‘Ik ben geboren als Siegfried Simon Cohen in Amsterdam op 7 april 1933. Ik kom uit een behoudende familie, desondanks ben ik naar een niet-Joodse lagere school gegaan. De Joodse school was trouwens ook ver weg. Mijn ouders waren Isac Cohen en Rebecca Cohen-Cohen. Beiden kwamen oorspronkelijk uit Groningen. Mijn jongere zuster heette Sophia.
Mijn vader had een kledingfabriek genaamd Victoria. Victoria betekent overwinning in het Engels, en daarom heb ik tevens de naam Siegfried gekregen, wat immers overwinning in het Duits is.’
Lagere school

‘Ik ging naar de openbare lagere school aan de Nierstraat. Toen ik daar heen ging heette de school 6e Montesorrischool. Sinds 1954 heet de school Anne Frankschool.
Toen in 1941-1942 de Joodse kinderen niet meer naar niet-Joodse scholen mochten, ging ik naar de Joodse school in de Herman Eltesschool aan de Van Ostadestraat. Daar heb ik de tweede, derde en vierde klas doorlopen. Dat was een heel eind lopen, elke morgen een halfuur lopen, of meer. We gingen met een groepje uit de buurt.’
Onderduik

‘In april 1943 zijn we ondergedoken. Mijn jongere zuster alleen, ik alleen, en mijn ouders ieder apart. Allemaal verspreid. Niet meteen in het begin maar later wisten mijn ouders waar ik zat en ik wist ongeveer waar mijn ouders waren. Er was correspondentie via koeriers in de ondergrondse. Mijn onderduiknaam was Frits van Doorn en ik heb Frits aangehouden na de oorlog.
Mijn zuster zat in Friesland ondergedoken en ik zat in Rheden, Gelderland, vlakbij Arnhem. Dat is een klein dorpje en ik kon niet naar buiten. Ik zou meteen opvallen als ik buiten zou komen.
Ik zat ondergedoken bij de familie Peppelman in Rheden. Daar zaten al twee grotere jongens, twee broers, Rolf en Harry Nihom. Deze broers hebben mij les gegeven in allerlei vakken. De een vooral in de wiskundevakken en de andere in de meer algemene vakken. In het begin waren er geen boeken, en daarna hebben ze allerlei leerboeken op de kop kunnen tikken. Het was voor ons allen een tijdverdrijf. Deze broers hebben de Sjoa ook overleefd.’
Naar Groningen
‘Ons hele gezin is teruggekomen. We zijn eerst naar Groningen gegaan, daar hebben we een jaar gewoond. Daar ben ik naar de eerste klas van de middelbare school gegaan, de hbs. Dat ging niet zonder problemen. Ik had toch een reuze achterstand. Ik had wel onderwijs gehad maar niet op een professionele manier. Ik herinner me dat ik allemaal onvoldoendes had op mijn eerste rapporten. Maar ik ben er toch doorheen gekomen.
Mijn vader had een kledingfabriek. Hij had een niet-Joodse Duitse compagnon, die het bedrijf tijdens de oorlog voortgezet heeft. Toen mijn vader na de oorlog terugkwam wilde die partner hem aanvankelijk niet meer accepteren. Toen moest mijn vader een rechtszaak voeren. Die heeft hij gewonnen. Daarna kon hij weer terug in de zaak als compagnon. In het begin ging dat moeilijk, maar daarna is het goed gekomen.
Mijn vader zou het wel fijn gevonden hebben als ik de zaak had overgenomen, maar ik had daar geen zin in. Mijn vader is vrij snel na de oorlog ziek geworden en hij is in 1951 overleden.’
Terug naar Amsterdam
‘In 1946 zijn we terug verhuisd naar Amsterdam. Eerst hebben we ergens gewoond in de Deurloostraat, geloof ik, en toen kwamen we terug op het adres waar we voor de oorlog gewoond hadden, Rooseveltlaan 235, dat tot 1946 de Zuider Amstellaan heette. Dat huis was niet van ons, maar we waren daar op onrechtmatige wijze uitgezet. De familie die daar woonde was zeer onbeschoft, bijna antisemitsch. Toen heeft de rechtbank bepaald: de familie Cohen moet terug naar dat huis.
Ik was in de oorlog begonnen met zwemles in het Mirandabad. Op een gegeven moment mocht ik daar niet meer in. Daar was ik heel boos over, ik was namelijk bijna klaar met afzwemmen. Meteen na de oorlog, toen we opdoken, was afzwemmen een van de eerste dingen die ik deed was, en mijn zwemdiploma halen.’
Middelbare school
‘In Amsterdam was het onderwijs weer heel anders dan in Groningen, dus mijn eerste rapporten waren verschrikkelijk. Op het eerste rapport stonden zeven onvoldoendes, op het tweede rapport nog maar vijf en op het derde rapport was alles voldoende. Toen was mijn vader helemaal tevreden. Aan het eind van de tweede klas was ik weer helemaal bij. Die tweede klas deed ik op de Vierde Vijf en de derde klas volgde ik aan de Joodse HBS.
Op school kreeg ik Hebreeuwse les maar dat stelde niet veel voor.’
Sjear Jasjoew en Haboniem

‘Toen ik naar de Joodse HBS ging leerde ik daar allerlei mensen kennen. Een vriend zei: “Heb je zin om mee naar Sjear Jasjoew te gaan?” Dat leek me wel leuk. Een paar andere jongens van de HBS waren daar ook lid van. Ik was toen veertien jaar. Sjear Jasjoew werd later Haboniem.
Onze leiders bij Sjear Jasjoew waren: Elma van Adelsbergen en haar (latere) man Huug Stibbe, Ronno van Gelder, Shimon Vega en zijn vrouw, Saja Zwartenberg (ze heet nu Tigo en woont in Amerika). Saja was heel lang actief in de jeugdbeweging. Dat waren mensen die slechts een paar jaar ouder waren dan wij.’
Zelf madriech worden
‘Je klom op in de rangen en op een gegeven ogenblik, toen ik begon te studeren, werd me gevraagd of ik in het bestuur van Haboniem wilde komen. Dus zo ben ik in het bestuur gekomen als penningmeester. Ik werd ook jeugdleider (madriech).
De bijeenkomsten waren op Sjabbatmiddag of uitgaande Sjabbat. De bijeenkomsten waren in een gebouw aan de Johannes Vermeerstraat. Daar kreeg iedere leider een lokaal met zijn of haar groep. In mijn groep zaten vijftien kinderen, hooguit twintig. Andere leiders hadden andere groepjes in andere lokalen. Je bereidde een onderwerp voor: over Israël, zionisme en/of Jodendom. Je wist altijd iets meer dan die kinderen, dus dat is altijd makkelijk. Ik heb ook over Israëlische geologie en aardrijkskunde verteld. De Joodse feesten waren goede onderwerpen om over te spreken, Sjavoeot, Pesach, over de Chanoeka, de verwoesting van de Tempel, Joodse geschiedenis, modern en oud. Als ik sprak over een bepaald aspect van het Jodendom dan las ik eerst in het boek van rabbijn S. Ph. De Vries, Joodse riten en symbolen. Daar kon je een heleboel materiaal uithalen.
Ik vond het heel leuk. Het gaf ook een beetje waarde en verantwoordelijkheid. Van alle kanten vond ik het heel boeiend.
We kwamen soms vaker bij elkaar, want er waren dan speciale cursussen (choegiem). Zo’n cursus (choeg) had een specifiek onderwerp, bijvoorbeeld over Joodse schrijvers of Joodse filosofen en denkers. Dan werden bijvoorbeeld het werk van bekende personen als Martin Buber en Shmuel Yosef Agnon besproken. Zo’n speciale cursus werd bij iemand thuis gehouden. Ik herinner me nog zo’n cursus bij Naomi Tal (nu Rinat) thuis. Er kwam een aantal geïnteresseerde jongelui bij elkaar, dat was meestal op een maandag- of dinsdagavond.
Twee keer per jaar was er een groot kamp, een winter- en een zomerkamp, en daar waren leiders voor nodig. Een aantal vrienden en ik waren bereid om leiding te geven, die vrienden waren onder andere Chanan Kisch en Robert Cohen.’
Zomerkampen

‘De zomerkampen waren meestal op de Veluwe, maar ook wel in Overijssel in Ommen. In Vierhouten is het grote A.J.C. terrein (Arbeiders Jeugd Centrale, de jeugdorganisatie van de socialisten) tegenover de Lange Jan, de Paasheuvel, en daar konden wij altijd terecht. Dat konden we twee weken huren. Het was een kamp met bungalows en kampbedden en slaapzalen. Soms sliepen we ook wel in tenten.
We kwamen met de trein of op de fiets. Ik herinner me een kamp in Ommen waar ik vanuit Amsterdam op de fiets heen gefietst ben. Maar dat deed ik omdat ik dat zelf leuk vond. En op latere leeftijd als leider ging ik op mijn motorfiets naar de kampen. Ik had een Franse BK-motor, later had ik een Java. Dat vonden de kinderen heel erg leuk, stoere leiders op de motor. Robert Cohen en Chanan Kisch hadden ook een motor.
Als je in de leiding zat van zo’n kamp, dan kwam je van tevoren bij elkaar. Wat gaan we doen? En dan werd een programma opgesteld. Ik kan me herinneren dat we een keer een kamp hadden ergens in de Betuwe. Toen vonden we het een leuk idee om de kinderen na aankomst op het Centraal Station verder te laten reizen met een grote boot over de Waal, of een van die rivieren, naar de jeugdherberg in Alteveer. Dat was heel avontuurlijk. Dat was een heel mooi begin. Na afloop gingen we ook weer met de boot terug.
Je nam slaapzakken mee, en handdoeken. Je kreeg altijd een convocatie wat je mee moest nemen. Daar stond altijd op: een blikje sardientjes en twee kaarsen voor vrijdagavond om Sjabbat te maken. Er werd kidoesj gemaakt op vrijdagavond.
Je had JK-1, daar ben ik ook geweest, en dan had JK-2 en later SK-1 en SK-2. Er werd veel gespeeld buiten, handbal, voetbal en vlag veroveren. Nachtwandeligen waren heel belangrijk, dat is heel avontuurlijk zo in het donker. En op oudere leeftijd probeer je een leuk meisje te pakken te krijgen of leuke meisjes probeerden ons te pakken, heel romantisch.
Er werd veel gedanst. Er werden volksdansen geleerd. Sprekers kwamen lezingen geven over bepaalde aspecten van Israël. In die tijd werd een kanaal gegraven van het Kinneretmeer naar de Negev. Er werd uitgebreid verteld hoe dat in zijn werk ging.
Er kwamen sjelichiem uit Israël, oud-Nederlanders die uit de kibboets kwamen, en die vertelden dan over het ontstaan van de kibboetsbeweging en het leven in de kibboets. We werden een duidelijke richting gestuurd. Er waren er zelfs die zeiden: “Ga maar meteen naar de kibboets, dat is zo leuk.”
Er werd meteen aan het begin van het kamp ingedeeld wie wat en wanneer deed. De ene dag had je keukencorvee, de andere dag moest je aanvegen of dweilen.
Ik geloof niet dat er douches waren. Er was een grote kraan buiten en een grote wasbak waar je poedelde. Als er een zwembad in de buurt was of een meer, dan gingen we ook wel zwemmen. Volgens mij werd de entree betaald door de kampleiding.
Je hebt altijd lastige kinderen ook zonder oorlog. Je kunt niet alles aan de oorlog ophangen. We deden alles onprofessioneel, we deden maar wat.

Mevrouw Van Wezel was de moeder van iedereen op het zomerkamp. Ik kende haar nog van voor de oorlog. Ze had een apotheek in de Maasstraat. Ze had twee zonen, waarvan één de oorlog heeft overleefd. Hij was een vriend van mij, Ruben van Wezel. Met hem zat ik ook op school. Mevrouw van Wezel was een begrip.
Ik wilde landbouw gaan studeren. Mij werd echter gezegd dat er al zoveel landbouwkundige studenten waren. Ik moest maar iets anders gaan doen. In 1950 ging ik geologie studeren met het idee om dat beroep in Israël uit te oefenen. Toen ik klaar was ben ik meteen in Israël gaan werken.’
Leiders weekenden
‘Het hoofdbestuur organiseerde ook seminaria-weekenden, speciaal voor de leiders. We gingen dan vaak de stad uit naar een jeugdherberg. De onderwerpen waren zionisme, Jodendom, wat doe je met de kinderen, hoe houd je ze bezig. Fientjes vader (later mijn schoonvader) die een slagerij had, zorgde dat voor de worst.’
Oogst-kampen
‘Met Haboniem-senioren organiseerden we in de zomer ook kampen die tegelijk werkkampen waren. Dan gingen we werken bij een boer. We sliepen in het hooi. Die kampen duurden niet langer dan een week. Ik heb daar, meen ik, twee keer aan deelgenomen. We oogstten graan, maar trokken ook aardappels. We moesten balen maken en schoven opzetten die we later op de hooiwagens gooiden.’
NZSO
‘Vanaf het eerste jaar dat ik studeerde was ik bij de NZSO. Ik denk dat er één keer in de twee weken een bijeenkomst was, of één keer in de maand op uitgaande Sjabbat. Eén jaar had ik in het bestuur de functie van programma-manager. Ik moest zorgen dat er op uitgaande Sjabbat een spreker was.
Zo’n spreker moest je dan uitzoeken en van tevoren aankondigen wie dat zou zijn. Hoe interessanter de spreker was, hoe meer mensen er zouden komen. Dus het was echt de bedoeling te proberen mensen te interesseren. Ik herinner me dr. Swelheim, de oogarts, dat was een hele goede spreker. Abel Herzberg, die kwam natuurlijk niet zo vaak, maar dat was een heel goede spreker. Professor Kisch probeerde je wel eens te krijgen over bepaalde onderwerpen. Ik herinner me dat we een keer professor Martinus A. Beek hadden uitgenodigd. Dat was een heel bekende vrijzinnig-hervormd oudtestamenticus. Dat was iets heel bijzonders als je die kon strikken.
Ik was een keer voorzitter, en ik was een keer penningmeester, dat circuleerde. Dat deed je meestal een jaar en dan kwam een ander aan de beurt. De laatste avond van het seizoen was meestal feestelijk.
In het midden van mijn studie had ik wel zin om mijn studie in praktijk te brengen. Toen ben ik een jaar gaan werken in Israël bij de hydrologische dienst, want ik wilde eigenlijk in het water. Daar werd me toen ook een baan beloofd. Als ik klaar was, kon ik daar terugkomen.’
Alijah
‘Toen ik klaar was met mijn studie in 1958 kwam ik op Alijah. Ik klopte op de deur van de hydrologische dienst: “Hier ben ik.” Ik had van tevoren natuurlijk eerst even geschreven. Ze zeiden: “Helaas hebben we geen vacatures, maar er is een oliemaatschappij die geologen zoekt.” Zo ben ik in de olie terechtgekomen.
Ik had nooit zin in “olie” gehad. Ik wilde altijd uit de olie wegblijven, dat vond ik maar een kapitalistisch gedoe. Maar later beviel het me toch goed.
Mijn vrouw en ik hebben zesentwintig jaar in Amerika gewoond. In 2005 kwamen we terug in Israel.’

Frits Cohen is in 2018 overleden.