veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Carla Heijmans-Lessing

Carla Heijmans Lessing

‘Ik ben geboren als Carla Heijmans in Rotterdam op 4 november 1929. Mijn moeder, Hester Baruch, werd geboren in Duitsland, in Gelsenkirchen. Mijn vader werd geboren in Enschede. Zijn moeder was ook geboren in Duitsland. Mijn ouders zijn getrouwd in 1925. Mijn broer Herman werd geboren in 1926.

Mijn grootouders Heijmans woonden in Rotterdam. Mijn grootvader, mijn vader en de man van zijn zuster hadden daar een import- en exportbedrijf.

Omdat het moeilijk ging met de schoonouders die om de hoek woonden in Rotterdam, besloten mijn ouders in 1930 naar Den Haag te verhuizen. We woonden aan de Wildhoeflaan. Mijn vader is in 1936 overleden.

Mijn moeder had heel zwart haar en zag er heel Joods uit. Ze lachte zelden. De vrienden van mijn ouders waren allemaal Joden, één of twee uitgezonderd.’

 

Lagere school en Joodse les

 

carla heijmans
Carla op school

‘In Den Haag ging ik naar de lagere school aan de Geraniumstraat. Ter ere van de geboorte van prinses Beatrix in 1938 kregen de Joodse kinderen op school beschuit met koosjere boter en muisjes.

In plaats van een vrije woensdagmiddag te hebben, moest ik op die middag, naar de Joodse school. Dat vond ik niet leuk. We moesten Hebreeuws lezen en vertalen. Er was een oudere man met een baard. Ik weet niet of het een rabbijn was. Mijn ouders waren niet religieus, maar we hielden wel Sjabbat. Mijn grootvader in Duitsland ging iedere Sjabbat naar sjoel maar wij niet. Iedere vrijdagavond bereidde mijn moeder het vrijdagavonddiner met kippensoep. Tijdens Pesach aten we matses. Mijn broer was bar mitswa in 1939.

In de vakanties van 1937, 1938 en 1939 ging ik naar mijn grootouders in Duitsland. Mijn grootvader zei als we buiten op straat liepen: “Val niet op.”

Voor de oorlog waren we niet-zionistisch. In Den Haag woonden wij aan een plein. Er woonden meerdere Joodse families in de buurt. Op de hoek was een kledingzaak en de eigenaren waren Joods. De meeste mensen waren echter rooms-katholiek.

Als ik buiten op het plein speelde, speelde ik ook met de katholieke buurtkinderen. Een neef van mij is getrouwd met een meisje uit een katholiek gezin. Mijn moeder had ook een niet-Joodse vriendin en zij heeft ons geholpen met het onderduiken.

Een buurman, die fotograaf was, vroeg iedere kerstmis of wij de kerstboom wilden zien. We mochten gaan kijken. Ze hadden een hele mooie kerstboom met een heleboel dingen eronder.’

 

Joodse school Scheveningen

 

‘Op een gegeven moment kon ik niet meer naar school in de Geraniumstraat. Toen moesten we naar een Joodse school in Scheveningen. We mochten niet meer met de tram, dus liepen we daarheen. Dat was een heel eind. We deden er ongeveer 35 à 45 minuten over. Ik zat in de zesde en zevende klas. Die klassen waren samen. Onze leraar, meneer Engelander, pikte onderweg naar school de kinderen op.

Ik had daar een prettige school. Maar langzamerhand verdwenenen de kinderen. Aan het eind van het schooljaar waren er niet zoveel kinderen meer over.’

 

Onderduik: augustus 1942

 

‘Mijn moeder had een vriendin die contact had met een rooms-katholieke priester. Die zorgde voor de onderduik. Mijn broer dook als eerste onder. Hij had een onderduikplaats in Den Haag bij een rooms-katholieke weduwe. Eén, twee weken nadat mijn broer was ondergedoken bij deze vrouw zijn mijn moeder en ik daar ook naartoe gegaan. De priester had haar gevraagd of wij ook konden komen en zij had “ja” gezegd. We moesten ’s avonds in het donker naar haar adres lopen.

De reden waarom ze Joden in huis nam was niet om de Joden te redden. Zij wilde na haar dood er zeker van zijn naar de hemel te kunnen. Ze dacht dat als ze Joden redde, ze op die manier voor haar zonden boete deed en daarmee een plaats in de hemel verdiende.

We zaten in een kleine stoffige kamer en mijn broer kreeg daar astma-aanvallen. Maar hij mocht niet hardop hoesten.

We waren daar drie maanden maar toen kon die mevrouw het niet meer uithouden van de angst en we moesten weg. Ze had angstdromen dat ze doodgeschoten zou worden door de Duitsers omdat ze Joden verborg.’

 

Onderduik in Delft

 

‘De vriendin van mijn moeder nam weer contact op met de priester. Hij vond een familie in Delft die ons tijdelijk in huis wilde nemen. Toen moesten we van Den Haag op de trein naar Delft. Daar wachtte een ons onbekende man op ons. Het bleek de heer Van Geenen te zijn.

Kapperszaak W.A. van Geenen, Delft, 1960. Beeld: Stadsarchief Delft / Wouter Stolk
Kapperszaak W.A. van Geenen, Beestenmarkt 25-27, Delft, 1960. Beeld: Stadsarchief Delft / Wouter Stolk

Die familie Van Geenen had zeven kinderen en een heel klein huisje. De kinderen waren in de leeftijd van twee tot zeventien jaar. We zouden daar tijdelijk zijn, maar we zijn tot het eind van de oorlog gebleven (van november 1942 tot mei 1945).

Op de onderste verdieping van het huis was de kapperszaak en schoonheidssalon waar ze beiden werkten. Een aantal keren moesten we ergens anders heen vanwege huiszoekingen. Dan gingen we naar een nabij gelegen rooms-katholieke kerk. Daar zaten we soms zelfs wel een paar dagen in de sacristie. Daarna gingen we weer terug.

De broer van mijn moeder, Rudi Baruch, was in 1933 naar Dinxperlo, aan de Duitse grens, gevlucht en was een van de oprichters van de Dinxperlose lijmfabriek SABA. Mijn grootouders waren tot 1939 in Duitsland en deze oom heeft zijn ouders, onze grootouders, uit Duitsland naar Dinxperlo gebracht.

In Dinxperlo was iemand die valse persoonsbewijzen maakte. Deze man is met nog iemand naar Delft gekomen met alle attributen om persoonsbewijzen te maken in hun regenjassen verstopt. Ze hebben voor ons alle drie valse persoonsbewijzen gemaakt. Ik meen dat onze achternaam Bunsink of zo was.

De familie Van Geenen was rooms-katholiek, maar anders katholiek dan de mevrouw in Delft. Ze gingen wel allemaal zondag naar de kerk en ze baden voor de maaltijd, maar het was niet zo streng. Ze hebben nooit geprobeerd ons naar het christendom over te halen.

Hij was een zeer bijzondere man met een tegendraadse persoonlijkheid. Hij wilde Joden redden om zo tegen de regels van de bezetter in te gaan. Toen wij daar in huis kwamen, waren er twee andere Joodse mannen op bezoek. Dat was erg gevaarlijk. Waarschijnlijk waren ze daar op bezoek omdat hij valse bonkaarten had. Ik denk dat hij in de ondergrondse zat.

Boeren en landbouwers uit de omgeving van Delft kwamen op marktdagen naar de stad om hun groenten te verkopen. Dan lieten ze zich door mijnheer Van Geenen knippen of scheren en betaalden hem met een bloemkool of een komkommer. Van Geenen had ook valse bonkaarten. Daardoor had iedereen in huis twee bonkaarten. Desondanks was er niet genoeg te eten voor twaalf personen met al die opgroeiende kinderen.

We bleven lang in bed liggen tot tien uur of zo. Tot iedereen uit huis was, tot alle kinderen naar school gingen en de onderduikouders naar hun werk. Dus een dag was niet zo lang. Daarna werkten mijn moeder en ik in de keuken, we schilden de aardappelen en kookten wat er voorhanden was.

Er waren zes zonen en een dochter. De dochter was de oudste en zij ging naar de bibliotheek en haalde soms boeken voor ons. We stopten de sokken, en we breiden sokken.

Op zondagen kwamen altijd familieleden op visite. Dan moesten wij naar boven, omdat eigenlijk niemand wist dat wij daar ondergedoken zaten.

De jongste zuster van mijn onderduikmoeder zou een baby krijgen en zij wilde graag dat ik haar kwam helpen wanneer die baby kwam. Ik ben met mijn onderduikvader naar haar huis gegaan. Zij woonde ook in Delft en daar was ik een paar weken om haar te helpen in het huishouden. Daarna ben ik weer teruggegaan.

In die tijd dat ik bij haar was moest ik wel alleen over straat lopen. Dat vond ik toch wel spannend en angstig omdat ik dat niet meer gewend was.

Ik ben ook een paar keer met de kinderen Van Geenen naar hout en kooltjes gaan zoeken om op te koken. Ik bond dan een hoofddoek over mijn donkere haar en droeg houten klompen.

In dat kleine keukentje wasten we ons ook. Mijn moeder was trouwens opgehouden met menstrueren. Ikzelf werd een jaar na de bevrijding pas ongesteld. Daaruit blijkt dat we ondervoed waren. Ik was erg mager.

De oudste zoon van Van Geenen werd opgeroepen om naar een werkkamp te gaan in Duitsland. Hij moest een moeilijke beslissing maken. Als hij besloot om te gaan onderduiken zouden wij moeten vertrekken. Als hij besloot om naar Duitsland te gaan, dan konden wij blijven. Hij besloot om naar Duitsland te gaan. Dat heeft ons gedurende veel lange jaren een schuldgevoel gegeven. Hij is teruggekomen, maar hij heeft erg geleden in dat werkkamp.

In 1957, toen mijn man en ik voor een jaar in Scheveningen woonden, hebben we de familie Van Geenen weer opgezocht. Daarna hebben we ze altijd opgezocht als we in Holland waren.’

 

Na de bevrijding: terug naar Den Haag

 

‘Na de bevrijding zijn we nog twee tot drie weken bij de familie Van Geenen in Delft gebleven. Mijn moeder ging een paar keer naar Den Haag om uit te zoeken wie er nog in leven was. Ze zocht waarschijnlijk ook haar vriendin op.

Mijn moeder stuurde mij naar een verre nicht van mijn vader die in Den Haag woonde. Daar was ik een paar weken. Inmiddels had mijn moeder een appartement gevonden in Den Haag. Eerst in een heel slechte buurt, de Boekhorststraat, later vond ze een appartement in een goede buurt.

Mijn moeder moest geld gaan verdienen. Ze verkocht parfumerie. Ze had een neef die parfumverkoper was en zij deed dat ook. Dan ging ze naar winkels en parfumeriezaken.

Mijn moeder stuurde me naar de huishoudschool zodat ik met meisjes van mijn leeftijd was en ’s avonds ging in naar de mulo. Ik was heel druk bezig. Ik vond ook een vriendin terug die ondergedoken was geweest.

Rapport Huishoudschool van Carla, 1947. Beeld: USHMM
Carla’s rapport van de huishoudschool, 1947. Beeld: USHMM
Carla Lessing
Carla. Beeld: USHMM

Mijn grootouders waren in de buurt vlakbij Dinxperlo ondergedoken en mijn oom ook. Ze hebben het overleefd. Ze waren met z’n drieën ondergedoken op een boerderij. De laatste week voor het einde van de oorlog zijn ze gevangengenomen en in de gevangenis gezet. Daar wisten ze niet wat ze met hen moesten doen. Ze zijn na de oorlog teruggegaan naar Dinxperlo.

Mijn broer ging heel snel op hachsjara in Utrecht. Ik denk dankzij contact met de Joodse beweging. Mijn broer zou voor militaire dienst opgeroepen worden om naar Nederlands-Indië te gaan vechten en dat wilde hij niet. Toen is hij op illegale Alijah naar Israël gegaan. Hij zat voor een paar weken of maanden in het zuiden van Frankrijk. Hij was op de laatste boot die naar Israël ging en niet naar Cyprus. Mijn moeders oudste broer en zijn vrouw woonden in Israël. Er was dus familie in Israël.

Mijn moeder had gezien wat er in de jaren dertig met de Duitse Joden en hun bezittingen gebeurde. Daarom was ze zo slim om een paar schilderijen en andere waardevolle zaken te laten onderduiken. Het is na de oorlog allemaal teruggegeven. Zo heb ik een heel servies met een gouden randje, dat zij kreeg met haar trouwen. En kristallen voorwerpen en een gebedenboek.’

 

De Joodse jeugdgroep Aliya

 

‘Mijn moeder en ik waren samen in Den Haag. Mijn moeder werkte en ik ging naar school. Eén keer ben ik teruggegaan naar waar wij voor de oorlog woonden. Ik liep een slagerij binnen en vertelde dat we nog in het leven waren. Alles wat ze konden zeggen was: “Wij hebben ook erg geleden.” Van de Joodse families die daar gewoond hebben, is niemand teruggekomen.

Henny Anholt

Ik heb geen idee meer hoe en wat, maar ik ging naar de Joodse jeugdbeweging. Onze beweging heette Aliya. Later werd dat Haboniem. Een aantal Joodse jongelui die voor de oorlog in een zionistische groep geweest waren, begonnen in Den Haag een groepje.

Ik moet ervan gehoord hebben en ik ging daarnaartoe. Een paar mensen daar kende ik van voor de oorlog. Iedere zondag, geloof ik, kwamen we bijeen ergens in de binnenstad van Den Haag.1 Ik weet niet precies meer waar.

Ik was een van de jongsten. De anderen waren iets ouder, twintig en eenentwintig jaar. Allemaal overlevenden, met of zonder ouders, en niemand praatte erover.

De jongelui die vroeger in de zionistische organisatie zaten waren de leiders. Ik herinner me Henny Anholt en Max Noach.

Mijn latere man, Ed Lessing, woonde in Delft en hij kwam ook naar de bijeenkomsten in Den Haag. Ik weet niet hoe hij ervan had gehoord. We hebben elkaar dus op de jeugdbeweging ontmoet.’

Edward Lessing (Ed, geboren Eliazar Lessing) werd geboren op 8 mei 1926 in Den Haag. Zijn familie dook onder in oktober 1942. Ed zelf blondeerde zijn haar en deed zich als niet-Jood voor. Hij werkte op verschillende boerderijen vlakbij Delft. Met behulp van een politieman bewerkstelligde zijn moeder voor hem een plek in de bossen met een aantal verzetsmensen. Ze bivakeerden daar in een hut met de naam “Het Duikje”. Ed bleef daar van voorjaar 1943 tot 29 december 1943. Hij ontsnapte toen de nazi’s een val opzetten voor de verzetsmannen. Daarna werkte hij weer op boerderijen onder een valse identiteit tot de bevrijding.

Het Duikje. Beeld: USHMM
Hut ‘Het Duikje’ in het bos bij Lage Vuursche, waar Ed was ondergedoken. Beeld: USHMM
Het Duikje. Ed staat links. Beeld: USHMM
‘Het Duikje‘. Ed staat links. Beeld: USHMM

 

Soldaten van de Joodse Brigade

 

‘In de zomer van 1945 waren in Scheveningen soldaten van de Joodse Brigade gestationeerd. Deze soldaten hebben de Joodse gemeenschap reuze geholpen. Ik herinner me ook dat we een keer naar het Kurhaus gingen. Dat de Joodse Brigade er was, was geweldig. De soldaten gaven ons lessen: dansen en zingen, en een heleboel Herzl.’

Joodse Brigage in Delft op de universiteit, Vlnr: medewerker universiteit,
Joodse Brigage in Delft op de universiteit, 1945. Vlnr: medewerker universiteit, soldaat Joodse Brigade, Fred (broer van Ed), een geblurde soldaat van de Joodse Brigade, At (broer van Ed), een ‘fake’ soldaat van Joodse Brigade, twee Duitse gevangenen. Deze ‘nepsoldaat’ was Benjamin Feldinger, een overlevende van Auschwitz. Hij was door de Joodse Brigade geadopteerd en in uniform, onder hun hoede, later illegaal naar Palestina gesmokkeld. Beeld: USHMM

 

Jongerengroepje Aliya Alef

 

‘Ik was een van de jongsten in mijn groep bij Aliya. Voor de jongere kinderen, zoals Leentje Tikotin en haar zusje, was er geen groepje. In 1947 vonden een naoorlogse vriendin van mij, Erni Bles, en ik het nodig dat die kinderen ook een groepje hadden. Dat hebben we georganiseerd voor de kinderen in de leeftijd van tien tot veertien jaar. Omdat ons eigen groepje Aliya heette, noemden wij dat groepje Aliya Alef.

vlnr: Liesbeth van Leer, Erni Bartfeld, Carla, At Lessing (zittend), Fred Lessing met hond Flippie, circa 1947
vlnr: Liesbeth van Leer, Erni Bartfeld, Carla, de twee jongere broertjes van Ed: At Lessing (zittend met hond Flippi) en Fred Lessing. Beeld: USHMM
Jeugdgroep Aliya-A. Links: Carla. Rechts: Erni Bartfeld en Hennie Anholt. Beeld: USHMM
Jeugdgroep Aliya Alef. Links: Carla. Rechts: Erni Bartfeld en Henny Anholt. Beeld: USHMM

In dat groepje kwamen ook de twee jongere broertjes van Ed en de kinderen Van Sonn. We kwamen bijeen op dezelfde plek waar wij zelf ook onze bijeenkomsten hadden.

Ik weet niet precies waarover we praatten. Ik denk dat het bij elkaar zijn belangrijker was dan iets te leren. Er waren kinderen waar de moeder of de vader niet was teruggekomen. Deze kinderen hadden een vergelijkbare geschiedenis. Ze hadden iets gemeenschappelijks. Er werd echter niet gesproken over het verlies van familieleden. Ze waren ongeveer zes jaar toen ze onderdoken. Ze wisten minder van vroeger, van voor de oorlog, dan de oudere kinderen. We hebben ze nooit gevraagd: “Waar waren jullie ondergedoken?” Iets wat we nu wel gedaan zouden hebben.

Bericht over jeugdbeweging Aliya in Den Haag, Ernie en Carla zijn leidsters van Aliya Alef.
Bericht over jeugdbeweging Aliya in Den Haag. Erni en Carla zitten in het bestuur van Aliya Alef. In: Tikvath Israel, 1948

Ik heb dit groepje ongeveer anderhalf jaar, twee jaar geleid. De kinderen ontwikkelen een sterke band met elkaar en met ons, hun leiders. Ik ging in 1949 naar Amerika en Erni ging naar Israël. Dat wij ook weggingen was voor sommige kinderen verschrikkelijk. Later sprak ik met een van de Van Sonn-zusjes. Ze zei: “Jullie verlieten ons. Weer was er iemand die ons verliet.” Sinds ik betrokken ben met het werk van de organisatie The Hidden Child begrijp ik nu beter wat ze toen zei.’

 

1949-1957

 

Ed schrijft op zijn woonboot in Amerika naar Carla in Nederland
Ed schrijft op zijn woonboot in Amerika naar Carla in Nederland. Beeld: USHMM

‘Zoals gezegd had in mijn man Ed ontmoet in de zionistische vereniging. Zijn ouders en twee jongere broertjes vertrokkken kort na de oorlog naar Amerika. Ed had zijn ouders beloofd om hen een paar jaar in Amerika te helpen, dus hij ging in 1948 naar Amerika.

Mijn moeder had ook familie in Amerika. Daarom kon zij een visum krijgen en vanwege het feit dat ze in Duitsland geboren was. Daarvoor waren meer visa beschikbaar. In 1949 zijn mijn moeder en ik naar Amerika gegaan. Daar ben ik met Ed getrouwd. In 1951 zijn we naar kibboets Dovrat in Israël verhuisd. Daar woonde en werkte mijn broer. Hij had inmiddels een familie gesticht.

Schets van de ingang van kibboets Dovrat, getekend door Ed. Beeld: USHMM
Schets van de ingang van kibboets Dovrat, getekend door Ed. Beeld: USHMM
Ed en Carla dansen de hora in kibboets Dovrat
Ed en Carla dansen de hora in kibboets Dovrat. Beeld: USHMM
Noa en haar neef Joel Heijmans in kibboets Dovrat. Ze hebben spijkerbroeken van oma Lessing uit Amerika gekregen. Beeld: USHMM

We zijn daar vijf jaar gebleven. Daar is onze dochter Noa geboren, maar omdat ze ziek was, hadden we een moeilijke tijd. Ze is later beter geworden.

Carla in kibboets Dovrat
Carla in kibboets Dovrat. Beeld: USHMM
Ed aan het werk in kibboets Dovrat
Ed aan het werk in de kibboets. Beeld: USHMM

Mijn man Ed verlangde erg naar zijn ouders. In Israël had hij helemaal geen familie, terwijl ik daar mijn broer, oom en tante had. We hebben toen besloten om voor een tijdje naar Amerika terug te gaan. Vanwege de ziekte van onze dochter mochten we Amerika niet in. In plaats daarvan zijn we naar Scheveningen gegaan. Toen wij in 1957 naar Nederland vertrokken was het ongeveer tien jaar nadat ik Nederland had verlaten. Het was interessant om de situatie te vergelijken. Veel was veranderd.

Na een jaar verhuisden we naar Amerika en we vestigden ons in Hastings-on-Hudson in de staat New York. In 1958 is onze zoon Dan geboren.

In 1990 heb ik een interview gegeven aan de United States Holocaust Memorial Museum.’

Carla Lessing
Carla, Ed, Dan en Noa, 1959. Beeld: USHMM

 

The Hidden Child Foundation

 

‘Ik ben van beroep maatschappelijk werkster. Een collega die van mijn achtergrond afwist (ik vertelde niet veel mensen over mijn achtergrond) attendeerde mij op een persoon die ondergedoken kinderen behandelde, Judith Kestenberg. Ik heb contact met haar opgenomen.

Vaak werden ondergedoken kinderen door de mensen die de concentratiekampen hadden overleefd bejegend met: “Jullie hebben niks meegemaakt, jullie waren kinderen, jullie hebben niet geleden.” Deze kinderen werden in Amerika niet erkend als oorlogslachtoffers.

Ik werd een van de oprichters van de Hidden Child Foundation/ADL. In 1991 organiseerde deze organisatie de eerste wereldwijde conferentie voor ondergedoken kinderen. Daar namen zestienhonderd personen uit achtentwintig landen aan deel. Het was een geslaagde conferentie en resulteerde in de oprichting van “ondergedoken kinderen”-groepen over de hele wereld.

Elk jaar werden zulke conferenties georganiseerd. Ook in Nederland, België, Duitsland en Israël werden zulke conferenties gehouden. In Nederland sprak Ed van Thijn, de Joodse burgemeester van Amsterdam, bij ons. Hij zei: “Ik neem mijn ambtsketen af, want ik ben een van jullie.”’

 

Infant Survivor Group

 

‘In 2016 heb ik een groep opgestart voor Holocaust-overlevenden die ten tijde van het einde van de oorlog nog heel jong waren. Kleine kinderen die door hun ouders in de oorlog aan onderduikouders werden afgestaan. Na de oorlog werden deze kinderen teruggegeven aan hun echte ouders, of aan een ander overlevend familielid. Deze kleine kinderen herinnerden zich hun ouders echter niet meer. Ze werden losgescheurd van mensen die zij als hun ouders beschouwden en teruggegeven aan voor hen onbekenden. Dat bracht een groot leed teweeg.

En alsof dat niet genoeg was, werd tegen hen gezegd toen ze opgroeiden: “Je was nog maar een klein kind, jij hebt niet geleden.” In hun geval begon het leed na de oorlog en in sommige gevallen is dat leed nooit verdwenen. Ik begeleid zo’n groep in New York. We ontmoeten elkaar eens in de zes weken. Het spreken en helpen van deze mensen is geweldig.’

Het huis van Ed en Carla in Hastings-on-Hudson, New York. Beeld: USHMM
Het huis van Ed en Carla in Hastings-on-Hudson, New York. Beeld: USHMM
Carla Lessing en Ed, 1987
Carla en Ed, 1987
Carla Lessing
Carla en Ed met hun kinderen en partners, 2013. Beeld: USHMM


Carla Lessing is overleden op 24 juli 2025.

___________________________

Noot

 

  1. De Nieuwe Molstraat.
Deel deze pagina