veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Hachsjara

De hachsjara was een opleiding voor het leven in Palestina en was gericht op het leven in een kibboets. De jongeren, die de opleiding volgden werden Palestinapioniers of chaloetsiem genoemd. De opleiding bestond uit praktische vaardigheden voor het leven in de landbouw en daarbij ook het leren van Hebreeuws, de voertaal die in het land gebruikt zou gaan worden.

hachsajara
Joodse palestina-pioniers, werkend op het land, in voorbereiding op emigratie naar Palestina, 1934

De eerste opleiding werd in 1918 gesticht en de leerlingen leerden het landbouwvak bij boeren over heel Nederland. Het verenigingsgebouw, Beth Chaloets, stond in Deventer en in 1940 waren er ±250 leden. In 1933 werd door de Mizrachi-beweging een soortgelijke hachsjara opgericht op religieuze grondslag onder de naam Dath-va-Eretz met twee kibboetsen, één in Franeker en één in Beverwijk.

In 1933 werd op orthodox religieuze inslag door Agoedat Jisraeel een eigen hachsjara-afdeling opgericht. Deze vereniging stond niet achter het zionisme maar zag dit wel als een mogelijkheid om zich bij de Joodse heilige plaatsen te kunnen vestigen. Zij betrokken een villa op de Strootsweg 460 in Twekkelo bij Enschede en noemden dit Haimers Esch. In 1940 waren er hier 55 chaloetsiem.

Naoorlogse hachsjara

In de eerste naoorlogse jaren waren de hachsjarot belangrijke opleidingsinstituten voor pioniers. Voor veel jongeren sloten ze aan op de jeugdbeweging. Een nuttig vak was vereist om een certificaat oftewel een immigratievergunning voor Palestina te verkrijgen.
De hachsjarot bereidden hierop voor. In 1961 interviewde Manfred Gerstenfeld voor het NIW Nathan Mageen, oftewel Hans Mogendorff, voormalig stadsarchitect van Be’er Sheva. Hij vertelde dat hij na de bevrijding korte tijd in Deventer gewerkt had en daar geholpen had bij de heroprichting van de Nederlandse hachsjarot. Hij zei: ‘De latere ministers Lavon en Bar Jehoeda kwamen in 1945 naar Nederland en eisten van enkelen van ons, die recht hadden op een certificaat (inreisvergunning voor Palestina), dat ze twee jaar leiding zouden geven aan de hachsjarot. Een tijd lang heb ik het Beet Chaloets aan de Noordenbergsingel in Deventer geleid. We hebben ons toen mede beziggehouden met het voorbereiden van illegale Alijah.’

Prozdor

Er was ook een religieuze hachsjara in Hilversum die Prozdor heette, ‘De corridor’ of ‘de doorgang’ [naar Israël]. Het begon als een kinderhuis van Nathan en Lies Dasberg. Het was opengesteld voor kinderen die de oorlog overleefd hadden. De meesten waren wezen.

Oud Bne Akiwa-lid Mechel Jamenfeld (overleden in 2019) zegt: ‘Sommige kinderen, zoals ik, hadden wel familie en vrienden in Israël, die hen verwachtten en bereid waren hen met open armen in hun familie op te nemen. De familie Dasberg en de meeste kinderen gingen op Alijah in 1948. Na hun vertrek werden Bert Kanteman en zijn vrouw Cissy de leiders van Prozdor dat nu als een hachsjara functioneerde. Na de Alijah van de Kantemans werd de leiding van de hachsjara overgenomen door verschillende echtparen.’ Jamenfeld is vervolgens op Alijah gegaan, waar hij door familie en vrienden inderdaad op warme wijze werd ontvangen.

Prozdor Dasberg
Prozdor, Hoge Naarderweg 49 in Hilversum. Nathan Dasberg staand in midden. Mechel Jamenfeld staat links van Nathan Dasberg. Beeld: Yad Vashem Photo Archive, 5347/2

Gouda en ’s-Graveland

Voormalig Haboniem-lid Ze’ev Bar (Walter Bartfeld): ‘In de kerstvakantie van 1948 hadden we een kinoes (bijeenkomst) in de Arnhemse jeugdherberg Alteveer. Ik ging er op eigen initiatief voor het eerst heen. Het beïnvloedde mij. Twee maanden later verliet ik mijn school en ging ik op hachsjara in Gouda. De jongeren daar waren meestal oorlogswezen die de onderduik hadden
overleefd. Zij allen namen net als ik Hebreeuwse voornamen aan. Wij werden een heel hechte groep.’

Gila Ban vertelt: ‘Ik ging op hachsjara in Apeldoorn en daarna naar Deventer, ’s-Graveland en Gouda. Vanuit Gouda ging ik op Alijah. Op de hachsjara werd je zogenaamd opgeleid voor Israël. Ze zetten je echter in de keuken en gaven je een hele berg wortels en aardappels. Daarna zeiden ze: “Maak daar maar wat van.” Ik had verwacht dat ze zouden zeggen: “Hier heb je een recept.” Het was geen echte opleiding. Wel werd er veel Ivriet geleerd.’

In zijn biografie vertelt Meir Bier dat hij ondergedoken was met zijn twee jaar oudere broer, maar waarschijnlijk door zijn onderduikfamilie verraden is. Zij werden vanuit Westerbork naar Bergen-Belsen gestuurd, waar zijn broer overleed. Ook zijn ouders werden in de oorlog vermoord.

Bier keerde terug naar Nederland in juni 1945 en kwam in Maastricht in een overgangskamp terecht. Oorspronkelijk werd hij goed ontvangen door de Nederlandse autoriteiten. Daarna werd echter besloten dat allen die geen Nederlandse nationaliteit hadden naar een Nederlands gevangenenkamp zouden worden overgebracht. Bier had geen zin om nogmaals in een kamp te zijn. Hij citeert Josef Weisz, de Joden-oudste in Bergen-Belsen, die van Maastricht wel naar dat kamp ging dat waarschijnlijk Galg en Rad was: ‘Wij moesten op het appèl verschijnen net als de nazigevangenen. Zo stonden wij drie keer per dag op appèl met de Nederlandse nazi’s en de Nederlandse SS ’ers. Wij moesten daar ook werk verrichten.’ Bier vond dat een schrikwekkende en niet te begrijpen ongevoeligheid.
Hij kwam eerst bij een Joodse familie in Amsterdam. Daarna ging hij naar een jeugdhuis van de Joodse Brigade aan de Prinsengracht en vervolgens enkele maanden naar een jeugdhuis in Bussum dat door de Joodse familie Locker geleid werd. Op zijn zestiende ging Bier naar de hachsjara in ’s-Graveland. Hij was daarna enkele maanden op de hachsjara in Gouda. Ze leerden groenten te kweken. Die werden naar de markt vervoerd in een boot die met een lange stok door de grachten geduwd werd. Op de markt werden de groenten verkocht.

Voormalig Haboniem-lid Chava (Eva) van Gelder ging naar
de hachsjara in ’s-Graveland. Ze herinnert zich: ‘Ik was het enige meisje dat bij een boer werkte om te leren melken. Ik leerde het met de hand te doen. Dat vond ik heel leuk. Je handen gingen stinken. Daarom smeerde je er voordien zalf op. Na afloop ging ik altijd douchen.’

Palestinapioniers op dak Beth Chaloets, Deventer 1940. Beeld: Digitaal Joods Monument
Uitnodiging voor opening van de Catherinahoeve in Gouda, 1937. Beeld: JHM
Uitnodiging voor opening van de hachsjara in Gouda, 1937. Beeld: JHM
Boerderij Catharinahoeve, een opleidingsinstituut voor Joodse jongeren aan de Ridder van Catsweg in Gouda, 1946
Boerderij Catharinahoeve, een opleidingsinstituut voor Joodse jongeren aan de Ridder van Catsweg in Gouda, 1946
Catherinahoeve
De Catherinahoeve in Gouda. Beeld: JHM
hachsjara gouda
Jongeren van de hachsjara in Gouda, 1946. Jack Zwaneweber aan het werk samen met andere jongeren

deel deze pagina