
‘Mijn naam is Robert Reinier Heiden Heimer, geboren 23 juni 1927 in De Lairessestraat in Amsterdam. Mijn vader Hermann Leopold Heiden-Heimer was jurist. Hij werd in Mainz geboren in 1897 en kwam in 1921 naar Amsterdam om te werken op een kantoor van de firma Adler & Oppenheimer. Mijn overgrootvader had dit bedrijf samen met zijn zwager in 1872 in Straatsburg opgericht.
In 1927 verliet mijn vader deze firma en werd hij onderdirecteur bij de Hugo Kaufmann-bank.1 Wij verhuisden toen naar de Breughelstraat.

Mijn moeder, Anna Maria Deutsch, werd in Frankfurt geboren in 1902 en is in 1923 “naar Nederland getrouwd”. Mijn zuster Carola Clementine werd geboren in Amsterdam op 4 november 1924. Ze werd Carla genoemd.
Wij aten niet koosjer en vierden alleen de hoge Joodse feestdagen. De kerstboom was er “wegens het dienstmeisje” (In Duitsland werd een kerstboom niet als een religieus symbool beschouwd). Ik ben mij er pas veel later bewust van geworden dat hun vriendenkring in de eerste plaats uit uit Duitsland afkomstige Joodse families bestond. In 1933 hebben mijn zuster en ik aan mijn ouders verklaard, dat als zij op straat Duits met elkaar zouden spreken, wij hen niet zouden kennen.

Van 1932 tot 1936 woonden wij in Naarden waar we een Frans-Zwitserse au pair-juffrouw hadden om ons Frans te leren. Nadat mijn vader longontsteking had opgelopen gingen we terug naar Amsterdam en woonden aan de Minervalaan 90. Mijn zus en ik hadden een onbezorgde jeugd en we waren een gelukkig gezin.’

Liberaal Joodse Gemeente

‘Mijn ouders werden lid van de Liberaal Joodse Gemeente toen die in begin jaren dertig in Amsterdam werd gesticht. In Amsterdam waren het eigenlijk in hoofdzaak Joden die uit Duitsland gekomen waren die het liberale Jodendom in Duitsland hadden gekend.
Op de hoge feestdagen ging mijn vader te voet van de Minervalaan naar de Tolstraat-synagoge met zijn hoge hoed in een koffertje, want hij wilde niet dat op zijn feestdag iemand anders voor hem moest werken.’
Vakanties in Duitsland

‘Zowel de moeder van mijn vader, Omi, als de ouders van mijn moeder, opa Otto N. Deutsch en oma Bertha Deutsch woonden in Frankfurt. Daar gingen wij in de vakanties vaak naar toe.
Toen oma Bertha op 4 november 1938 stierf ging mijn moeder naar Frankfurt om bij de begrafenis aanwezig te zijn en ondervond aan den lijve de Kristallnacht van 8 november.
Opa Deutsch kwam, nadat hij van al zijn bezittingen was beroofd, naar Amsterdam om dicht bij zijn beide dochters te wonen. Hij stierf in 1940. Ook Omi, de moeder van vader, verliet Frankfurt nadat haar villa door de nazi’s in beslag was genomen en kwam bij ons in de buurt in Amsterdam wonen, wachtend op haar Amerikaanse visum. Begin 1940 kon zij naar Amerika emigreren en heeft zo de oorlog overleefd.’
Openluchtschool voor het gezonde kind, Cliostraat, Amsterdam
‘In Amsterdam ging ik naar de Openluchtschool voor het gezonde kind. In 1930 was het schoolgebouw opgeleverd. Het was een uitstekende school. Het schoolgebouw was een revolutionair gebouw. De klassen waren vijfhoekig. Eén kant was de kant van de ingang. De vier andere wanden bestonden uit ramen. De ramen waar geen wind op stond waren steeds open open zodat de kinderen in een frisse lucht zaten.

Van mijn klas was ongeveer 30 procent Joods. De meesten daarvan zijn omgekomen. Toen de school zeventig jaar bestond, hebben we een reünie gehad in Amsterdam. De oud-leerlingen zijn over de hele wereld verspreid.’
Joodse les

‘Onze opvoeding was algemeen beschaafd Nederlands, seculier, met een vleugje Jodendom. Mijn zuster en ik kregen Joodse les van een orthodox Duits Joodse dame. Ze woonde aan het Olympiaplein met twee kinderen. Zij maakte ons met de grondbeginselen van het Jodendom vertrouwd. Dat was voor mij de eerste introductie tot het Jodendom. Zij heeft ons de principes van het Jodendom heel goed geleerd. Daar ben ik haar mijn hele leven dankbaar voor gebleven.
Mijn vader probeerde altijd mensen te helpen die het erg moeilijk hadden. Om haar financieel te steunen liet hij ons bij haar op les gaan.
Wij behoorden tot de zogenoemde ‘drie-dagjes-mensen’ in de liberale synagoge. Voor de seder waren wij te gast bij orthodoxe kennissen van mijn ouders.
Mijn vader had sympathie voor het zionisme. De vader van mijn beste vriend Daan Kan, Marinus Kan, was in de jaren veertig voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond.’
Barlaeus Gymnasium – Joods Lyceum
‘Na de lagere school ging ik naar het Barlaeus Gymnasium en in de oorlog naar het Joods Lyceum.
Midden in de vierde klas van het Joods Lyceum ben ik van school gegaan om een zogenaamd beschermd baantje te zoeken. Ik werkte als ordonnans bij de Joodse gemeente. Dat waren van die baantjes die je aan een jongen van vijftien of zestien kon geven. Ik moet vijftien zijn geweest, want het moet vóór juni 1943 zijn geweest.’
Jacques Presser
‘Mijn lievelingsleraar op het lyceum was Jacques Presser. Hij is voor ons een grote steun geweest. Wij leefden in de kunst en in de positieve aspecten van de geschiedenis. Voor mij is het Joods Lyceum een bijzondere belevenis geweest. Ik weet dat dit niet voor iedereen zo was.
Op het Joods Lyceum had hij een reeks culturele lezingen georganiseerd, die voor alle leerlingen toegankelijk waren, ongeacht de klas waarin zij zaten. Na de oorlog heeft hij deze reeks als hoogleraar aan de universiteit voortgezet, nu voor alle studenten, ongeacht hun studierichting. Ik was een van de weinigen in de zaal die wisten waar hij bij de laatste lezing op het Joods Lyceum was gebleven, en dat dit college daar direct op aansloot.’
Bar mitswa
‘Ik werd in juni 1940 bar mitsva in de Tolstraat-synagoge bij de Liberaal Joodse Gemeente. Daar voelde ik me thuis. Vóór mijn bar mitswa maakte ik geen deel uit van een jeugdbeweging, maar was ik wel lid van een Amsterdamse tennisclub. Er waren verschillende tennisclubs.
Als Jood had je een bepaalde sociale status, en de tennisclub waarbij wij ons konden inschrijven bevond zich – laten we zeggen – een trede lager dan wanneer we niet-Joods waren geweest.’
Lion Nordheim en Jaap van Amerongen
‘Ik kan mij de bijeenkomsten van onze groep met Jaap van Amerongen (later Yaakov Arnon) nog goed herinneren. Jaap zei eens: “Socialisme, boeddhisme en welk ‘isme’ dan ook zijn in wezen slechts verdrongen vormen van zionisme.”
Ook herinner ik mij Lion Nordheim goed, die in 1940 trouwde met Jeanne van Amerongen, een zus van Jaap.
In de eerste oorlogsjaren – ik was toen ongeveer vijftien – maakte ik deel uit van een zionistische jeugdgroep, die volgens mij Haboniem heette. We hadden daar allemaal bijnamen. Zo werd Tineke (Tine) Cohen bijvoorbeeld “het paard“ genoemd. Waarom, weet ik niet meer. Ik meen dat wij bijeenkwamen op de zolder van de familie Abrahams. Mijn zus was lid van Hatzair, een groep voor iets oudere jongeren, samen met onder anderen de families Nenner en Popper.’
Tweede Wereldoorlog – Westerbork – Bergen-Belsen

‘Wij probeerden begin mei 1940 in IJmuiden op een boot te komen, maar dat lukte niet. De Hugo Kaufmann-bank waar mijn vader werkte werd door de Duitsers gevorderd en mijn vader werd ontslagen. Hij trad in dienst van de Joodse Raad op de afdeling juridische hulp en ging in die functie naar Westerbork om mensen te helpen juridische argumenten te vinden voor vrijstelling van deportatie.
In 1943 stonden wij op verschillende uitwisselingslijsten. onder andere als Alt Front Kämpfer (mijn vader was in de Eerste Wereldoorlog zwaar gewond geraakt), op de Palestina-lijst en de Zuid-Amerika-lijst. Wij kregen uit Zwitserland zelfs nog een paspoort voor Paraguay.
Ten slotte zijn wij op 2 februari 1944 naar Bergen-Belsen gestuurd en kwamen in het Sternlager. Mijn vader is daar op 30 maart 1945 overleden. Degene die mij uit Bergen-Belsen eigenlijk het meeste bijstaat was rabbijn Abraam Salomon Levisson (1902-1945). In Bergen-Belsen kon je merken wie een mensch was en wie niet. Aan rabbijn L.J. Mehler van de LJG Amsterdam, die ook in Bergen-Belsen was, heb ik daarentegen minder goede herinneringen. Toch was hij onze geestelijke leider geweest.’
Bevrijding Tröbitz
‘Begin april 1945 begon de evacuatie van ons Sternlager. Mijn moeder besloot het af te wachten. Hetzelfde gebeurde bij het tweede transport (het enige transport dat zijn bestemming bereikte).
Toen op 10 april het derde transport werd aangekondigd, sloten wij ons meteen aan. We profiteerden ervan dat we vervoer naar het station kregen en een goede plek in de trein konden uitkiezen.
Die nacht overleed de vader van mijn beste vriend, Daan Kan. Toen Daan en zijn moeder de volgende dag gedwongen werden te vertrekken, zagen we hen vlak voordat de trein op 11 april vertrok aankomen. Daardoor konden Daan en zijn moeder bij ons blijven.
Toen we op 16 april Wittenberge bereikten, kreeg Fré Kan, de moeder van Daan, een ernstige zwelling aan haar oog en overleed zij. Zij werd ter plekke naast de trein begraven. Daan werd daarna opgenomen in ons gezin.
Wij kregen een kamer op de eerste verdieping van een boerderij toegewezen. Daar stonden twee bedden: één voor moeder en Carla en één voor Daan en mij. Op de onderste verdieping waren Frans-Joodse vrouwen, echtgenotes van hoge Franse officieren, ondergebracht. Een hoge Franse militair zocht zijn vrouw en die heeft ons daar gevonden.

Een Nederlands echtpaar, Menachem en Mirjam Pinkhof, hadden een fiets in Tröbitz “georganiseerd” en zijn zo naar Nederland gefietst. Daar aangekomen meldden ze dat wij in Tröbitz zaten. Ik had met Menachem in Bergen-Belsen in hetzelfde bed geslapen.’
Leipzig
‘Uiteindelijk werden de Amerikanen geïnformeerd over onze verblijfplaats en stuurden zij op 15 juni vrachtwagens om ons naar Leipzig te brengen, dat toen nog onder Amerikaans militair gezag stond.q
Zo zijn wij van Tröbitz naar Leipzig gebracht. Mijn moeder had oedeem aan haar voet; dat is opengebarsten en daardoor kreeg zij een bloedvergiftiging. Ze had een temperatuur van boven de veertig graden. Ik kreeg toestemming om mijn moeder vanuit Leipzig te begeleiden naar Luik, in een Amerikaanse hospitaaltrein.
Een verpleegster die in die trein werkte, was bang dat mijn moeder vlektyfus had. Zij gaf mij een klein pilletje, dat ik mijn moeder heb toegediend: het was penicilline. Door dat pilletje – en de volgende – verdwenen de koorts en de bloedvergiftiging, en zo werd mijn moeder gered. Penicilline hadden de Russische artsen niet, de Amerikanen wel. De Russische artsen, onder aanvoering van een Joodse majoor, hebben alles voor ons gedaan zonder zichzelf te ontzien, maar zij beschikten niet over dit wondermiddel.’
Aankomst in Eindhoven
‘Uiteindelijk zijn we in Eindhoven aangekomen. Op 29 juni ben ik vandaar op een open vrachtwagen naar Amsterdam gereden. Onderweg luidden op alle kerktorens waar we langs kwamen de klokken en waren de Nederlandse vlaggen gehesen. Dat was niet ter onzer ere, maar ter gelegenheid van de verjaardag van prins Bernhard, de echtgenoot van prinses Juliana.
Voordat we uit Eindhoven vertrokken, zei ik: “Nu wil ik eindelijk weer eens niet onder Joden zijn”, wat een scherpe reactie uitlokte van de vrouw van Jopie Melkman. Eenmaal thuisgekomen in Amsterdam kwam ik tot de ontdekking dat mijn oude leven definitief voorbij was en dat ik van een Joodse Nederlander een Nederlandse Jood was geworden.
Wij kwamen alle vier, ieder apart, binnen een etmaal terug in Amsterdam en ontmoetten elkaar – zoals afgesproken – bij vroegere bovenburen. Hoe mijn moeder – tweeënveertig jaar, zonder echtgenoot, zonder inkomen, zonder beroep, zonder woning, met drie jongelui te verzorgen – het gered heeft, blijft een raadsel.

Ten slotte betrokken wij tijdelijk een woning aan de Gerrit van der Veenstraat. Ik merkte dat ik elk contact met niet-Joodse vrienden had verloren. Het ging niet. Ik leefde in een volkomen andere sfeer. Binnen veertien dagen na onze terugkeer in Amsterdam zat ik midden in het Joodse jeugdwerk van Sjear Jasjoew.’
Inhaallessen

‘Ik was midden in de vierde klas van het Joods Lyceum van school gegaan om een zogenaamd “beschermd” baantje te zoeken. Toen ik na de oorlog enkele weken terug was, begon ik samen met Daan Kan en nog twee vrienden lessen te volgen om direct in de zesde klas van het Barlaeus Gymnasium te kunnen beginnen. Dat lukte. De meeste medeleerlingen hadden na de Hongerwinter geen fut meer om te leren. Wij wilden bijspijkeren en deden eindexamen als besten van de klas. Niettemin zou ik later de gemiste schooljaren betreuren.’
Joodse Brigade
‘In die tijd was de Joodse Brigade gestationeerd in Vogelenzang, bij Haarlem. Een van deze soldaten hielp onze jeugdgroep te organiseren. Ik kan mij zijn naam niet herinneren.

Op een zondagmorgen hadden wij bij Sjear Jasjoew afgesproken elkaar te ontmoeten bij een brug over de Amstel. Een open legertruck van de Joodse Brigade stond daar op ons te wachten en wij werden naar hun hoofdkwartier in Vogelenzang gebracht.
Nog steeds komen mij de tranen in de ogen wanneer ik aan die belevenis terugdenk. Wij, die uit de kampen waren teruggekeerd, werden in het kamp ontvangen onder de vlag van de Brigade. Duitse krijgsgevangenen verrichtten er diensten, en wij zongen samen met de soldaten van de Brigade. Het versterkte ons verlangen om op Alijah te gaan.’

1946: Eerste naoorlogse seder
‘De eerste naoorlogse seder was de eerste seder die ik zelf heb geleid. Dat was bij de familie van Tineke en haar broer Robert Cohen. Er was daar ook een vrouw met een zoontje dat ondergedoken was geweest. Ik vroeg hem of hij de betekenis kende van het lied “Ma Nisjtana”. Hij wist het werkelijk niet en antwoordde: “Omdat Christus gekruisigd is?”’
Weekend in kasteel
‘Rond maart 1946 hadden wij een weekend op een kasteel, waar wij allen kaddiesj zeiden. In het eerste jaar na de oorlog was er niemand onder de jongeren die geen mensen had verloren. Het was een kasteel in Noord-Holland, ten noorden van Amsterdam. Het was een weekend waar verschillende Joodse jeugdbewegingen naartoe kwamen. Wij waren daar met Sjear Jasjoew.
Er werden Joodse liederen gezongen en er werd wat Hebreeuws geleerd. Op sjabbatmorgen was er een sjoeldienst, om een beetje jiddisjkeit te brengen aan al die kinderen die deels uit de onderduik kwamen en deels uit de kampen.’
Leidersgroepje Sjear Jasjoew – Zomerkamp Ommen

‘Zoals gezegd sloot ik mij al snel aan bij het jeugdwerk van de Amsterdamse afdeling van de Joodse Jeugdfederatie, Sjear Jasjoew, en kwam ik terecht in het leidersgroepje. Daartoe behoorden ook Daan Kan, Elma van Adelsbergen (later Stibbe), Saartje Abrahams, Tineke Cohen, en – naar ik meen – ook Sal Kimmel en Ab Reiner. Ik was een geassimileerde, niet-orthodoxe jongen te midden van anderen die veel sterkere Joodse banden hadden. Ook de streng orthodoxe Werner Rothschild maakte deel uit van ons kringetje.
Zo was ik een van de leiders in een zomerkamp in Ommen, waar we in tenten sliepen. Ook Lo Schijveschuurder en Guus Schijveschuurder (nu Shibolet) waren daar.’



Seder 1947
‘Voor mij was de tweede sederavond bij Isac Leo Seeligmann een bijzondere belevenis, dankzij zijn diepgaande kennis van de Septuaginta. Ik herinner mij hoe hij in alle staten verkeerde toen in 1947 de eerste fragmenten van de Dode Zeerollen werden gevonden.
Het betrof fragmenten van het boek Jesaja. Seeligmann had voordien al gepubliceerd – of was bezig met het schrijven – van een reconstructie. Ik weet nu niet meer of de vondst van deze fragmenten zijn reconstructie bevestigde of juist niet.’
Jeugdsjoel Amsterdam
‘In de oorlog ben ik in Amsterdam naar de zionistische jeugdsjoel gegaan. Maar ik weet zo niet meer waar die zat. Na de oorlog ben ik in de Lekstraat naar de zionistische jeugdsjoel geweest. De diensten die in het Ivriet waren, vond ik prachtig.
Na de oorlog ben ik ook in de jeugdclub van de Liberale Joodse Gemeente geweest. Dat was natuurlijk een clubje met de bedoeling dat je op die manier meisjes leerde kennen.

Ik wilde meteen na de oorlog al op Alijah gaan. Na het huwelijk van mijn zus bleef ik alleen bij mijn moeder achter, en zoals moeders nu eenmaal zijn, zei ze: “Rob, nu heb je je middelbare school wel afgemaakt, maar je moet toch minstens een vak hebben geleerd om naar Israël te gaan.” Daarna zei ze: ‘Nu heb je wel je kandidaats scheikunde gedaan, maar je hebt nog geen enkele ervaring of wat dan ook.” Toen ben ik een jaar naar Leeds gegaan. Daarna zei ze: “Ja, je hebt nu wel ervaring, maar…”
Mijn moeder vond iedere keer wel een reden voor mij om nog niet op Alijah te gaan.’
Adler & Oppenheimer
‘Zoals gezegd hadden mijn overgrootvader samen met zijn zwager in 1872 in Straatsburg de grote lederindustrie Adler & Oppenheimer opgericht. In 1918 werd het door de Franse staat onteigend en in staatsbezit genomen. In 1920 werd het hoofdkantoor van het bedrijf naar Berlijn verplaatst. Het bedrijf had grote vestigingen in Neustadt-Glewe en Neumünster, alsmede een vestiging in Oisterwijk, een in Wiltz (Luxemburg) en, na de opkomst van Hitler, één in Littleborough (VK).
Carla
‘Mijn zus Carla trouwde in 1946 met een jonge ingenieur die werkzaam was bij Adler & Oppenheimer. Zij woonden aanvankelijk in Oisterwijk, totdat in de jaren vijftig de fabriek in Neumünster, nabij de grens met Denemarken, weer in familiebezit kwam en mijn zwager daar de leiding kreeg. Zo kwam mijn zus in Hamburg te wonen. Daar kreeg zij een ongeluk en bleef zij bedlegerig. Ik vloog twee keer per jaar naar Hamburg om haar op te zoeken, tot zij overleed.’
Werken, studie scheikunde

‘Als voorbereiding op mijn Alijah naar Erets Jisraël begon ik na mijn afronding van de middelbare school te werken in de huidenkelder van de leerfabriek in Oisterwijk.
Echter, uit angst om voor de militaire dienstplicht naar het voormalige Nederlands-Indië te worden uitgezonden, ben ik scheikunde gaan studeren en heb ik mijn kandidaats in Amsterdam gehaald.’
NZSO

‘Ik rolde automatisch in de NZSO. Veel van de andere leden kende ik al. Ook Bob Herschberg die uit Rotterdam kwam. Hij was een geniale persoonlijkheid, die later aan de drank ten gronde is gegaan. Bob vertaalde ook Hebreeuwse gedichten en hij hield erg veel van muziek en van vrouwelijk schoon. Mijn zuster was niet enthousiast over hem. Ze zei “Als hij naar je kijkt, kleedt hij je tegelijkertijd uit.” Zo voelde zij het. Bob vertaalde vanuit het Hebreeuws een toneelstuk Sjabtai Tsvi naar het Nederlands, dat is opgevoerd bij het lustrum van de NZSO.’
Leerjaren – Italië

‘Na mijn kandidaats heb ik een jaar aan de Universiteit van Leeds looierij-chemie gestudeerd. In 1951 werkte ik in de leerfabriek in Oisterwijk en in 1952 een jaar in de Adler & Oppenheimer-fabriek in Engeland.

Daarna werkte ik vier jaar bij de grootste Italiaanse leerlooierij in Turijn. In de tijd dat ik in Italië verbleef, maakte mijn moeder een reis naar Israël; zij kwam daarvan bijzonder enthousiast terug.
In Italië was ik actief in de jeugdgroep van de Joodse gemeente en heb ik later mijn vrouw Amira leren kennen tijdens een internationaal Joods jeugdkamp.’

1956: Eerste reis naar Israël
‘In de zomer van 1956 heb ik onder auspicien van de Jewish Agency (Sognoet) een reis naar Israël gemaakt.
We bezochten een kibboets. En wie zat daar in de keuken? Marianne Groenman die ik nog vanuit Nederland kende. Ik zei: “Dag Marianne!” Dat wekte verbazing. Iemand komt uit het buitenland en meteen kent hij mensen in de kibboets. Een leven in Israël, dat was toch eigenlijk wat ik altijd gewild had.
In 1957 maakte ik privé een reis naar Israël om een baan te zoeken, helaas zonder succes.’
Internationale conferentie
‘Na vier jaar in Italië te zijn geweest, ging ik in 1957 terug naar Oisterwijk om de inkoop van huiden te leren.
Een andere belangrijke gebeurtenis die mijn leven heeft beïnvloed, was een internationale conferentie van Joodse leiders uit West-Europa aan de kust, naar ik meen in Noordwijk. Dat moet in de laatste maanden van 1957 of in de eerste maanden van 1958 zijn geweest.
In die periode werkte ik in Oisterwijk, maar elke vrijdagavond ging ik naar Tilburg om bij de minjan te helpen. In Tilburg was Ben Cohen voorzitter van de plaatselijke Nederlandse Zionistenbond. Hij was voor deze conferentie uitgenodigd, maar kon zelf niet gaan en stuurde mij daarom als zijn plaatsvervanger.
Er waren sprekers uit Israël en uit Europa; uit allerlei landen waren vooraanstaande zionisten aanwezig. Terwijl ik naar de sprekers luisterde, merkte ik dat ik mij innerlijk bij Israël voelde horen en niet bij Europa, waar ik op dat moment nog werkte, woonde en een toekomst probeerde op te bouwen. Toen besefte ik: ik zit volkomen verkeerd.’
Naoorlogs antisemitisme
‘Persoonlijk heb ik het Nederlandse antisemitisme pas werkelijk na de Tweede Wereldoorlog leren kennen. Ik raakte in gesprek met een felle antisemiet en merkte dat wij geen gemeenschappelijke taal hadden.’
Ontmoeting met oprichter Tambour en Alijah
‘In 1958 kwam Wolf Nehab, de oprichter van de Israëlische verffabriek Tambour, naar de leerfabriek in Oisterwijk om een familielid van hem te bezoeken. Hij zei tegen mij: “Ik zoek een chemicus”, waarop ik antwoordde: “Ik zoek een baan in Israël.”
Na zes maanden opleiding bij Jenson & Nicholson in Londen ging ik in 1959, in de week vóór Pesach, op Alijah. Ik heb vervolgens veertig jaar bij Tambour gewerkt, tot ik op 72-jarige leeftijd met pensioen ging.

In juni 1960 ben ik in Genua getrouwd met Amira (Anna Maria Levi) uit Bari, in Italië. Samen kregen wij een dochter, twee kleinzoons en een kleindochter. In Israël hebben wij altijd in Haifa gewoond.
In mijn vrije tijd was ik als vrijwilliger actief in het Nederlandse bejaardenhuis Beth Joles in Haifa, waar ik drieëntwintig jaar lang secretaris van het bestuur was. In 2001 werden mijn vrouw en ik er zelf bewoners. Daarnaast was ik bestuurslid van de conservatieve Beth Knesset Moria en sloot ik mij aan bij de vrijmetselaars. Ook was ik meer dan vijftig jaar bestuurslid van de Italiaanse culturele vereniging Dante Alighieri.
In juni 2021 is mijn vrouw helaas overleden, na een huwelijk van eenenzestig gelukkige jaren.’
Wat heeft de jeugdbeweging / NZSO voor mij betekent?
‘Toevallig ontmoette ik in Caesarea mevrouw Reiner, de moeder van Ab een mede jeugdbeweger die ik nog uit Amsterdam kende. Ze zei: “Ik had nooit verwacht, dat jij ooit op Alijah zou komen.” Ik heb het mede aan de Joodse jeugdbeweging te danken. De Joodse Jeugdbeweging heeft mijn leven na de oorlog bepaald. Het heeft mijn identiteit veranderd.’

________________
Noot
- De Hugo Kaufmann-bank was een van de voorlopers van ABN-AMRO.
