken Ivriet toen we een jaar of elf, twaalf waren. We hadden tot in de oorlog daarin les van Leo Seeligmann die later hoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem geworden is.
Na de oorlog waren we onder de eerste leerlingen van de heer Jitschak Mundsztuk, een groot kenner van de Hebreeuwse taal. We hebben veel van hem geleerd, waaronder uitstekende Hebreeuwse grammatica. Dankzij hem ken ik die beter dan de meeste Israëliërs. Hij heeft een enorme invloed gehad op de kennis van vele Joodse jongeren, vooral uit Amsterdam.’
Sjear Jasjoew

‘Ik ging na de oorlog naar de Joodse jeugdbeweging Sjear Jasjoew. Later ging die in Haboniem over. Het is moeilijk je nu voor te stellen hoeveel energie de weinige Joodse jongeren hadden die de oorlog overleefd hadden. Ik denk dat we met een man of zestig, zeventig waren. Die zijn bijna allemaal in Israël terechtgekomen. Mijn broer Marco ging naar Tikwatenoe.
We hadden onze bijeenkomsten uitgaande Sjabbat in een gebouw aan de Johannes Vermeerstraat. Sol en ik zijn vrijwel onmiddellijk overgegaan van jeugdbeweger naar leider. Wij kregen algauw ook de leiding van de jeugdsjoel. Jongens en meisjes zaten apart, maar er was geen gordijn of afscheiding tussen hen zoals het geval is in gewone orthodoxe synagoges.
Op Sjavoeot (Wekenfeest) wordt het Sjir haSjiriem (het Hooglied) gezongen. Ik was negentien jaar en verliefd op een meisje van vijftien jaar, Naomi Tal. Ik zong deze Bijbelse tekst tweestemmig; dus zowel met de stem van de jongen als van het meisje. Ik wilde indruk op haar maken. Omdat ik zo goed Ivriet kende, kon ik dat doen. Ik ben later met Naomi getrouwd. Een heleboel van de jeugdbewegers zijn onder elkaar getrouwd.’

Studeren

‘Zoals gezegd waren mijn vader en mijn oom compagnons in de fabriek. Toen mijn oom er na de oorlog alleen voor stond, drong hij erop aan dat Sol en ik in de fabriek zouden werken en toezicht zouden houden. We studeerden een halve dag aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. De andere helft van de dag werkten we. De een werkte van zeven uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags. De ander van één uur ’s middags tot vijf uur. Zelfs in de stromende regen fietsten we naar de fabriek. Het was geen makkelijke taak. Er waren in de fabriek ongeveer honderdtien werknemers. Ik herinner me dat we het leer van de vrachtauto naar het magazijn brachten. De arbeiders kwamen het daar ophalen met een briefje van hun baas. Mijn oom was achterdochtig; hij dacht dat er uit het magazijn werd gestolen.’5

Studie wiskunde en trouwen
‘Ik ben in 1947 wiskunde gaan studeren. In 1952 zijn Naomi en ik getrouwd. Eerst woonden we in bij de ouders van mijn vrouw. Daarna huurden we een etage aan de Amstel bij de eigenaar van het Theater Carré, vlak bij de Voormalige Stadstimmertuin.
Elke vrijdag kwamen tien grotendeels ouderloze jongeren bij ons eten. Om de beurt zorgden twee deelnemers voor het eten. Het waren uitstekende maaltijden. We hebben heel wat af gelachen. Wij baseerden ons niet op de grote Joodse historicus uit de Romeinse tijd Flavius Josephus, maar op de grootste Romeinse vreetzak. Wij noemden hem Flavius Lucullus.
Ik heb een doctoraat wiskunde gedaan. Daarna ben ik natuurkunde gaan studeren. Ik was de enige Joodse student in mijn jaargang in die vakgroep.’
NZSO
‘Ik werd lid van de NZSO en na een paar jaar voorzitter van die vereniging. Als je lid wilde worden kreeg je een jaar om te beginnen met het leren van Hebreeuws. Als je geen Hebreeuws leerde werd je eruit gegooid.
Op de NZSO hebben we op een van de lustra een Israëlisch toneelstuk opgevoerd: Een koning van vlees en bloed van Moshe Shamir, over de Chasmonese koning Alexander Yanay. Op een ander lustrum voerde de NZSO in die tijd toneelstukken op in de Stadsschouwburg. Eén daarvan was Jeremias van Stefan Zweig. Ook voerden we Herodes van Abel Herzberg op.
Wij hadden niet veel op met de Nederlandse Zionistenbond (NZB). Hun voorzitter wilde verschrikkelijk graag bij de NZSO spreken. Wij hadden geen zin om zeurpraatjes aan te horen. Een keer hebben we een grap met hem uitgehaald en gezegd dat hij uitgenodigd was op 1 april te komen spreken.
Ons bestuur nodigde eens in de zoveel tijd gastsprekers uit. Een van hen was de voormalige Nederlandse ambassadeur in Saoedi-Arabië. Ik dacht dat die man ontzettend pro-Arabisch was. Hij vertelde wat er gebeurd was in de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 en daarna. Ik ben vele malen opgestaan en heb geroepen: “Dat is niet waar.” We durfden wel wat om die man zo tegen te spreken.
De NZSO had afdelingen in Amsterdam, Leiden, Utrecht, Delft, en Groningen. Die afdelingen deden soms dingen samen. Ik meen dat ik voorzitter van de NZSO was tot de dag dat we op Alijah gingen, 10 februari 1959. We gingen met de trein naar Marseille en scheepten ons in. Op 15 februari zijn we in Haifa aangekomen. In Israël ben ik hoogleraar natuurkunde aan het Weizmann Instituut geworden.’
Ab Rinat is in 2025 overleden.

__________
Noten
- In 1935 werd de schoenfabriek Rynco gevestigd in het grote fabrieksgebouw van de diamantslijperij Boas. Men legde zich daar speciaal toe op de fabricatie van kameelhaar- en viltpantoffels. De fabriek groeide uit tot een middelgroot bedrijf met ongeveer honderdvijftig werknemers en moderne machines; men mikte op een aanzienlijke dagproductie van drieduizend paren pantoffels. Bron: Het Volk, 12 januari 1935.
Het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond meldt op 18 januari 1935 dat de vestiging van de fabriek plaats vond in een tijd waarin de diamantindustrie in Amsterdam onder druk stond. Zoals destijds werd geschreven, was het niet zozeer een plotseling verdwijnen van de fabriek Boas, maar eerder een teken van de geleidelijke aftakeling van de nijverheid: een deel van het gebouw kreeg een nieuwe bestemming, terwijl een ander deel diamantslijperij bleef.
- Julius De Clercq Zubli is in 2001 door Yad Vashem erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren.
- Albert Metselaar, Jo Moes en het driedubbele drama van Moscou, Hoogeveen, 2022.
- Ibid.
- Dat was voor de oorlog daadwerkelijk gebeurd: gedurende langere tijd werden voor aanzienlijke bedragen leren vellen ontvreemd door de magazijnchef, met hulp van een knecht en een opkoper, totdat zij door de politie werden aangehouden en een deel van het leer werd teruggevonden. Bron: Nieuwe Leidsche Courant, 28 april 1939.