veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Shlomo Golan

Shlomo Golan (Groenman)

vader Jacob Groenman
vader Jacob Groenman
geboortebericht van Shlomo (Salomon Asser) Groenman in De Joodsche Wachter, 16 september 1932
geboortebericht van Shlomo (Salomon Asser) Groenman in De Joodsche Wachter, 16 september 1932

‘Ik heet Sal, Salomon Asser Groenman. Ik ben geboren in de Zoomstraat in Amsterdam op 14 september 1932. Ik heb twee jongere zusters: Roza (Shosahanna) geboren in 1934 en Dora (Dvrora) geboren in 1936. Mijn vader, Jacob (Jaap) Groenman, werkte in een manufactuur- en commissiehandel. Mijn moeder was Miriam (Marianna Clara) Cohen.’

Moeder Miriam met Shlomo als baby op schoot
moeder Miriam met Shlomo als baby op schoot

 

Haarlem

 

‘In 1933 zijn we verhuisd naar Haarlem. Mijn vader bleef in Amsterdam werken en reisde iedere dag op en neer met de trein. In Haarlem ging ik naar de Montessori-kleuterschool en lagere school. Ik had daar een niet-Joodse vriend, Henk Wieringa, zowel op de kleuterschool als op de lagere school. Hij woonde niet zover van ons af. Zijn familie heeft me geholpen de oorlog door te komen. Met Henk heb ik nog steeds contact.’

 

Uitbreken van de oorlog en Joodse school

 

Shlomo met zijn zussen Dora en Roza, 1941
Shlomo met zijn zussen Dora en Roza, 1941

‘In 1938 of in 1939 zijn we naar Amsterdam teruggegaan. Daar ging ik naar een Montessori lagere school.

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Die dag, vroeg in de ochtend, hoorden we het alarm. Ik kan me nu alleen de sfeer en de emoties herinneren. De bommenwerpers maakten een vreselijk fluitend geluid, dat mij bijna net zo bang maakte als de bommen zelf. We zaten op de trap, omdat we geen veilige ruimte in huis hadden. Niemand dacht dat de oorlog zo abrupt zou beginnen.’1

Al snel moesten de Joodse kinderen van de algemene scholen af en naar een Joodse school. Je ging ’s ochtends naar school en wist niet wie van de leraren of leerlingen je daar nog zou aantreffen, want telkens weer werden mensen opgepakt en doorgestuurd.

Tegen Pesach 1942 waren er al veel verboden, waaronder het verbod om met drie of meer personen bijeen te komen. We vierden de Seder met vrienden en kennissen die van buitenaf kwamen. Van de Seder zelf herinner ik me niets meer, maar de sfeer is me bijgebleven. Iedereen ging één voor één het huis in en uit, omdat de bijeenkomst verboden was. De sfeer die avond was zwaar.’2

 

Onderduik

 

‘Mijn ouders hebben mij en mijn twee zussen, met behulp van studenten uit de ondergrondse, in september 1942 laten onderduiken, als ik me niet vergis. Het was niet lang na mijn verjaardag.

Toen we het huis verlieten, zorgde mijn moeder ervoor dat de gele ster van al onze kleding was verwijderd. Ik kreeg ook een tas mee. Die moest ik overal mee naartoe nemen en zo dragen dat de plek waar de ster had gezeten door de tas werd bedekt, zodat niemand zou zien dat hij verwijderd was.

We werden naar een boerderij in Zuid-Holland gebracht. We voelden ons daar verschrikkelijk. De omstandigheden waren erg zwaar: er was geen elektriciteit en geen stromend water. Olielampen verlichtten het huis en het toilet bevond zich boven een gat in het varkenshok. De boerenfamilie was rooms-katholiek en bad in het Latijn. We zijn daar ongeveer twee maanden gebleven, maar het was heel moeilijk. We konden het er niet uithouden en zijn daarom weggehaald.

Mijn zusjes en ik werden vervolgens naar het huis van mijn vriend in Haarlem gebracht, naar de familie Wieringa. Daar werden we behandeld tegen de luizen, want daar zaten we vol mee. We konden er echter niet lang blijven, omdat hun woning dicht bij ons vroegere huis lag. Men was bang dat iemand ons zou zien en herkennen.

Vandaaruit zijn we naar verschillende adressen doorgestuurd.

Mijn onderduiknaam was Sjef. Waarom Sjef? Omdat ik zogenaamd uit Brabant kwam en dat daar een vrij gewone naam was.

Na korte tijd werd ik naar een ander gezin in Haarlem gebracht. De vrouw des huizes, mevrouw Visser-Stegeman, had drie zonen. De familie was christelijk, maar niet heel vroom. Haar man was zeeman, maar vanwege de oorlog konden Nederlandse koopvaardijschepen niet naar Nederland terugkeren.

De volwassen zoon was opgeroepen om in Duitsland voor de Arbeitseinsatz te gaan werken, maar had daar geen gehoor aan gegeven. Hij was dus eigenlijk ook ondergedoken. Ik hoefde me zelfs minder dan hij te verbergen. Ik ging naar een christelijke school, ging soms boodschappen doen en speelde buiten. Er waren wel dagen waarop dat niet kon, omdat Duitse soldaten door de buurt zwierven.

Voor ons was onder de vloer van de huiskamer een schuilplaats gemaakt. De vloer bestond uit een houten laag, met daaronder een lege ruimte en vervolgens zand. Die ruimte was ongeveer vijftig centimeter hoog. Bij gevaar moesten we ons daar verbergen. We kropen dan onder de vloer en het luik werd met een kleed afgedekt. Daar bleven we tot het gevaar voorbij was.

Op school was er iedere ochtend een gebed en daar deed ik natuurlijk ijverig aan mee. Maar ik wist heel goed wie en wat ik was. Van mijn kant was het dus eigenlijk een voorstelling.

De hoeveelheid voedsel die we kregen, werd steeds kleiner. In het beste geval hadden we suikerbieten om te koken en later aten we ook bloembollen. Op een gegeven moment haalden we soep bij de gaarkeuken. Die soep was onze hoofdmaaltijd. Centrale keukens waren opgezet omdat er in de huizen geen gas meer was en men niet meer kon koken.

Tegen de strenge winter van 1944-1945 werd de situatie nog erger. We hadden nauwelijks middelen om te koken of ons warm te houden en sloopten houten meubels om daarmee vuur te maken.

Op een dag gingen de oudste zoon en ik naar het bos om hout te halen. We vonden een boom die we konden omzagen. We namen de zaag en kapten de boom. Net toen we hem op de wagen wilden laden, hoorden we mensen aankomen. We lieten de boom liggen en renden snel weg.

Daar ben ik tot begin 1945 gebleven. Daarna ben ik doorgestuurd. Waarom ik toen weg moest, weet ik niet meer. In ieder geval werd ik naar een plaats ten noorden van Alkmaar gebracht: Noordscharwoude, of eigenlijk Oudkarspel.’

 

Kindertehuis Hart-Eecen

 

‘In Oudkarspel ben ik terechtgekomen in het kinderhuis Hart-Eecen (ook wel geschreven als Harteecen).3 Het was een grote schuur met een slaapzaal, een eetzaal en douches. Het stond op het terrein van de firma Eecen. Het was een houtzagerij. Tegenwoordig heet dat bedrijf, geloof ik, PontMeyer.4

In 1944 begon de toestand in het noorden van Nederland, boven de grote rivieren, steeds slechter te worden. Toen ik daar begin 1945 kwam, was de situatie dan ook niet bijzonder goed. We hadden honger. Af en toe kregen we een flesje met iets wat op melk leek, maar ik weet niet wat het precies was. Het was een soort bittere vloeistof en diende als bijvoeding. Het personeel dat ons verzorgde bestond uit jonge mensen.

Na de oorlog bleek dat die schuur en de mensen die ons verzorgden eigenlijk deel uitmaakten van een opzet van de ondergrondse. Ze hebben ons later ook de houtzagerij laten zien en uitgelegd hoe in de houtstapels schuilplaatsen waren gemaakt voor het geval dat ze zelf moesten onderduiken.

Ik heb tevergeefs geprobeerd de houtzagerij, die nog altijd bestaat, voor dit verhaal te interesseren.’

 

De bevrijding

 

‘We zagen de bevrijding dichterbij komen. De Amerikaanse bommenwerpers die opstegen uit Engeland lieten pakketten voedsel vallen voor de Nederlandse bevolking. Deze pakketten bevatten Amerikaans gevechtsvoer. De bevrijdingsdag was 5 mei. We waren in de slaapzaal toen een man binnen kwam en officieel aankondigde dat Nederland bevrijd was. We hesen de Nederlandse vlag en zongen tezamen het volkslied. Tot het eind van de oorlog was ik daar. Niet zo lang daarna is de heleboel opgedoekt.’

 

Terug naar Haarlem

 

‘Ik weet niet waar de anderen naartoe gingen, maar ik weet wel dat ik weer naar het huis van mijn vriend in Haarlem werd gebracht. Daar werd ik heel vriendelijk in de familie opgenomen.

Ik had toen nog niets van mijn ouders gehoord. De situatie in Nederland was na de oorlog moeilijk. Het was bijvoorbeeld lastig om aan brood en eieren te komen. Tijdens het eten gaf de vader van het gezin iedereen een klein blokje margarine voor op het brood; dat was het rantsoen voor die dag.

In Haarlem heb ik de lagere school afgemaakt. Ik heb zelfs toelatingsexamen gedaan voor de middelbare school.

Niet lang nadat onze ouders ons hadden laten onderduiken, werden zij zelf opgepakt. Ze hebben ongeveer anderhalf jaar in Westerbork gezeten en daarna nog ongeveer anderhalf jaar in Bergen-Belsen. Daar werden ze door het Russische leger bevrijd.5 Ze hadden tyfus en hun herstel duurde lang. Uiteindelijk werden mijn ouders door het Amerikaanse Rode Kruis teruggebracht naar Nederland.

Ongeveer een maand na de bevrijding, tijdens schooltijd, werd ik door iemand uit de klas gehaald en naar een huis niet ver van de school gebracht. Het was het huis van een dokter. Daar zag ik mijn ouders na lange tijd weer terug. Het was, geloof ik, in juni. Mijn zusjes hebben onze ouders op een andere plaats teruggezien.’

 

Terug naar Amsterdam

 

‘Na de oorlog ben ik bij familie van mijn vriend gebleven, want mijn ouders moesten weer helemaal opnieuw beginnen.

Mijn ouders kregen ergens in Amsterdam onderdak. Ik weet niet precies waar. Ik heb hen daar een keer bezocht. Mijn zussen waren toen al die kant opgegaan, maar ik bleef bij de familie van mijn vriend in Haarlem.

Toen mijn ouders weer een huis hadden en hun leven opnieuw begonnen op te bouwen, ben ik ook naar Amsterdam gegaan.’

Shlomo met zijn zussen Dora en Roza
Shlomo met zijn zussen Dora en Roza

 

Middelbare school

 

‘Ik ging eerst naar een algemene middelbare school en daarna ben ik overgestapt naar de elektrotechnische school. Ik wilde meer de technische kant op.

Op de elektrotechnische school kreeg ik van leraren weleens antisemitische opmerkingen te horen.’

 

Raf Seeligman

 

Shlomo met zijn zussen Dora en Roza
Shlomo met zijn zussen Dora en Roza

‘Mijn vader was niet religieus. Voor de oorlog ging ik met mijn moeder en mijn zusjes naar de Obrechtsjoel. Na de oorlog gingen we ook weer naar sjoel, maar toen naar de Lekstraat. Niet naar de grote sjoel zelf, maar naar een bijlokaal van de Lekstraatsjoel. Daar werd een dienst gehouden in het Ivriet en niet in het Asjkenazisch. De mensen die daar kwamen, waren religieus-zionistisch. De voorganger was rabbijn Seeligman.

Eigenlijk had ik in september bar mitswa moeten worden, maar zo vlak na de oorlog konden mijn ouders dat niet voor elkaar krijgen. Daarom ben ik in februari 1946 bar mitswa geworden in de sjoel van de Joodse Invalide.

Ik kan me de optocht naar het Concertgebouw ter gelegenheid van de uitroeping van de staat Israël nog herinneren. Het jaar daarop was er opnieuw een optocht door Amsterdam en een grote uitvoering, ik meen op het Weesperplein, met volksdansen waaraan ik zelf heb meegedaan.’

 

Sjear Jasjoew, Haboniem

 

‘In de Joodse Invalide werden bijeenkomsten gehouden van Sjear Jashoew, de Amsterdamse afdeling van de Joodse Jeugdfederatie. Er waren eveneens bijeenkomsten van Sjear Jashoew in de Johannes Vermeerstraat. Of dat eerder of later was, weet ik niet meer.

Ik herinner me ook dat soldaten van de Joodse Brigade actief hebben geholpen bij de hernieuwde opbouw van de jeugdbeweging. Er was immers een kamp van de Joodse Brigade in Bloemendaal of Heemstede, ik weet niet meer precies waar. Tegen het einde van 1945 werd daar bij de soldaten een herfstkamp georganiseerd. Mijn ouders gaven mij geen toestemming om mee te gaan, hoewel ik dat heel graag wilde.

Bij Sjear Jashoew waren er lezingen en leerden we liedjes. Verder waren er zomer- en herfstkampen. We hadden zelfs winterkampen, meestal in een jeugdherberg. Ik ben ook naar zo’n winterkamp geweest. Er waren zowel religieuze als niet-religieuze jongeren. Ik herinner me dat er op Sjabbat een sefer Tora aanwezig was en dat er een sjoeldienst werd gehouden.

Na de opsplitsing van de JJF ging ik verder bij Haboniem.’

 

Zionisme

 

‘Zionisme en liefde voor het land Israël waren bij ons thuis altijd aanwezig. Mijn ouders waren actief in de zionistische beweging en we hadden thuis altijd zo’n blikken collectebusje van Keren Kayemet. Aan de oostkant hing een Magen David als mizrach.

Verder deden we in Amsterdam mee aan allerlei acties: amandelacties, bloemenacties en met Rosj Hasjana de honingactie. Dan ging je langs de deuren om geld in te zamelen voor Keren Kayemet. Je kreeg een adressenlijst mee en liep die af met zakjes amandelen en potjes honing.’

 

Hachsjara in ’s-Graveland

 

‘Ik ging dus naar de elektrotechnische school, maar dat ging niet zo goed. Om de een of andere reden ben ik daarna naar de hachsjara in ’s-Graveland gegaan, als voorbereiding op Israël. Ik ben daar ongeveer een jaar geweest.

De voorbereiding was vooral gericht op landbouw en bedoeld om jongeren voor te bereiden op lichamelijk werk in de landbouw. Men werkte bij boeren in de omgeving van ’s-Graveland.

Ik was de enige die geen landbouwwerk deed. Ik werkte bij een loodgieter in de buurt.’

 

Alijah

 

‘In de tijd dat ik op hachsjara in ’s-Graveland was, is mijn moeder, die inmiddels van mijn vader gescheiden was, met mijn zussen naar Israël gegaan. Ze zocht destijds een kibboets met leden van haar eigen leeftijd en kwam met mijn twee zussen terecht in kibboets Kwoetsat Hasjaron. Mijn vader is niet op Alijah gegaan; hij kwam alleen op bezoek.

Eind december 1951 ben ik met een groep van in totaal twaalf personen op Alijah gegaan. We kwamen begin 1952 in Israël aan. Eerst zijn we een week in Parijs gebleven en daarna reisden we met de trein verder naar Marseille. Vandaar gingen we per boot naar Haifa. De bootreis duurde ongeveer een week.’

 

Kibboets

 

‘Vanuit Haifa reden we met een vrachtwagen naar een kibboets. Ik werd chaver van kibboets HaChoshlie en dat ben ik nog steeds. De naam van de kibboets is later veranderd in Amiad.

kibboets Amiad
kibboets Amiad. foto: JNF

We kwamen in HaChoshlie, het latere Amiad, terecht via onze madriech in Nederland, Elchanan Wolff, later Elchanan Ma’or. Door hem zijn we hier gekomen. De Arabische naam van de plaats was Jub Yussef. Daarna werd het HaChoshlie, naar de eerste groep die hier de nederzetting stichtte. Later besloot de namencommissie van Keren Kayemet dat de plaats Amiad zou heten.

Onze groep was oorspronkelijk bedoeld om na de hachsjara door te gaan naar kibboets Beth HaEmek. Een deel van onze groep is daar inderdaad naartoe gegaan, maar ik ben in Amiad gebleven.

In de kibboets heb ik van alles gedaan. Ik ben ook loodgieter geweest, maar ik zou gemakkelijk een lijst van wel twintig verschillende beroepen en soorten werk kunnen opnoemen die ik daar heb gedaan. Ik werkte bij de schapen en de koeien en op allerlei andere plaatsen. In die tijd werd je ingezet waar hulp nodig was en werd er minder rekening mee gehouden met wat je zelf wilde of het liefst deed.

Shlomo met zijn vrouw Catharina
Shlomo met zijn vrouw Catharina

Ik was getrouwd met Catharina Rebecca (Catrien) de Hes, een Nederlandse die op 1 februari 1933 in Bandung, Nederlands-Indië, was geboren en op 6 februari 2012 is overleden. Ik kende haar zus uit de jeugdbeweging en later heb ik Catrien zelf leren kennen op een van de zomerkampen. Daarna ben ik naar de hachsjara gegaan en vervolgens naar Israël. Catrien moest van haar ouders eerst haar school afmaken en een vak leren. Zij kwam een jaar na mij naar Israël. Ik heb op haar gewacht.

Of ik zonder de invloed van Sjear Jashoew en Haboniem ook naar Israël zou zijn gegaan? Ik denk van wel. Misschien in een ander verband, maar uiteindelijk zou ik waarschijnlijk toch naar Israël zijn gegaan.’

 

Verandering achternaam

 

‘Mijn vrouw en ik kregen drie zonen. Twee van mijn drie zonen wonen hier in de kibboets. Ik heb mijn achternaam veranderd voor hen, want Groenman werd Gruneman of Groenteman. Men kon onze familienaam niet correct spellen. Dat is de reden dat ik onze achternaam in Golan heb veranderd.’

 

Hebreeuws

 

‘Ik kan me nog herinneren dat ik als klein kind thuis al Joodse les kreeg, samen met nog een of twee jongens. Ik zat toen, geloof ik, nog op de kleuterschool. We leerden Ivriet op z’n Asjkenazisch.

Ik kon dus Hebreeuws lezen, zoals je dat in de beth knesset gebruikt.

Het moderne Hebreeuws en het spreken van de taal leerde ik later vooral tijdens lessen in de jeugdbeweging en daarna op de hachsjara.’

 

Getuigenissen en bijeenkomsten

 

‘In 2013 heb ik meegewerkt aan een getuigenis voor Yad Vashem en heb daarnaast een getuigenis afgelegd voor het project Sordei Shoa (overlevenden van de Sjoa) in het noorden van het land.

Ook neem ik deel aan de bijeenkomsten in Tel Chai van Vatike haGalil (De Veteranen van Galilea). Daarnaast werk ik ieder jaar mee aan Zikaron baSalon (Herinnering in de huiskamer).

Daarbij vertellen mensen die de oorlog hebben overleefd hun verhaal aan een groep mensen. Ik heb dat inmiddels drie keer gedaan voor een groep jongeren. Ik hoop hier nog lang mee door te kunnen gaan.’

_________________

 

Noten

 

  1. Uit: Het verhaal van Shlomo Golan als onderdeel van de cursus Man Give Me a Hand in het Tal Hai Center for the Gifted.
  2. Ibid.
  3. Het tehuis fungeerde in de eerste helft van 1945 (met name rond de bevrijding in april en mei) als opvanglocatie voor geëvacueerde, ondervoede of tijdelijk ontheemde kinderen. Er verbleven onder andere kinderen van wie de ouders in de grote steden kampten met de nasleep van de Hongerwinter, maar ook kinderen van specifieke beroepsgroepen (zoals medewerkers van de Amsterdamsche Bank) het kinderhuis in Oudkarspel werd gebouwd door twee ondernemers: Henk Hart, eigenaar van een zuurkoolfabriek, en Jan Eecen, eigenaar van een houthandel.
  4. Cornelis Eecen (1761-1831) uit Schagen liet in 1805 in Oudkarspel de molen De Vier Gebroeders bouwen. De naam verwees naar zijn zonen. De molen stond aanvankelijk in Alkmaar. Nadat Eecen een stuk grond in Oudkarspel had gekocht, kreeg hij toestemming om de molen daarheen te verplaatsen.

    Zo werd 1805 het begin van de houtzagerij en houthandel Eecen in Oudkarspel. Het bedrijf groeide uit tot houtleverancier van West-Friesland. Cornelis Eecen was de grondlegger van Koninklijke Houthandel Eecen, die in 1980 haar 175-jarig bestaan vierde. In het begin van deze eeuw ging de Houtgroep Eecen met de Zaanse branchegenoot PontMeyer een fusie aan. De familienaam Eecen verdween na 200 jaar als bedrijfsnaam en PontMeyer werd de nieuwe naam voor het fusiebedrijf. Bron: Maarten Koning, ‘Luchtig en grondig bekeken: Houthandel Eecen’, in: Van Otterplaat tot Groenveldsweid, Stichting Langedijker Verleden, 2020.

  5. Bergen-Belsen werd op 15 april 1945 door Britse troepen bevrijd, niet door het Russische leger.
Deel deze pagina