‘Tot ik naar Israël ging, werd ik Sal genoemd. Maar bij aankomst in Israël bleek dat toch geen prettige naam, want in het Engels is het een meisjesnaam: Sally. Dus heb ik het veranderd in Sol.
Ik ben geboren in Berlijn in oktober 1928. Mijn ouders hebben me de naam Salo gegeven. Dat is zo’n echt Duitse naam. Ik had geen controle over hoe ze me toen genoemd hebben, maar ik ben vrij om te gebruiken wat ik wil en ik zou zeggen laten we het op Sol houden. Want zo ben ik ook bekend in de professionele literatuur.

Mijn achternaam is ook een probleem. Na de oorlog, toen mijn tante – de zuster van mijn moeder – overleed, vond ik tussen haar papperassen mijn geboortebewijs en daar staat Kimmel met dubbele m. In haar dagboek noemt Anne Frank mij ook Kimmel, met 2 x m.
Na de oorlog, ik herinner me nog precies de dag, ik deed eindexamen en de amanuensis kwam op hoge poten naar mij toe en zei: “Mijnheer Kimmel, u staat helemaal niet ingeschreven in het bevolkingsregister.” Hij heeft nog een keer gekeken en heeft mij gevonden met een enkele m. Op mijn diploma staat de achternaam dus met één m. In het Hebreeuws hebben dubbele letters geen betekenis, dus hier in Israël is het geen probleem.
Mijn ouders zijn niet officieel gescheiden. Mijn moeder Eva Goldberg heeft mijn vader Felix Kimmel verlaten en wilde niet meer in Berlijn blijven wonen. Ze is toen met mij naar haar zuster gegaan, die in Amsterdam woonde. Onze familie kwam oorspronkelijk uit Krakau, Oost-Europa. Mijn tante Lea Goldberg was getrouwd met Szaja (oom Jo) Reiner, en ze hadden twee zonen Avraham (Ab) geboren in 1929 en Marcus (Marco), geboren in 1932.

We woonden voor de oorlog aan wat toen de Zuider Amstellaan heette, die daarna de Rooseveltlaan is geworden. De Noorder Amstellaan is de Churchill-laan geworden. Later heb ik me pas beseft dat het voor mijn oom en tante toch wel een opoffering geweest moest zijn, want wij kwamen in 1930-1931 naar Amsterdam en in die jaren was er de economische crisis. Ze hebben nooit, nooit laten merken dat het moeilijk was.’
Lagere school
‘Ik heb eerst twee jaar fröbelklassen (kleuterschool) gehad en daarna ging ik naar de 6e Montessorischool in de Nierstraat. Ook Anne Frank ging naar die school. Deze school heet nu de 6e Montessorischool Anne Frank. Het schijnt dat Anne Frank een kalverliefde voor mij had opgevat. Ik was een jongetje van twaalf en zij was een “vrouw” van twaalf. Meisjes zijn op die leeftijd rijper en volwassener. Ik heb het eigenlijk helemaal niet eens zo begrepen dat zij een stille aanbidster was, maar ze wilde dus met mij trouwen.’
Anne schrijft dit over Sally in haar dagboek:
‘Toen ik nog heel klein was, zelfs al op de Kleuterschool, was m’n sympathie gevallen op Sally Kimmel [sic]. (…) Een neefje van Sally was Appy en die twee waren meestal samen en meestal gelijk gekleed. Appy was een knappe, slanke donkere jongen en Sally een kleine, dikke, blonde gezelligaard, met o zo veel humor. Maar ik keek niet naar knapheid, maar hield jaren lang erg veel van Sally. Een tijd waren we veel samen, maar overigens bleef m’n liefde onbeantwoord.’1 En: ‘Een week geleden , een dag geleden, zou ik als je me gevraagd had: “Wie van je kennissen, zou je het meest geschikt vinden, om mee te trouwen?[sic] geantwoord hebben: “Sally, want bij hem is het goed, rustig en veilig!”’ 2

Sol: ‘Annes vader schreef mij na de oorlog een briefje. Hij stuurde mij het boek Het Achterhuis dat Anne had geschreven en liet weten dat ik mijzelf en mijn neef Appie erin zou herkennen, al waren de namen veranderd. Het briefje ondertekende hij met zijn naam: Otto Frank.
Ik heb het boek meteen uitgelezen en gezocht naar het fragment waarin wij voorkwamen. Ik heb Otto Frank toen opgebeld en gevraagd of ik hem mocht komen opzoeken. Hij was zeer vriendelijk. Ik ben naar hem toegegaan en zei: “Ik wist niet dat Anne zo over mij dacht, wist u dat?”
Hij antwoordde: “Ja, dat wist ik, ze had geen geheimen voor mij.” En hij vertelde dat hij zich herinnerde dat ik eens langskwam toen Anne ziek was, om iets te brengen – een schrift of iets dergelijks. Ik bleef ongeveer een uur bij haar in de kamer. Toen ik wegging, kwam Anne huilend naar haar vader. Hij vroeg: “Waarom huil je? Heb je ruzie gemaakt?” Ze zei: “Nee, hij is een uur bij me in de kamer geweest en heeft niet eens gemerkt dat ik speciaal een mooie pyjama had aangetrokken.”
Ze had zich dus voor mij verkleed om er mooi uit te zien, en ik had dat niet eens opgemerkt. Ik wist niet eens hoe haar gewone pyjama eruitzag. Het zegt iets over wat er in haar omging, zonder dat ik het doorhad. Anders had ik natuurlijk gezegd: “Wat zie je er leuk uit.” Maar we waren daar nog niet rijp voor.3
Na de lagere school ging Anne naar het Joods Lyceum en ik naar de Joodse HBS. De Joodse HBS en het Joods Lyceum stonden dicht bijelkaar in hetzelfde complex, dat heette de Stadstimmertuinen, niet ver van het Koninklijk Theater Carré. Anne en ik hadden elkaar daar weer kunnen ontmoeten, maar zij is helemaal opgegaan in haar nieuwe omgeving en we hebben elkaar in dat laatste jaar weinig gezien.
Jaren later, voordat ik op Alijah ging, heb ik daar als leraar nog een jaar scheikunde gegeven.’

Anne Frank Huis
‘Ik ben voor het eerst in het Anne Frank Huis geweest toen ik met mijn gezin in Nederland was, tijdens mijn werkperiodes in 1972 en 1973. Het was toen nog veel eenvoudiger dan nu, zonder de latere uitbreidingen.
Wat mij bij dat bezoek vooral trof, was ook iets wat mij stoorde. Het leek alsof de wereld de Sjoa vooral zag als opgesloten zitten in een kamer en er niet uit mogen. Dat is verschrikkelijk, maar het is niet de holocaust. Wat vaak vergeten wordt, is wat er daarna gebeurde: het laatste halfjaar waarin Anne door kampen ging, tyfus kreeg en drie weken voor de bevrijding stierf.
Die gedachte werd voor mij bevestigd toen ik in de rij stond en twee Amerikanen hoorde zeggen: “Ik ben zo blij dat we hier zijn geweest, want nu weet ik wat de holocaust is.” Dat voelde als een fundamenteel misverstand. Ze zagen het als een soort grounded zijn — niet naar buiten mogen, je normale leven niet kunnen leiden. Dat is zwaar, maar het is geen holocaust. En dat bleef mij dwarszitten.’4
Tweede Wereldoorlog
‘Aan het begin van de oorlog moesten we verhuizen en toen zijn we naar het Daniël Willinkplein 13 verhuisd, wat nu het Victorieplein heet.
In 1942 ging ik maar voor tien weken naar school. Ik zat toen in de tweede klas van de Joodse HBS. De sfeer was somber. Elke ochtend kwamen er leerlingen niet opdagen. In die tien weken verdwenen tien leerlingen, de meesten naar Westerbork, maar er waren er ook die onderdoken. Dat ontdekte ik na de oorlog. We leefden in parallelle werelden; de ene, een normale: school, vrienden, huiswerk, en de andere het voorportaal van de hel: familie en vrienden die verdwenen.’5
Onderduik, Westerbork, bevrijding
‘In november 1942 werd mijn moeder gearresteerd tijdens een bezoek aan haar zuster in de Roerstraat. Dat was een straat die onverwachts voorbestemd was om “Judenrein” te worden gemaakt. Haar papieren konden haar niet beschermen. Ze werd eerst naar Westerbork en korte tijd later naar Sobibor gedeporteerd, waar ze vermoord werd.6
Het beleid van de nazi’s was dat families altijd samen werden gedeporteerd om in het Oosten te “leven”. Mijn oom geloofde dit niet en hij stond mij niet toe om naar mijn moeder in Westerbork te gaan, zoals ik verplicht was te doen. In plaats daarvan dook ik onder.7 Nadat ik was ondergedoken, zijn ook mijn tante, mijn oom en hun twee kinderen ondergedoken.
De eerste nachten sliep ik bij een onderbuurman, daarna kwam ik terecht bij een zwager van mijn oom die twee straten verderop woonde. Hij was bontwerker en ik hielp hem met zijn werk.’8

Eerste onderduikadres

Archieven/ OVCG (Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen)
‘Twee weken later werd via het verzet contact gelegd met mijnheer “De Groot”, oftewel de Drenste verzetsstrijder Johannes Post. Dat contact was tot stand gebracht door mijn oom Jo, al weet ik niet precies hoe. Achteraf bleek dat buurman Julius de Clercq Zubli, die huisarts was en die wij nauwelijks kenden, maar wiens kinderen bij ons in de straat speelden, hier waarschijnlijk een rol in heeft gespeeld. Pas later werd duidelijk dat hij in het verzet zat.9 Jammer dat wij dat niet hebben nagegaan toen hij nog leefde en hebben we dat nooit meer met hem kunnen bespreken.
Die meneer De Groot kon mij natuurlijk niet zomaar meenemen zonder mij eerst gezien te hebben. Er bestond immers een risico dat ik er “te Joods” uitzag. Daarom werd afgesproken dat ik overdag, dus niet tijdens de spertijd, nog met mijn ster op naar ons huis zou komen, waar hij mij wilde ontmoeten.
Zo kwam ik weer even terug in mijn eigen huis, waar ik twee weken niet had mogen zijn. Daar zat De Groot, die met een voor mij vreemd accent sprak. Later bleek dat Drents te zijn. Hij sprak slechts een paar minuten met mij, vond het kennelijk goed en vertrok weer. Daarna werd geregeld wanneer en hoe ik met hem mee zou gaan.
Enkele dagen later was het zover. We namen samen de tram en vervolgens de trein, dit keer zonder ster. Hij kocht de kaartjes, maar gaf mij er ook een met de instructie dat we elkaar niet kenden en in dezelfde coupé zaten. Mocht er iets gebeuren, dan moest ik doen alsof ik alleen reisde.
De reis verliep zonder problemen. In Hoogeveen stapten we uit. Nog voordat ik goed en wel besefte wat er gebeurde, was hij verdwenen en kwam er een ander op mij af – later bleek dat zijn neef te zijn – met twee fietsen. Hij had mij herkend omdat hij mij met De Groot had gezien en zei dat we nu samen verder zouden gaan.
Voor mij was het fietsen lastig; het was een hoge fiets en ik had weinig ervaring. Onderweg, in het donker fietste hij met één hand en legde zijn andere hand op mijn schouder om mij te helpen mijn evenwicht te bewaren. Zo kwamen we uiteindelijk bij een boerderij in Hollandscheveld, ongeveer tien kilometer van Hoogeveen.10
Ik werd ondergebracht in het gezin van de oudere zuster van Johannes Post.11

Hendrikje Post en haar man, Albert Moes, waren een arme en heel religieuze gereformeerde boerenfamilie. Het gezin telde in totaal tien kinderen van wie drie getrouwd.
Daar leefde en werkte ik als boerenjongen. Samen met de zonen van de boer ging ik ’s ochtends koeienmelken, hooien en dat soort werk. Ik zag geen boek, er was zelfs geen krant. Het erf verliet ik niet, behalve voor de kerk op zondagochtend, zoals iedereen.
Na het middag- en avondeten las de boer eentonig een hoofdstuk voor uit het Nieuwe Testament. Daardoor kende ik dat vrij goed. Ik weet zeker dat hij het niet begreep. Om de aandacht van de kinderen bij het Bijbellezen te houden, vroeg hij tussendoor aan een van hen: “Het laatste woord?”
Deze boeren praatten mooi over het hiernamaals en de zaligheid. Ze hadden geen begrip van het wezenlijke, het christelijke wezenlijke incluis. Ze werkten zich te pletter. Zondags, wanneer je een beetje vrijetijd had, gingen we allemaal ’s ochtends om halfnegen op de fiets – weer of geen weer – naar de kerk. Zij gingen ’s middags om twee uur nog een keer om ongeveer hetzelfde te horen. Het ging echter allemaal langs hen heen.
Naar mijn mening leidden zij eigenlijk een dieptreurig soort leven. Ik ging mee naar de kerk en ik had ook wel het gevoel dat er druk op mij werd uitgeoefend om christen te worden. Ik was zogenaamd een “vluchteling uit Rotterdam”. Mijn naam daar was Johan Smit wiens huis in Rotterdam gebombardeerd was en die bij kennissen in Drenthe kwam wonen.
In de boerderij was geen elektriciteit en geen stromend water. Er was een pomp die verbonden was aan de vaart. Dat was vrij vies water. Daar werd mee gewassen en dat soort dingen. Het drinkwater kwam uit de put en de put werd gevuld met het regenwater van het dak. Er was meestal wel genoeg. Maar het was erg primitief hoe ze daar leefden.’
Tweede onderduikadres

‘Drenthe was een arme provincie waar de NSB’ers vrij veel stemmen hadden gekregen en daar waren dus ook Landwachters en echte NSB’ers.
Op een gegeven moment begonnen buren – onder wie ook nazi’s – te roddelen over de “vreemde” jongen die de boerderij nooit verliet. Daarbij speelde mee dat je toen al op je veertiende een persoonsbewijs moest hebben, en dat had ik niet. In april 1944 werd ik ’s nachts naar een naburige boerderij gebracht, op vijf minuten loopafstand.

Daar woonde een jong gezin: Jan van der Helm en Johanna Moes, met twee kleine kinderen. Zij was de oudste dochter van de familie waar ik eerst ondergedoken zat. En wat bleek: op die boerderij zaten ook mijn oom Jo en tante Lea ondergedoken, samen met mijn neefjes Ab en Marco. We hadden al die tijd vlak bij elkaar gezeten zonder dat te weten – uit voorzorg wist niemand van ons van elkaars aanwezigheid.
De vreugde was groot toen we elkaar terugzagen. Zij waren ongeveer een jaar eerder aangekomen. We leefden en sliepen met z’n vijven in één kamer en konden niet naar buiten. In die periode studeerde ik samen met Ab uit boekjes met Franse en Engelse grammatica; ook hadden we een wiskundeboek gekregen. Zonder enige begeleiding werkten we ons zo goed mogelijk door de lesstof heen.’
7 februari 1945
‘In Hollandscheveld zijn we ontdekt op 7 februari 1945.’
In het onderduikersmuseum De Duikelaar in Nieuwlande waar een replica van deze onderduikkamer is nagebouwd, staat op bulletins de volgende tekst vermeldt:
‘Jan werkt op het land en Jo is op de fiets naar Hoogeveen, het huis is op slot. Op het moment dat oom Jozeph van de wc over de deel terugloopt, wordt er aan de deur gerammeld en kijkt iemand door het raampje. Oom vlucht naar de kamer en zegt: “Vlug, de schuilplaats in.” Via een geheim luik in de kast verstoppen ze zich onder de vloer.
De Landwachters die aan de deur rammelden om paardentuig te vorderen, lopen naar Jan op het land. “Wie is er bij jou thuis?” roepen ze. Jan voelt onraad en vlucht. “Stop, of ik schiet.” Schoten klinken. Vlak bij het huis van zijn schoonvader Albert Moes valt Jan dood neer.
Bij de boerderij wordt op de deur gebonsd: “Open maken!” (…) “Ik doe open,” zeg oom Jozeph. “Beter één dan vijf.” Onder de vloer horen de anderen een uur lang hoe hij ruw wordt verhoord, geslagen, hoe hij kermt van pijn. Dan wordt het stil. Even later horen ze iemand zeggen: “Ik heb hem het genadeschot gegeven.” De voorwerpen in de kamer verraden dat er meer onderduikers zijn. De SS’ers die erbij zijn gehaald zoeken en ontdekken de holle ruimte. Ze breken het luik open, bevelen dat ze naar boven moeten komen en schieten in het wilde weg de schuilplaats in. Ab fluistert: “Ik ben gewond.” Ze hebben een kogel door zijn been geschoten. Tante Lea besluit dat ze zich overgeven.
In de kamer staan twee mannen met een geweer. Ze halen een officier uit Hoogeveen erbij, een gevreesde Nederlandse SS-er. De man verwacht geld en goederen te vinden. Als de ondervraging niets oplevert, worden Sally en de anderen naar de gevangenis in Hoogeveen gebracht. Daar zitten ze twee nachten in een cel. Nog eenmaal volgt een ruwe ondervraging, waarbij Sally bijna wordt gewurgd. Zonder gewenst resultaat, want er is niets. Op 9 februari 1945 worden ze met paard en wagen naar kamp Westerbork afgevoerd.’12
Strafgeval Westerbork
‘In Westerbork waren negenhonderd Joden achtergebleven, omdat de deportaties naar het “Oosten” niet meer plaatsvonden. Mijn tante en ik belandden in de strafbarak. Als je als ondergedoken Jood gepakt was, dan werd je een strafgeval. Enfin, het is de “gewone”, heel tragische, Joodse belevenis.
Mijn tante en ik zaten naast elkaar in de strafbarak batterijen kapot te maken en in diverse onderdelen te separeren. We werkten onder moeilijke en stoffige omstandigheden. Het werk werd later ook gecontroleerd, eerst door Joodse en daarna door Duitse beambten.
Ab was in het ziekenhuis van Westerbork en Marco was in het kindertehuis. We zijn nog ongeveer drie maanden in de strafbarak geweest. Het was in de wintermaanden van begin 1945. Maar ik heb daar niet echt honger geleden.’
Bevrijding, terug naar Amsterdam
‘We zijn in Westerbork bevrijd in april 1945 door het Canadese leger. We konden niet direct vertrekken uit Westerbork, want je kon nog niet over de rivier de IJssel. Ik was ook niet genaturaliseerd, en ik had geen Nederlandse papieren. Daardoor was het moeilijk om ons naar Amsterdam terug te laten gaan. Pas na drie maanden konden we terugkeren. Daar leerden we de omvang van de Holocaust kennen.
In de zomer van 1945 toen iedereen de bevrijding vierde, renden Ab en ik van de ene leraar naar de andere, om drie verloren jaren in te halen, om ons voor te bereiden op de toelatingsexamens voor school: een openbare middelbare school. Ik werd toegelaten tot de vierde klas en verloor in feite een schooljaar in vergelijking met mijn leeftijdsgroep. Dat we in de onderduik het wiskundeboek hadden doorgewerkt en ook nog wat aan Engels hadden gedaan, had zeker geholpen.
Mijn tante had in Westerbork mensen leren kennen met wie ze heel goed kon opschieten. Die woonden aan de sjieke Mozartkade en zij kon bij hen kamers huren. Zo ben ik met mijn tante en neven daarheen meegegaan. Het was een groot huis met acht kamers en daar hadden wij er een aantal van. Een jaar of twee later is deze familie naar Amerika gegaan en toen hebben wij het hele huis overgenomen. Ik heb na de oorlog in een betere buurt gewoond dan voor de oorlog.’
Contact houden

‘Met de eerste onderduikfamilie heb ik geen contact gehouden. Maar Johanna van der Helm-Moes is ons dierbaar gebleven. Ze is een aantal jaren geleden op 90-jarige leeftijd overleden. We hebben haar uitgenodigd met haar tweede man. Ze is hier in Israël vier of vijf keer geweest. We zijn met haar door heel Israël gereden.
Er is een dorp in Galilea, Nes Ammim, dat in 1963 is gesticht door Europese christenen. Op zaterdag wordt er een christelijke kerkdienst gehouden. Toen Johanna een week bij ons in Haifa logeerde, heb ik haar daarheen gebracht. We hebben samen de Engelstalige dienst bijgewoond. Zij zong de psalmen mee in het Nederlands – de melodieën waren dezelfde – en ze was zichtbaar gelukkig.
Na afloop heb ik haar aan de dominee voorgesteld en hem verteld dat zij ons leven had gered. Ze vroeg hem: “Bent u gereformeerd of hervormd?” Toen hij antwoordde: “Gereformeerd”, was het goed.’
In 1967 werden Jan en Johanna van der Helm door Yad Vashem erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.’
Jo Moes vertelde over haar onderduikers, toen er na de oorlog vanuit Israël onderzoek naar werd gedaan.13
‘De familie Reiner hield zich vanaf midden juni 1943 tot februari 1945 voortdurend in de haar toegewezen kamer in ons huis verborgen, zonder gedurende deze tijd de straat te kunnen betreden. In de kamer bevonden zich twee bedden, waarin het echtpaar Reiner respectievelijk de beide zonen sliepen.
De zonen van de familie Reiner konden geen school bezoeken en ook het echtpaar zelf was van elke verbinding met de buitenwereld afgesloten. Herhaaldelijk moest de familie Reiner bij dreigend gevaar in het hooi slapen, respectievelijk een schuilplaats in de kelder opzoeken, waarin geen licht brandde en die bovendien vochtig en zo laag was, dat men daarin slechts kon zitten of liggen.’
Vanaf april 1943 duikt ook Sol Kimmel onder bij de familie Moes en woont hij daar samen met de familie Reiner. Onder het hooivak in het achterhuis van de boerderij was een schuilplaats gebouwd, die voor Sol en zijn beide neven als slaapplaats diende.
‘Overdag mochten zij zich in ons huis ophouden en door niemand gezien worden. Wanneer er overdag een razzia dreigde moesten zij zich – vaak urenlang – in de kelder verstoppen. Alle onderduikers waren uiteraard niet bij de politie gemeld en kregen hun levensmiddelenkaarten van de verzetsbeweging.’

Les van Jitschak Mundsztuk
‘Ab en ik hadden Joodse les van de heer Mundsztuk, een leraar die elke zondag bij ons aan huis kwam. Hij was een begrip in Amsterdam. We waren heel happy met deze lessen.
We waren toen nog vroom. Sjabbat was een van de drukste dagen, want je ging naar sjacharit (het ochtendgebed) en dan ging je naar huis voor de kidoesj en dan had je een cursus en Rashi en een oneg sjabbat. Tot de onderduik waren wij een heel lieve vrome familie, echt diepgeworteld in het Joodse bestaan.’
Sjear Jasjoew

‘De Joodse Jeugdfederatie had in Amsterdam de afdeling Sjear Jasjoew. Daar ging ik heen. ‘Het allereerste blaadje van Sjear Jasjoew (Een rest keert weer) heette Sjear Hajerakot (rest van de groenten/groenteresten). Toen zei de iets oudere jeugd die de afdeling leidde – de Nenners en de Stoppers –: “Als jullie die naam kiezen, schrijven wij de eerste artikelen!”
Ik heb Ivrietcursussen gegeven bij Sjear Jasjoew en later ook bij Haboniem, waar ik jeugdleider was. In Haboniem heb ik zomerkampen geleid en ik was betrokken bij verschillende besturen. We deden mee aan de honingactie en de bloemenactie. Ik heb dus, om zo te zeggen, mijn Joodse zionistische achtergrond actief ingezet. Dat gaf een positieve instelling. Ik ging ook naar de jeugdsjoel in de Lekstraat.
In Overijssel waren jeugddorpen waar de zomerkampen van Haboniem plaatsvonden. We sliepen in tenten en als hoofdleider had ik een eigen tent. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog was er nog geen scheiding tussen religieuze en niet-religieuze zionistische jongeren van de middelbareschoolleeftijd. Tijdens de zomerkampen werd op vrijdagavond – het begin van de Sjabbat – gezongen, en de volgende ochtend was er een sjoeldienst. Ik had daar ook een talles (gebedskleed) bij me en heb uit de parasja gelajend (het zingend reciteren uit de Tanach).
Daarna vond er een hergroepering plaats. De religieuze zionisten splitsten zich in 1948 van Sjear Jasjoew af. Ze richtten Bne Akiwa Nederland op. Daarna zochten ook de in Sjear Jasjoew gebleven niet-religieuze jongeren internationaal contact. Ze sloten zich aan bij Haboniem.’
Studie chemie
‘Na de middelbare school ben ik gaan studeren. Aan de bètafaculteit van de Universiteit van Amsterdam kon je kiezen voor één hoofdrichting met een bijvak of voor twee hoofdrichtingen. Ik koos voor natuurkunde en scheikunde als hoofdrichtingen in mijn bacheloropleiding, en voor fysische chemie, met een specialisatie in spectroscopie, in mijn masteropleiding.
In die jaren waren deze bètavakken zeer in de mode. Je moet ook bedenken dat de hele wereld in beweging was: men dacht dat met goedkope kernenergie de wereld verbeterd zou kunnen worden. Dat bleek een grote vergissing, maar zo werd er toen gedacht. Over het algemeen was het een gelukkige tijd. Ik kwam in aanraking met de wereld van de wetenschap, die na de Tweede Wereldoorlog het meest interessant was.
In het begin probeerde je als student nog iets aan algemene ontwikkeling te doen. We gingen bijvoorbeeld naar colleges van Presser en naar vakken bij andere faculteiten. Maar daar zijn we al snel mee opgehouden, omdat de dagelijkse verplichtingen – practica en colleges – behoorlijk intensief waren.
Ik geloof niet dat studenten tegenwoordig – en dat zeg ik misschien wat scherp – beseffen hoeveel je kunt werken. Ik wil niet zeggen dat het toen beter was, maar het was wel ernstiger en studieuzer; nu wordt er, relatief gezien, meer bier gedronken.’
Cursussen en lezingen

‘Ik nam ook deel aan een aantal activiteiten in Amsterdam. Ik bezocht lezingen en cursussen. Enkele daarvan herinner ik me nog goed. Isac Leo Seeligmann gaf een cursus Tenach, die zeer de moeite waard was. Bij hem thuis behandelde hij de profeet Amos; daaraan namen ongeveer tien tot vijftien jongeren deel. Hij was een zeer begaafde man en gaf op een bijzonder aansprekende manier les.
Ik volgde ook cursussen bij de classicus Jo Melkman en bij de historicus Jaap Meijer. Bij laatstgenoemde leerden we over het negentiende- en twintigste-eeuwse socialisme en over de achtergronden van hoe de wereld ontspoorde in 1914 en, opnieuw, in 1933. Hij gaf daarnaast een cursus over het historisch materialisme.
Ik herinner me ook lezingen van dr. König. Daarnaast ging ik af en toe naar avonden die werden georganiseerd door het Verbond van Oost-Europese Joden.
NZSO
‘Toen ik in 1947 ging studeren, werd ik lid van de NZSO; je rolde daar als het ware vanzelf in. Het was allemaal veel minder gereglementeerd dan tegenwoordig. De bijeenkomsten hadden vooral een gezellig karakter. Het ging er levendig aan toe, maar diepgaande gesprekken vonden meestal één op één plaats. Er waren een paar bijzonder intelligente jongens en meisjes met wie ik met veel plezier discussieerde. Ik herinner me nog termen als “zelfverwezenlijking” en dergelijke.
Op een NZSO-weekend – ik meen in 1946 of 1947 – was eens een pro-Arabische vrouw uitgenodigd. In die tijd had ik nog niet genoeg kennis om haar scherp te bevragen: dat je als vrouw in Saoedi-Arabië bijvoorbeeld niet mocht autorijden, dat een vrouw zich niet alleen – zonder begeleider – in het openbaar kan vertonen, dat ze geen bankrekening mag hebben. Allemaal van dat primitieve moslimgedoe. Ik moet toegeven dat het moedig van haar was om zich in wat voor haar toch een vijandige omgeving was te begeven. Ze had jarenlang in Saoedi-Arabië gewoond, mogelijk in Mekka of Medina, en gold daar als een zekere autoriteit. Ze hield haar lezing, maar werd ook stevig bekritiseerd. Haar naam weet ik helaas niet meer.
Ook ds. K.H. Kroon, een liberale dominee, werd wel eens uitgenodigd om een lezing te geven. Daarnaast hebben we eens een zeer bekende pianiste en een Joodse actrice ontvangen, al zijn ook hun namen mij ontschoten.
Gedurende enkele jaren vervulde ik de functie van Tarboet-commissaris. Voorzitter wilde ik niet worden; dat bracht mij te veel verantwoordelijkheden met zich mee.’

Lustrum
‘Tijdens een lustrumjaar van de NZSO, aan het eind van de jaren veertig, werd het toneelstuk Sjabtai Tsvi opgevoerd. Ik speelde er zelf niet in mee, maar bezocht de voorstelling als toeschouwer. Het was indrukwekkend en werd uitstekend vertolkt. Zowel in de Amsterdamse Stadsschouwburg als in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag waren de zalen goed gevuld.
Het stuk was uit het Hebreeuws vertaald door de NZSO’er Bobby Herschberg. In datzelfde jaar moest ik tentamens doen; daarom trok ik mij terug uit de activiteiten en beperkte ik mij tot het bijwonen van de uitvoering.’
1953: de Watersnoodramp in Zeeland
‘Ik herinner me nog dat we na de Watersnoodramp van 1953, toen grote delen van Zeeland onder water waren gelopen, we met bussen daarheen zijn gegaan om te helpen. Er waren oproepen gedaan voor vrijwilligers om zandzakken te vullen ter bescherming van de dijken.
We hebben daar twee dagen gewerkt; het was een indringende ervaring. Tegelijk voelden we ons ook onderdeel van de bredere Nederlandse samenleving: burgers die, net als zovelen, hun bijdrage leverden waar dat nodig was.’
Brief naar het Weizmann Instituut
‘Aan het eind van mijn studie schreef ik dr. J. Jaffe van het Weizmann Instituut in Rechovot aan. Ik kende zijn werk op het gebied van spectroscopie uit mijn studie en vroeg hem eenvoudigweg: “Ik studeer over een maand of twee af – kan ik komen?”
Voor hem was dat geen gemakkelijke beslissing: hij kende mij niet, en ik had nog geen publicaties. Daarom vroeg hij mij om in Nederland geïnterviewd te worden door een bekende fysicus, werkzaam bij Philips in Eindhoven, die hij persoonlijk kende. Kennelijk heb ik daar een goede indruk gemaakt, want kort daarna kreeg ik een aanstelling.
Het was weliswaar de laagste functie op het Weizmann Instituut, maar ik had een baan.’
Naar Israël
‘Mijn Alijah in september 1955 vond plaats zonder hulp – of hinder – van de Sochnoet (Jewish Agency). Ik nam eenvoudig de trein naar Marseille en vandaar de boot naar Haifa. Jaffe ontmoette mij daar, reed mij naar Rechovot en hielp mij aan een gehuurde kamer. De volgende dag begon ik in zijn onderzoeksgroep.
Ik wilde naar Israël omdat ik mij, door wat ik tijdens de oorlogsjaren had meegemaakt, van Nederland vervreemd voelde. Wie dat niet zelf heeft ervaren, kan dat moeilijk begrijpen. Voor latere generaties is dat besef minder scherp, maar in 1945 was het onrecht nog overal voelbaar en had de Nederlandse staat zich niet van zijn beste kant laten zien. Ik wil mij daar niet over beklagen, maar voor mij was het een reden om te vertrekken. Israël was bovendien een jong land, waarvan men hoopte dat het een voorbeeld zou kunnen zijn. Nu gaat er zoveel mis dat ik niet weet of ik vandaag opnieuw die keuze zou maken.

In 1956 keerde ik nog eenmaal terug naar Nederland om te trouwen met Bianca, een jonge vrouw die ik vóór mijn Alijah had leren kennen. Samen kregen wij in Israël twee kinderen.
In 1961 gingen mijn vrouw en ik voor twee jaar naar de Verenigde Staten, waar ik een postdoctorale positie aan de Princeton University vervulde. In die periode heb ik ook een getuigenis afgelegd voor het Spielberg-project.
Aan het Weizmann Instituut specialiseerde ik mij in laserchemie, onder meer toegepast bij de behandeling van kanker. In 1966 kreeg ik een aanbod om als hoogleraar aan de Technion in Haifa te komen, wat ik graag aannam.
In 1997 ging ik met pensioen. Daarna aanvaardde ik een uitnodiging om senior adviseur te worden bij het Sheba Medical Center, een functie die ik tien jaar heb vervuld.
In 1989 werd ik verkozen tot corresponderend lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.’

Sol Kimmel is in augustus 2021 overleden.
__________________
Noten
- Anne Frank, Dagboek A, 6 januari 1944, in: Verzameld werk, Amsterdam: Prometheus, 2013.
- Ibid.
- Getuigen Verhalen, Otto Frank, transcriptie interview met Sol Kimmel door David de Jongh, 4 mei 2009.
- Ibid.
- https://www.chemistry.org.il/wp-content/uploads/2022/08/Sol-Kimel-autobiography-memoir.pdf
- Ibid.
- Ibid.
- Getuigen Verhalen, Otto Frank, transcriptie interview met Sol Kimmel door David de Jongh, 4 mei 2009.
- De Clercq Zubli is in 2001 door Yad Vashem erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren. Buurman en huisarts De Clercq Zubli greep enkele minuten voordat oom Jo en zijn gezin uit hun huis zouden worden gehaald in bij de voordeur. Hij verklaarde dat Marco Rinat roodvonk had. Door deze mededeling lieten de Duitsers en hun Nederlandse handlangers hen even met rust. Lang genoeg om weg te kunnen komen. Of Sol daar ook bij aanwezig was, kan Sol zich niet meer herinneren, waarschijnlijk was hij al eerder ondergedoken.
- Ibid.
- G.C. Hovingh, Johannes Post. Exponent van het verzet. Een biografie (Kampen, 1995).
- Onderduikersmuseum De Duikelaar.
- Albert Metselaar, Jo Moes en het driedubbele drama van Moscou (Hoogeveen, 2022).