veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Rina Rothschild-Coster

Rina Rothschild-Coster

Rina met haar moeder. Beeld: Yad Vashem / 13340
Rina met moeder Niesje. Beeld: Yad Vashem / 13340

‘Ik ben geboren als Hendrina Sara Coster (roepnaam Rina) in 1932 in Hilversum. Mijn ouders waren Jacques Samuel Coster (1904-1977) (zijn Joodse naam was Saul) en Niesje (Sien) (Nissel op z’n Jiddisch) Waterman (1904-1992). Ik was enig kind. Juist omdat ik enig kind was wilde mijn moeder ervoor zorgen dat ik niet zo’n verwend kind zou worden, en ze was dus redelijk strikt.

Trouwfoto Saul Coster en Niesje Waterman, 1930. Beeld: Yad Vashem / 13340
Trouwfoto Saul Coster en Niesje Waterman, 1930. Beeld: Yad Vashem / 13340

Zowel mijn vader als moeder hadden ouders, broers en zussen, en ik groeide op omringd door een grote familie. Moeder was geboren in Amsterdam. Voor haar huwelijk was zij secretaresse en na haar huwelijk huisvrouw.

Mijn over-overgrootvader van vaderskant was de eerste Jood die in 1740 in Hilversum een huis kocht. Zowel van vaders- als van moederskant was de familie al generaties in Nederland. Waarschijnlijk komt de familie oorspronkelijk uit Duitsland, en is Asjkenazisch. Maar ik heb ook een paar overgrootouders die van Portugees-Joodse afkomst waren. Ik heb familieleden met achternamen als Cassuto, Rodrigues Pereira en de Casseres.

Mijn ouders hadden geen niet-Joodse vrienden, alleen niet-Joodse kennissen. Hun vrienden waren zowel niet-religieus als religieus. Thuis was het huishouden koosjer maar buitenshuis waren mijn ouders minder strikt. Ik kan me niet herinneren dat ik instructies van mijn ouders kreeg wat ik wel of niet mocht eten als ik eens naar een klasgenootje ging.

Wij vierden thuis Sinterklaas met cadeautjes die in de schoen werden gelegd. We spraken thuis alleen Nederlands.’

 

Emigratieplannen

 

‘In het begin had mijn vader een meubelwinkel in Amersfoort. Hij reed daar iedere dag naar toe met zijn auto, en soms nam hij me weleens mee. Dat was leuk. Ondanks het feit dat mijn vader een auto had, wil dat beslist niet zeggen dat we rijk waren, want dat waren we zeker niet.

Op een keer nam hij mij mee naar de winkel omdat er een wedstrijd was: “welke winkel heeft de meest originele etalageruit”. In mijn vaders winkel waren niet alleen meubels te koop, maar ook wollen dekens en aanverwante zaken. Hij had twee levende schapen in de etalage gezet. Ik was als betoverd. Die schapen hebben daar wel een week gestaan, meen ik. Mijn vader kreeg er zelfs een prijs voor.

Halfzus van Niesje: Ariana Waterman met Alftred Garrets op hun trouwdag in England, jaren twintig. Beeld: Yad Vashem / 13340
Ariana Waterman (de halfzus van Niesje) met Alftred Garrets op hun trouwdag in England, jaren twintig. Beeld: Yad Vashem / 13340

Daarna exporteerde hij meubels naar Engeland. Daar woonde een oom (broer van mijn moeder). Ik kan me herinneren dat mijn vader eens in de zoveel tijd voor een paar dagen naar Engeland ging. In Engeland woonden behalve de broer van mijn moeder ook een (half)zuster van mijn moeder. Mijn ouders waren anglofiel en hielden ervan om in Engeland te zijn.

Het was de bedoeling dat wij naar Engeland zouden emigreren. Ik weet het niet honderd procent zeker, maar ik geloof dat ze graag Nederland wilden verlaten. Hitler was al aan de macht en mijn ouders – en vooral mijn moeder – hadden een bang vermoeden en geloofden niet dat Nederland neutraal zou blijven in een nabije oorlog.

Ik denk dat mijn ouders van plan waren om in de grote vakantie van 1940 naar Engeland te gaan, nadat ik de tweede klas zou hebben afgemaakt. Mijn vader had al een appartement gehuurd, maar de Duitsers vielen in mei 1940 Nederland binnen en we konden niet meer vertrekken.’

 

Grootouders Coster en Waterman

 

‘Ik was heel veel bij mijn grootouders van vaderskant, bijna elke dag. Opa nam me mee naar de synagoge en oma nam me mee boodschappen doen en naar de markt. Zij waren meer religieus dan mijn ouders. Bij deze grootouders kreeg ik Joods onderwijs.

Van links naar rechts: opa Samuel Coster, oma Hendrina Coster met Rina op schoot, moeder Niesje en Nathan Coster. Beeld: Yad Vashem / 13340
Van links naar rechts: opa Samuel Coster, oma Hendrina Coster met Rina op schoot, moeder Niesje en oom Nathan Coster, circa 1935. Beeld: Yad Vashem / 13340. Beeld: Yad Vashem / 13340

Mijn moeder ging eens per week op bezoek bij haar eigen ouders in Amsterdam. Voordat ik naar school ging, nam ze mij vaak mee. In de zomer kwamen deze grootouders bij ons in huis voor een bepaalde tijd. In Amsterdam hadden we ook veel familie.

Mijn ouders waren traditioneel en alle Joodse feestdagen werden bij de grootouders gevierd. Op donderdag aten we altijd rijst en vis en daarnaast kookte mijn moeder alleen maar dingen die mijn vader lekker vond. Bij mijn grootmoeder at ik eten wat ik thuis niet kreeg. Ik had een goede kindertijd.

Ons huis was een twee-onder-één-kap-woning. Naast ons woonde een kinderloos echtpaar. Zij waren lid van de NSB. Toch waren het goede buren. Niet dat we daar over de vloer kwamen, maar ze waren altijd heel vriendelijk en aardig tegen ons. Toen de oorlog begon zei deze buurman tegen mijn vader: “Coster, mocht je problemen ondervinden, kom dan bij mij.” Pas na de oorlog begrepen wij pas welke hoge positie hij bij de NSB had gehad.’

 

Lagere school

 

Rina Coster
Rina op de kleuterschool, vijf jaar oud. Beeld: Yad Vashem / 13340

‘Ik ben drie maanden naar de kleuterschool geweest, maar ik had daar een vreselijke hekel aan. Toen zei mijn moeder: “Ach, ze kan nog wel wat thuis blijven. Ze zal nog heel wat jaren naar school kunnen gaan.” En ze heeft gelijk gekregen, want ik ben lerares geworden en heb les gegeven tot na mijn zestigste.

In Hilversum was geen Joodse school. Ik ging naar een openbare lagere school. Daar had ik een paar niet-Joodse vriendinnetjes, maar ik kwam daar niet vaak thuis en zij niet bij mij. Een van deze meisjes uit de klas was een buurmeisje. Daar ging ik rond kerst de kerstboom bekijken. Ik heb twee klassen van de lagere school doorlopen. Ik was echter vaak ziek en dan moest ik de gemiste lessen inhalen. Op zaterdag ging ik niet naar school.

Ik mocht graag lezen. Ik las al toen ik vierenhalf was. En ik mocht heel graag met mijn poppen spelen, waar ik heel wat van had. Ik heb zelfs nu nog een pop in mijn bezit die ik op mijn eerste verjaardag kreeg. Mijn moeder vertelde me later dat ze altijd uit voorzorg een flesje jodium bij zich had. Ze kon dan jodium op mijn schrammen doen als ik was gevallen. Dat gebeurde vrij vaak.

In 1940 kwamen Duitse Joodse vluchtelingen bij ons in de buurt wonen. Ik zei tegen mijn moeder: “Wat zijn hier nu voor vreemde kinderen komen wonen? Ze noemen hun moeder ‘Mutti’.”’

 

Duitse bezetting

 

Opa Josef Waterman. Beeld: Yad Vashem / 13340
Opa Josef Waterman. Beeld: Yad Vashem / 13340

‘Ik kan me herinneren dat we op een gegeven ogenblik in de de kelder zaten. Ik neem aan dat dat was vanwege bombardementen. Ik kan me herinneren dat ik soldaten en voertuigen richting Amsterdam zag rijden.

Wij zijn met de auto, samen met mijn grootouders en nog een aantal mensen, naar Amsterdam gegaan en daar gebleven tot Nederland zich een paar dagen later overgaf. Daarna gingen we terug naar Hilversum en ik ging terug naar school. In die tijd had mijn vader al geen winkel meer maar de export-business. Maar daar kwam al gauw een eind aan. Hoe mijn ouders het financieel gered hebben weet ik niet.

Mijn grootvader Waterman in Amsterdam had wat we nu Alzheimer zouden noemen. Hij was opgenomen in een ziekenhuis, maar hij moest het ziekenhuis verlaten om plaats te maken voor gewonde soldaten. Kort daarna is hij overleden en begraven. Mijn grootmoeder, Sara Waterman-Frankfort, bleef alleen achter.’

 

Verhuizen naar Amsterdam

 

‘Nadat mijn vader de export-business kwijt was, heeft een van mijn ooms mijn vader in dienst genomen. Dat werk was in Amsterdam. Wij zijn toen in de zomer van 1940 verhuisd naar Amsterdam en trokken bij grootmoeder Waterman in. Opa en oma Coster bleven in Hilversum wonen.

Wij hadden het geluk dat wij naar Amsterdam waren gekomen voordat de Duitsers aan Joden de orders gaven om zich in Amsterdam te vestigen. Wij hadden de verhuizing kunnen voorbereiden en stonden ook ingeschreven bij de gemeente. We hebben twee jaar in Amsterdam gewoond tot we gingen onderduiken.

In het begin van de oorlog mochten Joden nog reizen en konden we naar Hilversum om onze familie te bezoeken. Op mijn negende verjaardag kreeg ik een fiets. Later moesten Joden hun fietsen inleveren. Tot vandaag mis ik het fietsen.

De familie woonde verspreid in Amsterdam, maar wel allemaal op loopafstand zodat we hen konden bezoeken.

Ik vond het erg jammer dat we op een gegeven ogenblik niet meer met de tram mochten reizigen, want dat vond ik heel erg leuk. De Joodse kinderen uit Hilversum kwamen later ook naar Amsterdam en daar zag ik hen weer.’

 

Herman Elteschool

 

‘In Amsterdam ging ik naar een Joodse school, de Herman Elteschool. Tot juli 1942 ben ik op school gebleven.
Ik geloof dat ik de anti-Joodse maatregelen accepteerde zoals ze waren. Voor mij was het belangrijk dat ik bij mijn ouders was, ongeacht wat er verder dan om mij heen besloten werd.

Ik vond de overgang naar Amsterdam niet problematisch. De buurt waar wij woonden was voor 60 procent Joods. Ik voelde me thuis. Ik had vriendinnen en, zoals gezegd, ook daar was veel familie. Er woonde een aantal NSB-families in de straat, maar het overgrote deel was Joods. Ik kan niet zeggen dat we rechtstreeks van buren anti-semitische incidenten ondervonden.

Mijn vader kwam te werken bij mijn oom die opkoper was van lompen en oude metalen. Hij verkocht het daarna door aan fabrieken die het recycleden en er onder andere papier van maakten. Ook verkocht hij door aan de Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken (KNHS). Voor mijn vader was dit een nieuw vak, maar hij werd helemaal enthousiast en hij heeft dit gedaan tot zijn dood.

Hij moest de inkoop checken, daarna werd het in balen gebonden en doorverstuurd. Mijn vader reisde het land door om in te kopen voor mijn oom. In die jaren had hij een speciale vergunning. Ook na de oorlog ging mijn vader met dit werk door. Hij ging toen voor zijn werk ook naar België, Frankrijk en Engeland.’

 

Oproep Westerbork

 

‘Westerbork had nog geen angstklank in onze oren, maar Mauthausen wel. In februari 1941 was bij een gewelddadig treffen tussen WA’ers en Joden, de NSB’er Hendrik Koot gedood. Als vergelding werden tijdens een razzia meer dan vierhonderd Joodse mannen gearresteerd en naar Mauthausen gedeporteerd, waaronder een neef van mijn moeder. De omstandigheden in Mauthausen waren erbarmelijk en na enige tijd werden er overlijdensberichten naar Amsterdam verstuurd.

Voor de oorlog had mijn moeder geluisterd naar de toespraken van Hitler waarin hij openlijk gezegd had dat hij van de Joden af wilde, en zij had dat direct voor waarheid aangenomen. Toen de oproepen kwamen, vond ze het heel vreemd dat er ook een werkoproep naar een meisje van negen jaar was gestuurd. Zij zei: “We moeten een uitweg vinden om niet naar ‘het oosten’ te gaan.” Ondanks haar wantrouwen hadden mijn ouders toch warme kleren bij elkaar gezocht en ingepakt.

Tot ons geluk kreeg mijn moeder een kinderziekte en als volwassenen het krijgen zijn ze er heel ziek van. We kregen een week uitstel van deportatie.

Tegenover ons woonde een niet-Joods gezin met een kruidenierswinkel. Deze mensen waren goed, en we hadden een goede relatie met deze mensen. Ik leende boeken van hen. Dat moest ik doen zonder dat iemand het zag, want een van de anti-Joodse maatregelen was dat Joden niet bij niet-Joden in huis mochten komen en omgekeerd.

De winkeliersvrouw had een getrouwde zuster, zonder kinderen, die in Amstelveen woonde. Deze winkeliersvrouw bracht mijn ouders en dit echtpaar met elkaar in contact om bij hen een onderduikplek te regelen.

We moesten ons op een donderdag, eind juli, ’s avonds melden op een verzamelplaats. Onze achternaam begon met een C, en wij hadden een oproep gekregen. Terwijl mijn moeders familie, wiens achternaam met een W begon, nog geen oproep gekregen hadden. Op deze aangewezen dag zijn we naar dit echtpaar in Amstelveen gegaan.’

 

Onderduiken in Amstelveen

 

Oma Sara Frankfort, de moeder van Niesje Coster
Oma Sara Frankfort, de moeder van Niesje Coster

‘’s Middags nam de dochter van de overburen mij mee, zogenaamd voor een wandeling. Ik meen dat ik drie jurken over elkaar heen droeg. Ze nam mij mee naar wat ons onderduikadres zou zijn.

We gingen met de bus van Amsterdam naar Amstelveen, maar hoe we bij die bus gekomen zijn weet ik niet meer. Ik heb niets meegenomen behalve een paar vellen papier waar ik op kon tekenen. ’s Avonds kwamen ook mijn ouders. Hoe weet ik niet.

Toen we daar eenmaal waren stuurde mijn oma spullen, zoals kleren, boeken en speelgoed, naar ons via de winkeliersvrouw. Na een maand vroegen mijn ouders of ook mijn oma bij hen mocht komen onderduiken. Zij moeten gedacht hebben: we hebben er al drie, wat al heel gevaarlijk is, dan maakt een vierde ook niet meer uit. Oma is bij ons gekomen en we zijn de hele periode bij elkaar gebleven. Ook na de oorlog is oma bij mijn ouders gebleven. Ze is in 1972 overleden.’

 

Jaap en Annie Knikker

 

‘We doken onder bij Jaap en Annie Knikker. Ik noemde hen oom en tante. Hij had een kantoorbaan, en in zijn vrije tijd schilderde hij. Zijn vader en twee van zijn broers waren kunstschilder. Oom Jaap leerde me schilderen, hoewel ik niet echt talent heb. Hij was ook muzikaal en gaf me pianolessen. Tante Annie zong. Ze was een sopraan, maar het klonk als een fluitketel. Tot op de dag van vandaag kan ik de stem van een sopraan niet uitstaan.

Ze waren zeer anti-Duits. Het is eigenlijk grappig, want hij heeft ronduit gezegd: “Ik houd niet van Joden, maar wat jullie aangedaan wordt is een schande en daar ben ik helemaal op tegen.” En dat is de reden waarom ze ons in huis genomen hebben. Hij was reuze aardig en lief voor mij. Misschien omdat ze zelf geen kinderen hadden. Daarmee wil ik niet zeggen dat tante Annie niet aardig was, maar hij was bijzonder. Ik hoorde de reden waarom hij niet van Joden hield. Toen hij nog jong was, had een Joodse jongeman zijn meisjes afgepakt. Tja, dat gebeurt soms.

Het huis waar wij waren ondergedoken stond aan een straat, die volgens mij was aangelegd in opdracht van de socialistische partij. Aan weerskanten van de straat stonden kleine afzonderlijke huisjes, met achter elk huis een heel groot stuk grond, waar je een heel grote moestuin kon aanleggen.

Zij hadden ook vruchtbomen, konijnen, schapen en katten, een soort van mini-boerderij. De groentetuin leverde niet voldoende groenten op voor ons zessen, maar ’s zomers was er wel genoeg fruit.

Voor huis was een klein tuintje tot aan de straat, en tegen de straatkant aan een greppel met water, en daaroverheen een bruggetje. We zijn overdag altijd binnen gebleven, tot de Hongerwinter.

Tante Annie was overdag thuis. Eén keer per dag bracht ze de krant rond. En ze moest de mini-boerderij verzorgen.

Rina op haar onderduikadres. Beeld: Yad Vashem / 13340
Rina op haar onderduikadres. Beeld: Yad Vashem / 13340

Op de begane grond was de studeerkamer en daarin woonden wij overdag. In de regel aten we niet met oom en tante, en ook ’s avonds zaten we niet bij hen.

Boven waren drie kamers, waarvan wij er één hadden. Het huis had een schuin dak en er was geen zolder. In de kamers boven was een rechte wand gezet, waardoor een soort van kruipruimte was ontstaan tussen die wand en het dak. Deze ruimte was bedoeld in geval Duitsers huiszoeking zouden doen. Ik geloof zeker dat de Duitsers door zouden hebben dat er een schuilplek achter die rechte wand was en we zouden zeker ontdekt zijn. Deze ruimte diende als kast. Daar sliep ik in. Er stond ook een radio. Beneden was ook een radio en ’s avonds luisterden we naar de BBC. We wisten wel wat er in de buitenwereld met de Joden gebeurde, maar wat er precies met hen gebeurde in het Oosten wisten we niet. Van de gaskamers wisten we het bestaan niet.

In het begin hebben mijn ouders betaald voor ons onderhoud, niet voor de onderduik zelf. We kregen bonnen via de ondergrondse. Eens hoorde ik oom en tante zeggen dat het geld “van de kerk” kwam, maar ik heb geen idee van welke kerk.

We hebben zoveel geluk had. Iedereen wist dat we daar waren maar niemand heeft geklikt. Al hun vrienden en alle buren wisten dat wij daar zaten. Ik beschouw dit als een wonder.

Op een avond toen er ook een avondklok was voor de niet-Joden werd er bij ons aangebeld. Natuurlijk schrokken we enorm. Voor de deur stond een politieagent. Hij zei tegen tante Annie: “Zeg tegen jullie Joden dat ze zich verbergen, want er is een regiment SS’ers gearriveerd die huiszoekingen doen.” Hij vertelde dat de burgemeester hem had gestuurd.

Er waren veel Joden in Amstelveen ondergedoken en van een aantal wisten we dat. Later hoorden we dat ook een vriendin van mijn moeder in Amstelveen ondergedoken had gezeten. Ook de weduwe van die neef die naar Mauthausen was gedeporteerd.

In de buurt waar wij ondergedoken zaten, waren ook Joden ondergedoken die wel verklikt en opgepakt zijn, samen met de onderduikgeefster. Haar man was niet thuis en hij is dus niet opgepakt. Zij is in Ravensbrück overleden.

Wanneer het ’s avonds donker was, gingen we even naar buiten. Ik kreeg boeken om te lezen. Oom en tante hadden abonnementen op een aantal bladen die ik ook kon lezen. Daarbij kreeg ik les van een onderwijzer uit Amsterdam. Hij kwam op woensdagmiddag, Sjabbat en zondag op de fiets naar Amstelveen. Hij wist waar ondergedoken Joodse kinderen zaten. In zijn vrije tijd fietste hij de adressen langs en gaf hen les. Ik kreeg twee uur per week intensief les van hem. Hij gaf me ontzettend veel huiswerk, voor de hele week. Na de oorlog is hij directeur van een school geworden. Door deze lessen kon ik, toen ik na de oorlog weer naar school kon, zo instromen.

Als bezigheden speelde ik veel patience, ik tekende en deed mijn huiswerk. Ik denk dat mijn ouders en oma zich wel vaak hebben verveeld. Mijn moeder maakte het huis schoon, behalve de salon, want die was aan de straatkant en dan zou ze gezien kunnen worden.

De hele tijd omringd te zijn door volwassenen ervoer ik wel als een gebrek aan privacy. Soms ging ik overdag naar boven, naar de slaapkamer, om even alleen te zijn en daar wat te spelen of te lezen.’

 

Hongerwinter, bevrijding

 

‘Op het dieptepunt van de oorlog, was het officiële maximale aantal calorieën, 600 per dag, maar zelfs dat kregen we niet. Door de Hongerwinter werden we gedwongen om ons naar buiten te begeven. Ik werd gestuurd om in de rij bij de gaarkeuken te gaan staan. Als ik bijna aan de beurt was, kwam tante om met mij te wisselen.

Ik kan niet zeggen dat we echt blijdschap voelden bij de bevrijding. We wisten immers niet wat er met de rest van onze familie was gebeurd. We maakten ons grote zorgen om hen.’

 

Terug naar Hilversum

 

‘Na twee weken huurden mijn ouders een fiets. We fietsten naar Hilversum om te kijken of we naar ons eigen huis terug konden er of ook familie teruggekomen was. Maar niemand was naar Hilversum teruggekomen.

Mijn ouders kregen twee kamers in huis bij een gemengd gehuwd echtpaar. Daar woonden we drie à vier maanden. In ons eigen huis woonden twee families. Aangezien wij “maar” met z’n vieren waren, verzocht de plaatselijke overheid mijn vader die twee gezinnen daar te laten wonen en dat hebben mijn ouders gedaan.

ina's ouders: Saul Coster en Niesje Waterman
Saul Coster en Niesje Waterman

Een van mijn vaders zusters kwam heel ziek terug naar Nederland. Ze werd eerst in een ziekenhuis in Maastricht opgenomen. Maar we begrepen dat zij de enige was. Van moederskant kwamen meer familieleden terug.

Wat voor ons moeilijk was, was het feit dat “het leeg” was om ons heen. Er waren zo veel huizen waar wij gewoonlijk in- en uitliepen, maar er was niemand meer. Wij waren de enigen van de familie die overgebleven waren. En dat was moeilijk. Er kwamen wel weer Joden naar Hilversum, maar die hadden we voor die tijd niet gekend. We hebben altijd contact gehouden met oom en tante en ik ging een aantal keren bij hen op bezoek.’

 

Gymnasium

 

‘In september 1945 ging ik naar de openbare middelbare school, een gymnasium. De medescholieren stelden zich gewoon op tegenover mij. Ik vond het echter moeilijk om op school te wennen, want ik was zo gewend om alles in mijn eigen tempo te doen, en alleen. Het duurde meer dan een jaar voordat ik gewend was.’

 

Joodse Jeugdfederatie in Hilversum

 

‘Ik herinner me dat er al vrij snel, ik meen in augustus 1945, een groepje voor de jeugd was. Ik geloof dat het georganiseerd werd door de Joodse Jeugdfederatie. Het was een klein groepje. Ik ben daar ongeveer een jaar naartoe gegaan. Het hield op, omdat de madriecha naar Israël is gegaan.

Ik herinner me dat in Hilversum, in die tijd tenminste, elke organisatie geen lang leven was beschoren. Hilversum was geen goede plek voor verenigingen. De reden was, denk ik, dat Hilversum te dicht bij Amsterdam en bij Utrecht ligt.’

 

Meisjes-Tsofiem in Hilversum

 

RinaRotschild-Coster
Rina in padvindersuniform

‘Nadat ons groepje ophield te bestaan was er eigenlijk niets meer. Ik was bij het Nederlands Padvindsters Gilde, bij een meisjesgroep. Na een paar jaar dacht ik: waarom zou ik eigenlijk geen groepje maken voor Joodse kinderen? Zo zijn we in Hilversum begonnen met de meisjes-Tsofiem. Ik denk dat het in 1949 was. De meisjes waren in de leeftijd van tien tot vijftien jaar. Het was een heel klein groepje.

Later zijn er meer kinderen bij gekomen, want in Hilversum bevond zich de Rudelsheim Stichting. Daar waren Joodse weeskinderen en kinderen die om verschillende redenen niet meer bij hun ouders konden wonen. Een aantal van hen zijn erbij gekomen. Het was een heel aardige groep.

Er was ook een groep van jongens in Hilversum. De meisjes en de jongens hadden aparte bijeenkomsten. Maar de leider(s) van de jongens en ik regelden wel alles samen. We hadden geregeld vergaderingen, meestal bij mij thuis want wij hadden de ruimte.

Ik dacht vaak: hé, dat zou ik ook kunnen doen. Ik besprak mijn ideeën met de leiders van de jongens. Die voerden we dan ook uit, maar apart.

Ik heb eigenlijk veel alleen gedaan, want er was niemand anders van mijn leeftijd die geïnteresseerd was in padvinderij. Ik was zowel de penningmeester als de secretaris.

Er was ook een Tsofiem in Amsterdam, een jongens-Tsofiem in Den Haag en in Apeldoorn. Ik ben verschillende keren naar de leidster van de meisjesgroep in Amsterdam gegaan. Daar hadden we dus wel contact mee.’

 

Met de Tsofiem naar Amsterdam

 

‘Eén of twee keer per jaar gingen we met de kinderen van Tsofioet naar grote feesten in Amsterdam. Of die georganiseerd werden door Tikwatenoe weet ik niet meer. Ik herinner me dat op zo’n bijeenkomst een broertje en een zusje elkaar daar zagen. Ik kende ze beiden niet, maar men vertelde mij dat het broertje en het zusje niet in hetzelfde (te)huis woonden en elkaar weinig of nooit zagen. Ik vond dat heel erg om te horen.

Ik meen me te herinneren dat die feesten in Hotel Krasnapolsky waren. Wij zaten in de zaal en keken naar een toneelstuk. Verder hadden we eigenlijk niet veel contact met Tikwatenoe.’

 

Achisomog Apeldoorn

 

‘Er was ook een padvindersgroep in Achisomog in Apeldoorn. Dat was een tehuis voor kinderen die mentaal niet helemaal in orde waren. Die meisjes in die groep waren niet achterlijk, maar een beetje raar. Ik ben zelf een keer naar Apeldoorn gegaan, omdat de leiding met vakantie was. Ik kon geen behoorlijke aansluiting met die meisjes krijgen. Ik was er volkomen misplaatst en kon het niet. Ik deed het zeker verkeerd, en ik ben ermee opgehouden.’

 

Activiteiten

 

‘Bij Tsofiem deden we dezelfde activiteiten zoals die bij de gewone padvinderij gedaan worden. Zoals knopen leggen, een beetje natuur, beetje spelletjes, beetje wandelen, en spoorzoeken. We zongen ook Ivriet liedjes en dansten de hora.

In Nederland is Hemelvaartsdag een vrije dag. Ik herinner me dat wij op die dag, ’s ochtends vroeg, het bos in gegaan zijn. Het begon echter vreselijk te regenen. Onze wandeling kwam uit in Baarn, bij een padvindershuis. We waren allemaal drijfnat geworden en we deden onze natte schoenen uit. Daarna konden we de schoenen niet meer aankrijgen. Toen hebben we maar naar huis gebeld en er zijn een paar vaders gekomen om ons op te halen.’

 

Weekend in Den Haag

 

‘Ik herinner me dat we met alle leiders van alle groepen naar Den Haag zijn gegaan. Daar was een grote groep padvinders. Joodse jongelui waarvan een gedeelte bij de niet-Joodse beweging zaten. Wij zijn daar een weekend geweest.’

 

Zomerkamp in Borculo

 

‘We hadden een keer een zomerkamp in Borculo met andere groepen Tsofiem. Het was niet zo’n succes want we deden wel dingen samen maar de Amsterdammers hielden zich grotendeels apart.

Ik herinner me alleen dit ene kamp. We hebben zelf gekookt, maar ik weet niet waar de boel vandaan kwam. We gingen daar natuurlijk ook naar sjoel. Het was niet zo vreselijk uitgesproken Joods, maar wel degelijk padvinderij.

Mijn latere man, Werner Rothschild (1927-2014), heeft direct na de oorlog samen met Hans Bloemendal, Jacob Stodel en Philip Wagenaar in Amsterdam, met hulp van de Joodse gemeente, zich met Tikwatenoe beziggehouden. Tot hij naar de universiteit ging.’

 

Universiteit van Amsterdam

 

‘Ik was in Hilversum al meer religieus aan het worden. In mijn ouderlijk huis was na de oorlog de huishouding niet meer koosjer. Ik ben mede daarom op negentienjarige leeftijd naar Amsterdam gegaan om daar te wonen en te studeren. Mijn ouders zijn tot hun dood in Hilversum blijven wonen.

Ik heb de Tsofiem-groep overgedragen aan iemand die van buiten Hilversum kwam. Het was haar waarschijnlijk op een gegeven moment toch te veel, en ze is er mee opgehouden. In Amsterdam heb ik me aangesloten bij een groep van Hasjalsjelet.

Ik ben aan de Universiteit in Amsterdam Engels en Duits gaan studeren. Ik woonde bij de orthodoxe familie Elburg. Hij was een jeugdvriend van mijn vader. Deze mensen hadden een huis waar Joodse jeugd kon wonen die om een bepaalde reden in Amsterdam moesten zijn. Daar leerde ik veel over het Jodendom. Vanuit dit huis ben ik later ook getrouwd.

Na het behalen van mijn BA heb ik eerst wat privé-les geven. Daarna werd in onderwijzeres Engels op de Joodse middelbare school. Daarmee kon ik zelfstandig mijn leven inrichten en kon ik Joods zijn op de manier zoals ik dacht dat een Jood moest leven.’

 

Huwelijk en Alijah

 

‘Begin 1960 ben ik getrouwd met Werner Rothschild. Hij was ook leraar op de Joodse middelbare school. Hij wilde graag op Alijah en vier maanden na ons huwelijk zijn we op Alijah gegaan. We kregen drie kinderen. Mijn moeder kwam alleen of samen met mijn vader regelmatig bij ons en wij gingen ook wel naar Nederland.

We woonden eerst in Jeruzalem. Werner, die chemicus was, vond werk op het laboratium van de Dead See Works. Toen het laboratorium naar Beër Sjeva werd verplaatst, zijn we niet mee verhuisd. Voor chemici was in die tijd Haifa dé plaats en daar hebben we vierendertig jaar gewoond. Veel later zijn we naar Jeruzalem teruggegaan.

Toen ons jongste kind één jaar was, heb ik zeven jaar lang ’s avonds een cursus Duits aan het Technion gegeven. Dat was een prima regeling, want mijn man kwam ’s middags thuis en een uurtje later ging ik naar mijn werk. Daarna heb ik eenentwintig jaar Engels aan het Technion gedoceerd.’

Rina en Werner Rothschild
Rina en Werner Rothschild


Rina Rothschild-Coster is in 2021 overleden.

Deze tekst is gebaseerd op het interview dat Wendy Cohen-Wierda in mei 2013 met Rina Rothschild-Coster afnam, aangevuld met informatie uit het interview dat Rina in 2009 aan Yad Vashem gaf.

Deel deze pagina