veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Sonja Dotsch

Sonja Dotsch

Ouders Samuel Dotsch en Elizabeth Viskoop
Ouders Samuel Dotsch en Elisabeth Viskoop

‘Ik ben geboren in Amsterdam in 1936. Mijn ouders waren Samuel Dotsch en Elisabeth Viskoop. Na mij werd in 1937 mijn zus Gretha (Greetje) geboren (later genoemd Margalit) en in 1941 kwam daar nog een zus bij: Carla (later genoemd Tirza).

Wij woonden aan de Transvaalkade. Mijn vader was leerbewerker en had op zolder zijn werkplek. Ik kan me nog goed herinneren dat ik hem soms mocht helpen bij het bevestigen van de gesp aan een riem. ­Mijn moeder was huisvrouw en voor zover ik me kan herinneren, was er ook een hulp in de huishouding.

Voor mijn gevoel vierden wij geen Sjabbat en gingen we niet naar de synagoge. Ook de Joodse feestdagen speelden geen rol, al kan ik me wel herinneren dat we matsot aten. Als klein kind wist ik niet dat ik Joods was.’

 

Vroege herinneringen

 

‘Een van mijn vroegste herinneringen is dat we een poes hadden. ’s Avonds sprong die bij mij op bed, wat me zo bang maakte dat ik naar mijn moeder riep: “De poes zit op mijn bed!” Ook herinner ik me dat ik een pop had met een rieten wiegje op wieltjes.

Mijn vader had maagproblemen — ik denk kanker — en kreeg speciaal dieetvoedsel, iets met worteltjes en puree. Daar mocht ik soms van proeven. Dat eten vond ik lekkerder dan het eten dat wij zelf kregen. Verder meen ik me te herinneren dat hij vóór de oorlog in een ziekenhuis lag, mogelijk een ziekenhuis voor soldaten. Ik zie nog een ijzeren bed voor me en herinner me dat hij een uniform droeg. Hij zag er knap uit. Waarschijnlijk was hij opgeroepen voor dienst in het Nederlandse leger.

Ik ging naar een kleuterschool die achter ons huis lag. Samen met mijn kleine zusje Greetje liep ik daarheen, haar handje in de mijne. Vanaf ons balkon kon je op die school neerkijken.

Toen ik zes jaar was, moest ook ik een gele Davidsster dragen. Daar was ik trots op, omdat ik de betekenis niet begreep. Mijn zusje Greetje was jaloers omdat zij er nog geen hoefde te dragen. Tot het moment van onderduiken leidden we een min of meer “normaal” leven.

Als kind was ik ziekelijk en erg mager. Een tijd verbleef ik in een herstellingsoord buiten Amsterdam. Ik herinner me dat mijn moeder mij daar kwam bezoeken.’

 

Onderduik

 

‘Op een dag vertelde mijn moeder dat ik naar goede mensen zou gaan en daar een tijdje moest blijven. Ze legde niet uit waarom. Omdat ik al ervaring had met van huis zijn door het herstellingsoord, bleef ik er rustig onder. Mijn moeder maakte een koffertje voor me klaar, met daarin ook een pop. Die pop heb ik nooit gekregen (daarover later meer).

De drie zusjes in het ouderlijk huis in Amsterdam, enkele dagen voordat hun ouders hen meegaven aan mensen van de ondergrondse. De ouders wilden nog een foto van hun dochters hebben. Vlnr: Greetje (later Margalit), Carla (later Tirza) anderhalf jaar oud, en Sonia.
De drie zusjes in het ouderlijk huis in Amsterdam, enkele dagen voordat hun ouders hen meegaven aan mensen van de ondergrondse. Vlnr: Greetje (later Margalit), Carla (later Tirza) anderhalf jaar oud, en Sonja.

Ik werd opgehaald door een studente en naar mijn eerste onderduikadres gebracht. In totaal ben ik bij minstens tien onderduikadressen geweest. Ik heb ontzettend veel gehuild, omdat ik zo graag naar huis terug wilde. Steeds werd ik als een pakketje doorgegeven. Hoe lang ik op elk adres was en in welke volgorde, kan ik me niet meer herinneren.

Van één adres weet ik nog dat er een klein kindje was dat in een kinderstoel zat, en een opa. Ik zie nog voor me hoe hij met zijn vingers een stukje brood naar zijn mond bracht. Daardoor begon ik zelf ook zo te eten. Daar had ik wel willen blijven, maar dat kon niet: op een avond werd de vader van het gezin opgepakt.

Op een ander adres was een kanaal. Daar heeft iemand mij onder water gedrukt. Sindsdien ben ik bang voor water.

Het enige adres dat me echt is bijgebleven, is het laatste: in Sassenheim. Ik kwam daar met de bus aan, zat naast mijn koffertje en huilde: “Ik wil naar huis.” Ik kwam terecht bij Geurt en Josefien en bleef daar twee jaar. Ze hadden een dochter, Roos, die zes jaar ouder was dan ik. De pop uit mijn koffertje ging naar Roos; ik kreeg een stukje hout met iets erop geschilderd.

Geurt was groenteboer. Ze waren protestants en gingen iedere zondag naar de kerk. Josefien had een neef die hoofdonderwijzer was, maar hij durfde mij niet op school toe te laten. Het verhaal was dat ik uit Rotterdam kwam en een familielid was dat bij hen kwam wonen. Ik mocht dus niet naar school, maar moest wel drie keer per zondag naar de kerk. Daar kan ik nog steeds boos om worden. Mijn naam daar was Sonja van der Bosch.

Ik herinner me dat ik eens buiten speelde en dat een buurmeisje tegen me zei: “Jij bent een Jood.” Zelf wist ik eigenlijk nog steeds niet dat ik Joods was, maar blijkbaar wisten mensen om mij heen dat wel. “Hoe kom je daar nou bij?” zei ik tegen haar.

In het begin werd ik verwend. Ook daar was ik vaak ziek en mocht ik beneden slapen. Dat veranderde toen er nog een onderduikkind kwam, een jongen die Jaap werd genoemd. Zijn achternaam weet ik niet. We moesten op zolder slapen.

Vanaf dat moment mocht ik niet meer buiten spelen en moest ik sokken breien. Het huis had twee etages en elke dag moest ik de trappen vegen. Jaap mocht wel naar buiten, wat me jaloers maakte. Omdat ik een meisje was, moest ik meehelpen in het huishouden.

Ik herinner me een huiszoeking door Duitse soldaten. We moesten naar de zolder en daar muisstil zijn. In die periode begon ik te denken: mijn ouders zijn me vergeten.

Tijdens die jaren moesten Jaap en ik staand aan het aanrecht eten, omdat “Joden niet aan tafel mochten zitten”. Dat ging langs me heen; ik kon me er niets bij voorstellen. Alleen met Kerstmis zaten we aan tafel. Een kerstboom kan ik me niet herinneren, wel dat Roos iets speelde op de piano.’

 

Straf

 

‘Ik ging dus niet naar school, en ik kan me ook niet herinneren dat er thuis onderwijs werd gegeven. Op het terrein stond een schuur. Een keer gooide ik daar per ongeluk een kistje met appels om. Daarvoor kreeg ik straf met de mattenklopper.

Nog veel erger werd het toen ik bij een klein neefje zijn broekje naar beneden trok, uit nieuwsgierigheid naar hoe zijn piemeltje eruitzag. Ik moest de hele dag boven blijven zitten en werd uitgemaakt voor een “vies” kind.

Een andere keer stond er in de serre een emmer met aardappelen in water. Ik had dorst en nam een slok. Daarop werd ik opnieuw geslagen en bijna van de trap geduwd. Ik was een “dief” — een dief van water.

Bij een bezoek aan andere mensen stond er in de kelder een pan soep met vlees. Ik had honger — dit was nog vóór de tijd dat we tulpenbollen aten — en schepte met mijn hand vlees uit de soep. Toen ze dat zagen, kreeg ik weer zware straf. Of Jaap ook werd geslagen, weet ik niet.

In onze straat zaten Duitse soldaten. Op een dag zag ik bij hen een brood liggen en nam dat mee naar huis, in de veronderstelling dat men blij zou zijn. Dat was niet zo. Wat ik had gedaan was levensgevaarlijk en ik werd gestraft.

Omdat het te gevaarlijk werd, ging ik een tijdje naar Utrecht. Wat me daarvan is bijgebleven, is dat ik op het station een Joods jongetje zag, die ik niet kende, maar we zeiden “shalom” of “hallo” tegen elkaar. Later kwamen we elkaar nog eens tegen en herkenden elkaar van het treinstation. Zijn naam van Benzion Aluin. Daarna keerde ik terug naar Geurt en Josefien.

In 1945 werd er aan de kust en in de duinen gebombardeerd. Ik herinner me een vliegtuig dat over ons heen vloog en mensen die met hun handen gebaarden. Ik begreep niet wat ze bedoelden, maar achteraf gezien denk ik dat ze bedoelden dat ik me op de grond moest laten vallen. Ik zag bommen vallen en we gingen de schuilkelder in. Het waren geallieerde bombardementen op Duitse verdedigingswerken, maar ik wist toen niet wie tegen wie vocht.

Er kwam eens iemand van het verzet die vroeg of ze me ook sloegen. Ik antwoordde eerlijk: “Ja.” Toen werd gevraagd waarom. “Omdat ik stout was,” zei ik. De situatie verbeterde niet. In het begin ging het nog, maar daarna werd het steeds erger.

Mijn ouders zaten samen ondergedoken. Mijn vader werd opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij werd vermoord. Mijn moeder zag er niet-Joods uit en werd niet opgepakt. Zij ging naar Leiden en werkte daar als huishoudelijke hulp in een pension. Via brieven van “tante” Marie, een contactpersoon in het verzet, wist zij waar ik was.’

 

Naar Leiden

 

‘Drie maanden voor het einde van de oorlog kwam mijn moeder naar Sassenheim. Er werd tegen mij gezegd dat zij een tante was. Ik zei echter dat ik haar herkende als mijn moeder. Voor haar was het een emotioneel weerzien; voor mij was het verwarrend. Ik wist niet of zij mijn tante of mijn moeder was. Ik wilde niet bij Geurt en Josefien blijven en huilde veel. Uiteindelijk haalde mijn moeder mij op en gingen we samen naar Leiden, naar het pension waar zij werkte.

Ik moest bij haar in bed slapen en ik voelde daar een sterke afkeer bij. Tot op de dag van vandaag weet ik niet waarom. Aan de ene kant was ze een vreemde, aan de andere kant was ze mijn moeder.

Later ging ik nog één keer terug naar Sassenheim om Geurt en Josefien te bezoeken. Josefien nam me mee naar het dorpscentrum om mij iets “geweldigs” te laten zien: NSB-meisjes die kaalgeschoren waren. Dat wilde ze mij tonen. We hielden geen contact meer. Nog één keer bezocht ik Roos, toen zij een zoontje had gekregen. Ik bood mijn hulp aan, maar die werd geweigerd.

Van de bevrijding van Leiden kan ik me niets herinneren. Wel weet ik dat ik daar voor het eerst weer naar school ging. Ik herinner me dat kinderen mij uitscholden voor “vieze Jood”.

In augustus zijn mijn moeder en ik helemaal van Leiden naar het onderduikadres van mijn zustje Greetje, bij de familie Banens in Zeist, komen lopen. Greetje herkende mijn moeder direct.’

Vlnr: Sonja, moeder Elizabeth, Carla en Greetje
Vlnr: Sonja, moeder Elisabeth, Carla en Greetje

 

Terug naar Amsterdam

 

‘Na verloop van tijd gingen we terug naar Amsterdam. Mijn moeder had daar een huis toegewezen gekregen en eind augustus 1945 kwam Greetje daar bij ons.

Dit huis stond in dezelfde buurt als waar we eerst woonden. Toen Greetje weer bij ons kwam, zei ik: “Dat is mijn zusje niet. Mijn zusje heeft ander haar.” Na een paar maanden werd ook Carla teruggevonden en kwam ook weer bij ons.

We moesten ons leven opnieuw opbouwen. Mijn moeder was snel geïrriteerd, ik ook. Dat zorgde voor veel spanningen. Mijn jongere zusjes waren rustiger dan ik.

Op school mocht ik dicht bij de kachel zitten, omdat ik zo mager was en het altijd koud had. Thuis was er grote armoede. Wij kinderen kregen eten op school. Er werd mij gevraagd: “Maar wat eet je moeder dan?” Ik wist het niet. Ze zei: “Neem morgen maar een klein pannetje mee.” Vanaf dat moment liep ik elke dag met een leeg pannetje naar school en ’s middags met een gevuld pannetje terug, zodat mijn moeder ook warm eten had.

Op een dag kwam er iemand langs die samen met mijn vader in het kamp had gezeten. Toen begrepen we dat mijn vader niet meer terug zou komen. De jongere broer van mijn vader, Gershon, was de enige overlevende van onze familie. Hij vond ons. Later is hij getrouwd en naar Israël gegaan.

Na de oorlog vierden we Joodse feesten en deed het zionisme zijn intrede. Ik ging naar Tikwatenoe en later naar een andere jeugdbeweging. We leerden liedjes, wat Hebreeuws en hoorden verhalen over Erets Israël. Ik vond het geweldig.

Na de lagere school ging ik naar de industrieschool, waar ik goed leerde naaien. Ondanks dat ik de beste van de klas was, gaf het mij weinig voldoening. Ik had liever kinderverzorgster willen worden.

Artikel over de hachsjara in 's-Graveland waarvoor een foto is genomen van Sonja (straks coupeuse). Trouw, 11 september 1954
Artikel over de hachsjara in ‘s-Graveland waarvoor een foto is genomen van Sonja (straks coupeuse). Trouw, 11 september 1954
Aankondiging huwelijk van Sonja met Wim Abas, NIW, 9 maart 1956
Aankondiging huwelijk van Sonja met Ze’ev (Wim) Abas, NIW, 9 maart 1956

In 1954 meldde ik me bij de hachsjara in ’s-Graveland. In 1956 maakte ik Alijah. Ik was de laatste die vanuit deze hachsjara vertrok. Ik zeg wel eens: “Ik deed de deur achter me dicht, letterlijk en figuurlijk.” Ik kwam terecht op kibboets Amiad. De ontvangst door de tsabarim was niet warm. “Weer zo eentje uit Nederland, verwend,” werd er gezegd. Ik trouwde daar met een Nederlandse jongeman, Wim (Ze’ev) Abas, die ik van de hachsjara in Nederland kende. Na een half jaar verhuisden we naar kibboets Regba.

Wim en Sonja met dochter Margalit, zoon Benny. Sonja is zwanger van Esti
Wim en Sonja met dochter Margalit en zoon Benny in kibboets Neot Mordechai. Sonja is zwanger van dochter Esti.
Moeder Elizabeth is op bezoek bij Sonja in de kibboets
Moeder Elisabeth is op bezoek bij Sonja in de kibboets

Samen zijn we in oktober 1957 naar Nederland teruggegaan, omdat ik mij op de kibboets niet thuis voelde. Op 22 december 1957 werd onze eerste dochter, Margalit, geboren en in 1960 onze zoon Benny. In oktober 1960 gingen we terug naar Israël, naar kibboets Neot Mordechai, waar nog twee dochters werden geboren. Op de kibboets werkte ik jarenlang als verpleegkundige in de kliniek. Ik hield ervan mensen te helpen. Daarna volgde ik een opleiding en werkte ik een aantal jaren als pedicure. Van Wim ben ik in 1971 gescheiden. In 1978 verliet ik de kibboets en ging ik in Petach Tikva wonen, waar mijn moeder woonde. In mei 1961 hadden Greetje en Carla besloten om mijn moeder naar Israël te brengen. Toen ik 55 jaar was, koos ik ervoor om in een verzorgingstehuis in Kfar Saba te gaan wonen, zodat mijn kinderen zich geen zorgen over mij hoefden te maken. Later verhuisde ik naar Beth Juliana in Herzliya.

Tot op de dag van vandaag ben ik snel geïrriteerd en gebruik ik daarvoor medicijnen. Ik ben me daarvan bewust, maar dat maakt het voor de mensen om me heen niet makkelijker. Ik ben geen gemakkelijk mens, ook niet voor mijn kinderen. Soms vroeg ik me af waarom ik eigenlijk aan kinderen was begonnen, maar ik wilde heel graag een gezin.

Over mijn verleden heb ik mijn (klein)kinderen lang niets verteld. Die tijd was te verschrikkelijk en ik wilde niet “die zielige oma” zijn. Nu begrijpen ze misschien iets beter waarom ik zo snel geïrriteerd ben.’

De drie zussen Margalit (Greetje), Tirza (Carla) en Sonja, 2011
De drie zussen Sonja, Tirza (Carla) en Margalit (Greetje), 2011


Sonja Dotsch is in 2016 overleden.

____________
Dit interview is gebaseerd op het interview dat Sonja Dotsch voor Yad Vashem in 2016 heeft gegeven.

In bovenstaand interview zijn enkele namen en aspecten geanonimiseerd (fictief) om de privacy van betrokkenen te waarborgen.

Deel deze pagina