

‘Mijn moeder, Lina Hillesum, geboren in 1907, was de dochter van Salomon Hillesum en Betje de Leeuw. Mijn grootvader Salomon Hillesum was slager. De slagerij was in de Rapenburgerstraat te Amsterdam. Mijn moeder werd traditioneel Nederlands Joods-orthodox opgevoed.
Mijn vader, Barend Vleeschhouwer, geboren in 1906, had geen Joodse opvoeding. Hij is als 15-jarige jongen gaan werken bij Keune op de Oudezijds Voorburgwal. Keune bestaat anno 2026 nog steeds en heeft filialen in veel landen. Dit familiebedrijf is de grootste fabrikant van professionele haarproducten van Nederland.
Mijn grootvader, Joseph Vleeschhouwer, werd geboren in Weesp. Mijn overgrootvader, Jacob David, was daar veehandelaar. Op marktdagen vertrok hij al om twee uur ’s nachts langs de Weespertrekvaart met de koeien naar de veemarkt in Amsterdam, waar hij om vijf uur ’s ochtends aanwezig moest zijn wanneer de markt begon. Zijn zoon Joseph, mijn grootvader dus, vertrok naar Amsterdam waar hij trouwde met Rebecca Schijveschuurder. Na hun trouwen hebben mijn grootouders een kruidenierszaak geopend in de Swammerdamstraat 26.
Grootvader Joseph Vleeschhouwer is op 4 maart 1935 overleden. Volgens Asjkenazische minhag (gebruik) ben ik naar hem genoemd. Grootvader Salomon Hillesum is even later, ook in 1935, overleden, en mijn broer die in januari 1938 is geboren, is naar hem genoemd.
Mijn moeder heeft mijn vader leren kennen op een Joodse tennisclub. Hij reed op Sjabbat op de fiets. Ik denk dat hij ook op Sjabbat werkte, maar dat weet ik niet zeker. Mijn ouders zijn in 1933 getrouwd.

Mijn vader is orthodox geworden. Mijn moeder zei altijd: “Jouw vader was meer orthodox dan ik. Er was niets dat hij deed wat hij niet zelf geleerd had en wat hij ook heel goed kon uitleggen.” Mijn vader voedde mij op met de gedachte dat je moet weten wat je doet en dat je dat kunt verantwoorden. We noemen dat apologie.”

Mijn ouders hadden vijf kinderen. Ik ben de oudste, geboren in 1935. Daarna volgden mijn broer Salomon in 1938, mijn zus Riwka in december 1939, mijn tweede zus Elisjewa in april 1942 en, na de oorlog, mijn jongste zusje, Henriette Jehudith, geboren in februari 1947.

Oprichting Fruticia en Proverma
‘Naast zijn werk bij Keune volgde mijn vader een avondcursus tot chemisch analist, die hij met succes afrondde. Volgens de zoon van de oprichter, Jan Keune, is het aannemelijk dat hij deze cursus samen met zijn vader had gevolgd.
Midden in de crisisjaren richtte mijn vader op 1 januari 1930, in de kelder van de kruidenierswinkel van zijn ouders, de fabriek Fruticia op, gespecialiseerd in kleur- en smaakstoffen voor de voedingsindustrie. Daarnaast bestond er een parallelbedrijf, Proverma, dat producten voor huishoudelijk gebruik vervaardigde, zoals literflessen limonade-extract en piepkleine flesjes extract voor het maken van pudding, taarten en glazuur.
Mijn moeder leerde boekhouden en typen. Nadat ze op 29 maart 1933 trouwde met mijn vader, stopte zij als kleuterleidster en assisteerde ze mijn vader in de zaak. Ze verzorgde de financiën en de correspondentie.
Mijn moeder was aanvankelijk kleuteronderwijzeres. Samen met haar vriendin Rachel (Shelly) Tas had zij voor dit beroep geleerd. Ze behaalden allebei de hoofdakte, waarmee men directrice kon worden van een meerklassige kleuterschool.

Shelly werd hoofd van de kleuterschool Trenshuis aan de Barndesteeg 4 met tweehonderd zeer arme kinderen. Zij trouwde met architect Jacobus (Coos) Baars. Daarna werd mijn moeder hoofd van deze kleuterschool.

Ik heb altijd contact gehouden met de kinderen van Shelly en Coos. Hun zoon Sim Baars werd mijn boezemvriend.
Later, toen ik zelf naar de kleuterschool ging en mijn moeder niet langer hoofd was, wandelden Shelly en mijn moeder op woensdagmiddag beurtelings met ons in het Vondelpark. Zo had ieder om de week een vrije middag. Elk kind had een zakje brood bij zich, en ik zie ons nog naar het hek lopen om de eenden in de vijver te voeren.’
Oorlogsjaren
‘Vaders fabriek verhuisde van de kelder van oma’s kruidenierswinkel in de Swammerdamstraat 26 naar de leeggekomen winkel op de hoek van de Eerste Boerhaavestraat. Daarna verhuisde het kantoor naar de Eerste Boerhaavestraat 4 en de fabriek naar de Eerste Boerhaavestraat 8. Na de oorlog gingen beiden naar de voormalige vleeshal van de Joodse Gemeente in de Nieuwe Amstelstraat. Toen Vader in 1947 de leegstaande vleeshal van de Amsterdams-Joodse gemeente wilde huren om onze fabriek daarnaartoe over te brengen, haalde Vader mij op uit school. In de hal wees Vader naar links en zei: “Daar was de slagerswinkel van Opa Salomon.” Opa’s naam SALOMON HILLESUM prijkte nog in sierlijke letters op de voorkant van de winkel.



Mijn vader was op de zuidvruchtenbeurs bevriend geraakt met een niet-Joodse handelaar, Jan-Willem Koert van der Linden. In de oorlog heeft mijn vader Jan-Willem gevraagd: “Wil je mijn zaak kopen?” Op papier heeft hij dat gedaan. Op de dag dat de door de Duitsers aangewezen Verwalter het kantoor binnen kwam en zei: “Mijnheer Vleeschhouwer, opstaan, ik ben nu de directeur,” trok mijn vader zijn bureaula open en liet hem het koopcontract zien. Mijn vader kon dus blijven zitten als werknemer van Van der Linden.

Dit heeft het leven van mijn ouders gered, want Van der Linden en een compagnon, Van der Hulst, hebben geld uit de zaak gehaald om hun onderduik te betalen.’


Tatoeage

oom Meijer Hillesum en
oma Betje Hillesum-de Leeuw
Mijn oom Meijer Hillesum trouwde met een jonge Joodse Poolse vrouw die in 1938 uit Polen naar Nederland was gevlucht.
Begin 1943, toen eventueel onderduiken onderwerp van gesprek werd, vertelde zij aan mijn moeder dat in Polen Joodse vrouwen hun kinderen tatoeëerden. Rooms-katholieke schoonmaaksters en kindermeisjes ontvoerden soms baby’s en brachten hen naar kloosters om hen rooms-katholiek op te voeden. Sommige Joodse vrouwen lieten daarom hun kinderen tatoeëren, zodat zij zouden kunnen aantonen dat gestolen kinderen daadwerkelijk hun kinderen waren.
Op die dag is mijn moeder, die zeer kordaat was, naar onze huisarts Philip Hendrik Fiedeldij Dop (1912-1991) gegaan en heeft gezegd: “U moet mijn kinderen tatoeëren.” Waarop hij lachte en zei: “Mevrouw, dan moet u in de haven zijn bij een zeeman.” Enfin, hij heeft Oost-Indische inkt gesteriliseerd en ’s avonds om acht uur schrok ik wakker van de prik in mijn bil. Die prik gaf ons alle vier een donkerblauwe plek ter grootte van een vooroorlogs zilveren dubbeltje. Ik was zeer verontwaardigd en beledigd, want gewoonlijk kregen wij injecties overdag, met een snoepje als we ons flink gedroegen.

Mijn vader had Sándor Baracs, een Hongaarse Jood, leren kennen. Hij importeerde vruchtensappen vanuit Hongarije. Baracs zat in de ondergrondse en adviseerde mijn ouders om de kinderen te laten onderduiken. Mijn moeder wilde dat wel, mijn vader niet.
Tijdens de laatste razzia, een dag vóór Rosj Hasjana 1943, kwam er een mof binnen die ons wilde meenemen. Mijn moeder had zich daarop voorbereid. Mijn zusje Elisjewa, zeventien maanden oud, lag in een wiegje in de slaapkamer van mijn ouders, met een koortskaart en een verklaring van kinderarts Fiedeldij Dop dat zij een besmettelijke kinderziekte had. Dat had zij natuurlijk niet, maar zogenaamd.
De mof kwam binnen en mijn moeder, die vloeiend Duits sprak, zei: “Sie sollen hereinkommen.” Ze nam hem mee naar de slaapkamer en liet hem de verklaring zien. Daarna schonk ze stinkende, onverdunde Lysol in de waskom: “Sie sollen Ihre Hände waschen, das ist ansteckend.”
De moffen waren doodsbang voor besmettelijke ziekten. De soldaat vertrok met de mededeling dat hij zijn commandant om instructies zou vragen. Toen zei mijn moeder tegen mijn vader: “Nu is het genoeg, we gaan onderduiken.”’
Wetend van de razzia had mijn moeder die ochtend, vóór zeven uur, een pakje lange vingers-koekjes naar de zolderverdieping gebracht en mij geïnstrueerd mijn broertje en zusje daar stil te houden met behulp van de lange vingers.
Toen de mof weg was, deed mijn moeder mij een cape om over de Jodenster en stuurde mij naar de buren, familie Beumer. Baracs had inmiddels voor onderduikadressen gezorgd. Wij, de vier kinderen, zijn uiteindelijk allen op verschillende adressen ondergedoken.’


Mijn zusje Elisjewa is “verloren” gegaan tijdens de overdracht van het ene onderduikadres naar het andere. Na de oorlog hoorden mijn ouders van de ondergrondse dat zij ten zuiden van de grote rivieren voor het laatst gesignaleerd was. Mijn ouders hebben een advertentie laten plaatsen: Gezocht: een meisje van ongeveer drie jaar met een tatoeage ter grootte van een dubbeltje op haar bil.
Niet lang daarna ontving Vader op kantoor bericht van de staf van prins Bernhard, die zetelde op de Apollolaan in Amsterdam. Een oud-ondergrondse medewerker, Piet de Kraker, nu chauffeur van de prins, had een driejarig meisje met zo’n paarsachtige vlek op de linkerbil in huis. Dat was onze Elisjewa.’
Onderduik in Friesland

‘De eerste twee dagen logeerde ik bij de buren, de familie Beumer, daarna twee weken in Amstelveen bij tandarts De Vries. Vandaar werd ik met de boot van Enkhuizen naar Stavoren in Friesland gebracht, en vandaar naar Makkum. Daar heb ik twee weken gebivakkeerd bij de doopsgezinde dominee Alexander Hubertus van Drooge (1916-1993).

Bij dominee Van Drooge mocht ik niet in de voorkamer aan de straatkant komen zodat mensen me niet zouden zien. Dominee Van Drooge zei: “Er zijn hier vijf kerken, en officieel praten we niet met elkaar, als ik als dominee van de Doopsgezinde kerk de gereformeerde- of Lutheraanse dominee of de priester van de katholieke kerk op de stoep tegenkom, dan steekt een van ons de straat over want we praten niet met elkaar. Maar ’s avonds zitten we alle vijf bij elkaar als leiders van de ondergrondse.”
Veertig jaar later, in 1995, ben ik weer in contact gekomen met dominee Van Drooge. Ik had hem al veel langer gezocht, maar in die tijd bestond google nog niet. Hij is na de oorlog arts geworden in Helpman, een wijk van Groningen, in dezelfde tijd dat ik chazan (voorzanger in de synagoge) in Groningen was. Ik had dus, zonder het te weten, dicht bij hem gewoond.’
De Lutgendorffs

Na mijn korte verblijf bij dominee Van Drooge kwam ik terecht bij het pasgetrouwde echtpaar Johannes Lutgendorff en Hil Lutgendorff-van Scheltinga. Ik bleef daar tot het einde van de oorlog. Ik noemde hen Omke (Fries voor oom) en Tante. Ik was erg bleek. Ze vertelden het verhaal dat ik longontsteking had gehad en dat ik naar Makkum was gekomen om aan te sterken.
De onderduiknaam die ik van de ondergrondse had gekregen was Johan Westendorp. Ik werd Joop genoemd. Als het even kon gaven ze je een valse naam met een roepnaam die op je echte naam leek.
Na een aantal weken sprak ik Fries. Ik ging naar de School met de Bijbel. Dankzij mijn stroblonde haren mocht ik ook op straat spelen.

Cornelis Siebe en Entje Lutgendorff-de Boer, de ouders van Omke, waren gereformeerd, net als Omke en Tante. Ik noemde ze Pake en Beppe (Fries voor opa en oma). Ze hadden vier getrouwde zoons en twee ongetrouwde dochters.

- Lourens, de oudste, was smid in Ugchelen (bij Apeldoorn) en getrouwd met Cor.
- Jan was geweermaker in Haarlem, getrouwd met Be Fris.
- Gerrit, getrouwd met Jisk Hoekema, werkte als telefoontechnicus voor de PTT en woonde ook in Makkum, op de Kromme Sloot.
- Tante Trien ofwel Trijntje, woonde evenals de jongste dochter, tante Akke, bij haar ouders in.
- Johannes, smid in de werkplaats van zijn vader, was in mei 1943, een paar maanden voor mijn komst, getrouwd met Hil van Scheltinga uit Heeg.
Op zondagmorgen en -middag ging de familie naar de kerk. Na de ochtenddienst was het gebruik dat alle kinderen en oudere kleinkinderen bij Pake en Beppe in de opkamer koffie kwamen drinken. Dat was het moment om samen de preek na te bespreken en elkaar verhalen van de afgelopen week te vertellen.
De kleinkinderen, en ik ook, kregen een kandijklontje en werden vervolgens naar de keuken gestuurd, waar we iets te drinken kregen en daarna mochten we gaan spelen.

Dominee Lourens Touwen en het dilemma in de gereformeerde kerk

‘Binnen de gereformeerde kerk hield men lange tijd vast aan het dogma dat de overheid door God is gegeven en dat men zich daar niet tegen mocht verzetten. Dat gold ook toen Nederland door de Duitsers werd bezet en zij feitelijk de overheid vormden.
Nadat dominee Lourens Touwen op een zondagochtend in de late lente van 1943 in zijn Bijbellezing openlijk stelling had genomen tegen het nazibewind, zei Pake tegen de verzamelde kinderen en hun vrouwen: “De kinderen van het Oude Volk zijn in gevaar. Jullie weten wat jullie te doen staat.”
Mijn Omke en Tante hebben mij daarop in huis genomen. De oudste broer Lourens nam eveneens onderduikers op. Dat waren de driejarige Riwkah Nordheim en het achttienjarige meisje Shapira. Riwkah, toen Riekje genoemd, had donkere ogen en huid, en gitzwart haar. Twee jaar lang mocht ze overdag niet naar buiten.
Daan Abrahams en Riwka Philipson waren bij dominee Touwen ondergedoken. Vanwege diens werk en illegale activiteiten konden zij vaak niet in de pastorie blijven. Dan kwamen zij bij Pake en Beppe, waar zij door de ongetrouwde inwonende dochters Trien en Akke werden verzorgd en verwend.

In 1995 vertelde tante Akke mij dat van de tweeëndertig ouderlingen en diakenen er toen dertig, vanwege hun opvatting dat men zich niet tegen de overheid mocht verzetten, niet met de ondergrondse wilden samenwerken. Slechts twee van hen steunden dominee Lourens Touwen en het verzet.
Op 8 september 1944 werd dominee Touwen door een groep SD’ers doodgeschoten op de heide bij het Drentse Vries.’
Bekeerpogingen
‘Tante Trien zei tegen mij: “Ken je de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament wel? Zullen we kijken wie het eerst alle boeken kent? Ik van het Oude Testament en jij van het Nieuwe Testament? Wie wint krijgt een reep chocolade.” Dat heeft ze mij natuurlijk laten winnen.
Ik zat aan tafel mijn huiswerk te maken, terwijl tante Hil verstelwerk deed. Ik vroeg: “En hoe zit het met mijn doop?” Waarop tante zei: “Daar zullen we na de oorlog met je ouders over spreken.” Na de oorlog heb ik gehoord dat tante Trien van Pake hierover danig op haar kop gekregen heeft.
Mijn neef Sal Wagenaar is tijdens zijn onderduik in Lemmer tot het christendom overgegaan. Na de oorlog mocht hij bij ons thuis aan tafel niet bidden. Als er een andere christen aanwezig was, moest iedereen wel stil zijn en kon die persoon bidden, maar Sal mocht aan tafel niet bidden. Hij mocht niet laten zien dat hij niet-Joods was.
Joden die christen waren geworden, werden beschouwd als verraders. Dat was afkeurenswaardig; daar bemoeide je je niet mee.

Onze ouders hebben mij, mijn broer en mijn twee zussen contact laten houden met de onderduikfamilies. Veel redders van onze familie zijn door Yad Vashem als Rechtvaardigen onder de Volkeren erkend.
In de zomervakantie en soms in de kerst/Chanoeka-vakantie bezochten wij hen. In 2010 hebben mijn vrouw en ik tezamen met onze kinderen en kleinkinderen een reis naar Nederland gemaakt. Een dag hebben we besteed aan de reünie. Wij waren met zeventien personen, plus een dertigtal van de Lutgendorffs, mijn onderduikfamilie, in Makkum.’

Onderduik van mijn ouders
‘Mijn ouders wilden niet van elkaar gescheiden worden en ze wilden ook de stad niet uit. Ze zijn ondergedoken bij de ouders van een werkneemster van onze fabriek. Die woonden naast de Schouwburg. Ze kwamen bij deze ouders en de man zei: “U bent van harte welkom, maar u moet wel geld betalen. Ik eis vijfduizend gulden.” “Nou,” zei mijn vader, “dat heb ik niet, want al het geld zit in de zaak. Maar ik kan u vijftig gulden in de week betalen.” Mijn moeder zei tegen mijn vader dat hij dit niet moest betalen. Mijn vader reageerde: “Zolang het koetje melk geeft, wordt het niet geslacht.”
De ondergrondse had moeite in Amsterdam met het vinden van een nieuw adres voor mijn ouders. Elke week na spertijd gingen mijn ouders wandelen om geld op te halen. Na een halfjaar had de ondergrondse een nieuw adres voor hen. Vader en moeder trokken lagen kleren over elkaar heen en zo zijn ze van het eerste adres weggewandeld en niet meer teruggekomen. Ze zijn naar het nieuwe onderduikadres gegaan aan de Orteliuskade 6, drie hoog, bij familie Van Schaik. Daar hebben ze anderhalf jaar gewoond.
Ik heb tijdens de onderduik een drietal keren een briefje mogen schrijven. Dat heeft de ondergrondse aan mijn ouders doorgegeven. Dat eerste briefje heb ik een aantal keren moeten overschrijven, want er stonden dingen in die me konden verraden. Een van de dingen die erin stond was dat ik in een vissersdorp was. Vader vertelde later dat ze op de kaart van Nederland hadden gekeken, maar er waren heel veel dorpjes aan het water.’
Na de oorlog

‘Behalve mijn twee neven Philip en Sal Wagenaar, de twee zonen van mijn moeders vermoorde oudere zuster Jet Wagenaar-Hillesum en zwager Eli Wagenaar, is de rest van mijn moeders familie vermoord in de Sjoa. In de familie van mijn vader waren slechts twee overlevenden: mijn grootmoeder Rebecca, die Bergen-Belsen had overleefd, en haar broer, die dankzij een gemengd huwelijk in leven was gebleven.
Na de oorlog hadden we geen huis. We kregen twee appartementen toegewezen: eentje voor ons gezin en eentje voor mijn grootmoeder van vaderszijde en de twee neven Philip en Sal. Zij waren als mijn oudere broers.
Direct na de oorlog gingen we naar de sjoel in de Joodse Invalide aan het Weesperplein. Ik weet dat mijn vader daar soldaten van de Joodse Brigade ontmoette en mee naar huis nam op Sjabbat.
Mijn vader werd na de oorlog uitgenodigd om plaats te nemen in het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische HoofdSynagoge (NIHS), de Asjkenazische kehilla. Hij was lid van de sociale en van de financiële commissie.’
Terug naar school
‘Ik ben in Makkum naar school gegaan. In juni 1945, toen mijn ouders me kwamen bezoeken, bleek dat ik achter was voor mijn leeftijd. Toen heeft mijn vader geregeld dat ik privé-les kreeg in Makkum om me bij te spijkeren voor de klas van mijn leeftijd.
Terug in Amsterdam ging ik naar de vijfde klas van de Daltonschool in de Van Eijckstraat in Amsterdam. Daar bleek dat die bijlessen in Makkum niet voldoende waren geweest. Mijn vader kreeg toestemming van de inspectie dat ik ’s middags niet naar school hoefde en mijn vader zorgde dat ik zes weken lang privé-les kreeg om me bij te werken voor het niveau van de vijfde klas.
Toen Rosj Pina, de Joodse lagere school, een jaar later werd geopend, kwam ik daar in de zesde klas. Ik zat bij kinderen in de klas die twee of drie jaar ouder waren dan ik en die in de oorlog schooljaren hadden gemist.’

Bar mitswa

‘Toen ik bar mitswa werd, nam mijn vader me mee naar de Portugese sjoel. We stonden met de rug naar de ingang van de Portugese sjoel. Tegenover ons zagen we de dichtgetimmerde huizen van Joden die in de Hongerwinter geplunderd waren voor het hout, en ook waarschijnlijk om te kijken of er ergens sieraden verborgen waren. Hij zei: “Kijk, vroeger was daar een café. Daar heb ik mijn eerste fles limonade verkocht. Je moet niet denken dat dat zo makkelijk was, want ik was met mijn fietstassen vol flessen misschien wel op tien adressen geweest voor ik mijn eerste fles limonadesiroop verkocht had.”
Voor mijn bar mitswa hadden tante Lien (Lien de Vries-Cohen, secretaresse van mijn vader), ons kindermeisje tante Alie en Sal en Philip, “de knokploeg”, liedjes gezongen en sketches opgevoerd.
Rabbijn Drukarch was een indrukwekkende figuur. Hij was sofeer (schriftgeleerde) en hij heeft mijn tefilien (gebedsriemen) verzorgd.’
Zionisme en bezoek aan Israël
‘Mijn vader was lid van Mizrachi, een religieus-zionistische beweging, die moderne Europese ideologieën met het traditioneel Joodse gedachtegoed combineerde. Mizrachisten zeiden: “Wij kunnen het koloniseren van Palestina samen doen gaan met het orthodoxe bestaan in het dagelijkse leven. Torah veAvoda, Torah en werk.”
In 1949 zijn mijn ouders zes weken in Israël geweest om onze Alijah voor te bereiden. Vader heeft het niet mogen beleven, want hij is in 1950 aan een hartaanval overleden. Mijn moeder zag niet hoe zij als weduwe met vijf kinderen in dat jonge Israël haar brood kon verdienen.

Een vriend van de familie, Nathan Keizer (oom Nathan), werd toeziend voogd. Hij en zijn vrouw (tante Trudi) steunden Moeder en ons gezin liefdevol.
Mijn moeder heeft met behulp van oom Nathan drie jaar de fabriek voortgezet en daarna verkocht. Voor de verkoop werd een inventarislijst opgesteld ten behoeve van de taxatie. Deze lijst heb ik uitgetypt. Mijn moeder had vijf jobs. Ze verhuurde een kamer, ze nam pleegkinderen in huis, ze was vertegenwoordigster voor het reisbureau dat later Near East Tours werd en ze was vertegenwoordigster voor verzekeringen van de firma Bleichroeder, Bing & Co. Mijn moeder kreeg als weduwe en oorlogsoverlevende een baan bij de Staatsloterij. Van negen tot twee werkte zij op het kantoor van de Staatsloterij. Daarna ging zij op pad om voor mensen reizen te boeken en reisverzekeringen af te sluiten. Moeder was een kei van een vrouw. Ze vierde uitbundig al onze verjaardagen, bezocht mensen in de Joodse Invalide, nam mensen uit de Joodse Invalide mee naar Zandvoort in haar autootje. Tevens was zij lid van het bestuur van het Joods Bijzonder Onderwijs.’

Tikwatenoe
‘Zoals gezegd was mijn vader ongeveer drie maanden na de heroprichting van de NIHS – de Asjkenazische Joodse Gemeente Amsterdam – uitgenodigd om in de Kerkeraad plaats te nemen. Zijn interesse betrof financiën en sociale activiteiten. Mijn neven Sal en Philip waren elke Sjabbat en jom tov (feestdag) bij ons. Op een Sjabbat na de lunch kwamen Philips vrienden Hans Bloemendal, Werner Rothschild en Jacob Stodel op bezoek. Mijn vader vroeg: “Wat doen jullie op de Sjabbatmiddag?” Philip zei: “We wandelen een beetje.” Daarop zei mijn vader tegen ze: “Jullie moeten wat doen voor de Joodse jeugd die op Sjabbatmiddag niets heeft.” Uit dit initiatief van mijn vader is met hulp van de Joodse gemeente Tikwatenoe ontstaan.
De oprichtingsbijeenkomst was in de bioscoop Alhambra aan de Weteringschans na de zomer van 1945. Diegene die de wedstrijd voor naamgeving had gewonnen, zei: “Onze jeugd is onze toekomst, onze hoop. Daarom stel ik voor de naam Tikwatenoe, naar ons volkslied het Hatikva.”
Mijn groep van Tikwatenoe kwam meestal bijeen in het bijlokaal van de sjoel aan de Obrechtstraat. Er was ook een afdeling in de Lekstraat en er was een afdeling in het centrum, maar daar ben ik nooit geweest.’
Ballet – Chanoeka 1949
‘Toen mijn neef Philip Wagenaar en Flory Goudstikker in november 1949 zijn getrouwd, hebben ze mij, mijn broer en twee zusjes, een zeventiende-eeuws ballet laten opvoeren.
We droegen gehuurde kostuums uit die tijd en de muziek kwam van een grammofoonplaat. Ik denk dat we de danspassen hadden geleerd bij de beroemde dansschoolhouder James (Bram) Meijer, waar vrijwel alle Joodse kinderen naartoe gingen, op de Apollolaan. Onze ouders hadden dat geregeld. Het was zo’n succes dat Philip toen zei: “Dat is iets voor het Chanoeka-feest van Tikwatenoe.” Dat hebben we daar inderdaad opgevoerd.’
Jeugdleider
‘Door het overlijden van mijn vader was ik plotsklaps als 14-jarige “de man” in huis. Als oudste van vijf kinderen voelde ik dat ik het goede voorbeeld moest geven, en werd leider bij Tikwatenoe, klassenvertegenwoordiger in de derde klas van de Joodse HBS en tevens hoofdmadriech van Bne Akiwa. In Amsterdam heb ik voor de leden van Bne Akiwa, Hasjalsjelet en Haboniem samen een pingpong-wedstrijd georganiseerd.
Voor de oorlog was er in Amsterdam ook Zichron Ya’akov. Mijn moeder staat als lid van Zichron Ya’akov in Het Memorboek van M.H. Gans. Op een foto staat ze als 14-jarig meisje op de trappen van het aquarium van Artis aan de Plantage Middenlaan.
Na de oorlog zette Zichron Ya’akov zijn gebedsdiensten op Sjabbat voort in de Lekstraat. Ik kwam daar wel eens. Ik herinner me dat Carolien Eitje, geschiedenislerares aan de Joodse HBS, daar een lezing gaf. Zij was orthodox en sprak over het onderwerp: “Hoe houd je je aandacht bij het dagelijks gebed?”
Ze zei dat er geschreven staat dat je bij het gebed zo’n concentratie moet hebben, dat je je zelfs niet laat afleiden als er een slang om je voeten kronkelt. “Dat zie ik niet zo zitten,” voegde ze eraan toe. “Volgens mij is er elke dag wel één zin in het gebed die op die dag precies verwoordt wat jouw intentie tegenover God is.”’
Joodse les: Mundsztuk, Jo Melkman, Eddy Izaks
‘Ik was dus op Rosj Pina en op de Joodse HBS, maar heb door mijn ouders heel vroeg extra Ivrietles gekregen. Mijn eerste Ivrietleraar was Jo Melkman (later Michman, en werd voorzitter van Yad Vashem van 1960 tot 1977). De eerste les ging over een gedicht van Bialik.

Daarna heb ik les gehad van Eddy Izaks, die als student in Israël was geweest en mij Ivriet heeft gegeven met behulp van een toen recent verschenen blaadje met gedeeltelijk gepuncteerd Ivriet, Ivriet kala.
Van wie ik heel veel geleerd heb, was van mijnheer Mundsztuk. Dat was in de Swammerdamstraat, in de Oost-Joodse sjoel, die later verhuisd is naar de Gerrit van der Veenstraat. Daar ging ik elke week heen. Mundsztuk was een heel charismatisch persoon, een bijzonder mens. Hij zei bijvoorbeeld nooit: “Je hebt een fout gemaakt.” Het ergste dat hij kon zeggen was: “Dit is een vorm die ik nog niet gezien heb.” En als je daar anderhalf uur was dan had hij vijf verschillende onderwerpen behandeld.
Parashat hashavua (de wekelijks portie van de Tora) kwam niet als geheel aan bod, maar één zin uit de parasja. En een zin van Rashi, en een zin van dit, en een zin van dat. Je verveelde je niet en hij bleef je aandacht vasthouden.’
Madriech Bne Akiwa
‘Ik ben heel jong madriech bij Bne Akiwa geworden. Ik was veertien jaar en er waren jongens en meisjes van veertien, vijftien, zestien jaar bij mij in de groep. Dat was niet eenvoudig, zeker als je bedenkt dat in die leeftijdsgroep het verschil tussen jongens en meisjes groot is. Maar ik was wel hun madriech. Ik wist hoe je iets moest overbrengen. Dus het was niet zo bijzonder dat ik later als 21-jarige aangenomen werd als voorganger van de Joodse gemeente.
Ook schreef ik in het blad van Bne Akiwa en vertaalde daarvoor teksten van Nechama Leibowitz.’
Zomerkampen Bne Akiwa
‘Een zomer kwamen chaweriem uit Engeland naar ons Bne Akiwa-zomerkamp. In Nederland was er geen voedseldistributie meer maar in Engeland nog wel. Die kinderen waren door het dolle heen en kochten dozen vol chocolade. Sommigen hadden al hun geld uitgegeven en hadden niet meer genoeg om de terugreis te betalen. Daarop ben ik met jongelui naar het dorp gegaan om dozenvol, netjes ingepakt, terug te geven. Wat open was kon niet terug worden geruild, maar de onaangebroken dozen wel.
Een van de eerste kampen was ergens op de Veluwe in schoongemaakte kippenhokken, van binnen waren ze gewit, en er lag stro op de grond. Dat was denk ik een kamp van Tikwatenoe.
Een van mijn trucjes als madriech was dat, als een kind in de speeltuin bijvoorbeeld duizelig werd, het bij mij kwam. Dan zei ik: “Kom maar even bij Joop zitten,” en gaf ik het een slok water. Vervolgens zette ik het zo neer dat het de andere kinderen kon zien spelen. In no time waren ze weer opgeknapt, want ze wilden meteen weer meedoen.’
Beroep leren
‘Ondanks dat oom Nathan na vaders overlijden in 1950 had gezegd dat ik wellicht de hbs zou moeten verlaten teneinde te gaan werken voor het gezinsinkomen, haalde ik wel het eindexamen. Alhoewel ik ingenieur wilde worden, ging ik volgens moeders wens toch werken.

Via vrienden van vrienden kwam ik als stagiaire bij Magnus, een handelaar in non-ferrometalen en chemicaliën. Daar werkte mijn vaders voormalige secretaresse, Lien Cohen-de Vries, inmiddels opnieuw als secretaresse. Leon Magnus, de zoon van de eigenaar van het bedrijf, hoorde dat ik werk zocht en zei: “Laat hem maar bij mij als stagiaire komen, dan kan hij ervaren of het kantoorleven hem bevalt.” Het was een internationale business.
Aan het einde van de kantoordag werd in de directiekamer de post getekend door Leon en zijn vader. Lien overhandigde hen een brief en die werd dan gelezen en ondertekend. Daarna werd de getekende brief aan mij gegeven om in een envelop te doen. Voordat ik de envelop dicht likte zei Leon: “Stop.” Ik vroeg: “Waarom?” Hij zei: “Je hebt niet gekeken of het adres op de envelop klopt met het adres bovenaan de brief.” Toen vertelde hij me dat ze een heel belangrijke klant hadden verloren doordat een brief van een verkoper bij een koper was beland, terwijl in de transactie Magnus de tussenschakel vormde.
Maar het idee om ingenieur te worden bleef en heb ik gerealiseerd.’
Madrichiem-seminarium Montreux en Genève
‘In de zomer van 1951 zou ik samen met de Bne Akiwa-madriecha Hanneke Hamme uit Rotterdam een reis naar Israël maken. Deze reis werd echter geannuleerd door de Jewish Agency (de Sochnoet). Als alternatief organiseerde de Sochnoet een zomerkamp voor een achttal Nederlandse madrichiem in Montreux, Zwitserland, onder leiding van de Parijse rabbijn Paul Roitman.
Tegelijkertijd was vanuit Noord-Afrika een groep van ongeveer dertig madrichiem en madriechot uit Tunis, Marokko en Algiers onderweg naar Israël. Na een week reizen strandde deze groep in Marseille. Ze reisden vervolgens naar Montreux. Daar verbleven we gezamenlijk drie weken.
Daarnaast werd ik eenmaal naar Genève gestuurd om deel te nemen aan een seminarium van de Sochnoet voor “aankomend jong leiderschap”. Dat was een bijzonder interessant programma, waarin onder meer werd ingegaan op de zionistische eis van internationaal erkende grenzen voor Israël.’
Gateshead: jesjiva – Amsterdam: rabbijnenseminarium
‘Rabbijn Oppenheim maakte propaganda voor een jesjiva in Gateshead, Engeland. Mijn moeder zei: “Daar heb ik geen geld voor.” Oppenheim antwoordde: “Dan krijgt hij een beurs.”
Van augustus tot aan kerst verbleef ik bij Leon Magnus. Na Chanoeka vertrok ik naar Gateshead, waar ik bleef tot negen av (juli/augustus).
Na mijn terugkomst uit Gateshead volgde ik wekelijks één dag onderwijs aan het rabbijnenseminarium in Amsterdam. Intussen was ik ingelijfd bij het Nederlandse leger. Na een eerste oproep werd ik aangemerkt als “buitengewoon dienstplichtig” wegens een “religieus beroep”, en was ik alleen oproepbaar “in tijd van oorlog”.
Vanaf dat moment betaalden Philip en Flory gedurende twee jaar mijn studie tot natuurkundig ingenieur in Delft. Mijn wiskundige aanleg bleek daarvoor echter onvoldoende. Ik stapte over naar werktuigbouwkunde: ‘Een formule is abstract; een bout en een moer kan ik vastpakken.’ Omdat Delft duur was, ging ik een jaar studeren aan de Technische Hogeschool aan de Achtergracht in Amsterdam.
In dat jaar woonde ik thuis en verdiende ik zakgeld met het geven van Joodse les voor de C.O.C. (Centrale Onderwijs Commissie), onder het secretariaat van dr. Max Reissel. De C.O.C. stuurde eenmaal per week een leraar Joodse vakken naar ieder Joods kind, waar dat ook woonde. Wij werden betaald met het lesuurtarief zelf én met vijftig procent van dat tarief voor onze reisuren. Wij zeiden: “Wij zijn handelsreizigers in het Jodendom.”
Daarnaast was ik controleur bij de productie van koosjere producten voor het opperrabbinaat van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK).’
Huwelijk, naar Groningen

‘Mijn aanstaande vrouw Ruth studeerde medicijnen in Utrecht. Dat betaalden haar ouders. Toen wij onze trouwplannen aankondigden, zeiden mijn moeder en Ruths ouders: “Als je oud genoeg bent om te trouwen ben je oud genoeg om je eigen brood te verdienen.” Ik denk dat ze gedacht hebben: dan wachten ze wel met trouwen.

Ik zag in de NIW een advertentie voor een voorganger voor de Joodse gemeente Groningen. Ik heb gesolliciteerd en ben aangenomen. We zijn getrouwd in 1957 en in Groningen was ik vijf jaar voorganger van de Joodse gemeente.

Tijdens ons trouwdiner zei oom Karl, een vriend van mijn schoonouders, tegen mijn schoonvader: “Daar gaan je centen, Max.” Mijn schoonvader zei verontwaardigd: “Wat bedoel je?” Oom Karl zei: “Nou maakt ze natuurlijk die studie niet af.” Waarop mijn vrouw die erbij stond zei: ‘Oom Karl, wedden dat ik het wel afmaak?” Waarop hij zei: “Wedden, waarom?” Ruth zei: “Voor een afstudeerdiner, net als ons huwelijksdiner.” Oom Karl zei: “Dat is goed” en zo gebeurde het.

Ruth studeerde af in 1963. Het afstudeerdiner vond plaats in het Apollo Hotel; de catering werd verzorgd door mevrouw Leb, een Oost-Joodse vrouw, en oom Karl nam de kosten voor zijn rekening. Ruth specialiseerde zich vervolgens in Rotterdam in de kinderpsychiatrie. In dat vakgebied heeft zij vele jaren gewerkt, vooral in Beër Sjeva.’

Rabbijnenseminarium
‘Wekelijks reisde ik vanuit Groningen naar Amsterdam voor de seminariumlessen bij de rabbijnen Schuster en Vorst, bij Lea Dasberg en bij de “witte” Bolle, de psycholoog.
Er waren twee Bolles: de “zwarte” en de “witte”, beiden leraren op Rosj Pina. De “zwarte” Bolle was mijn klassenleraar op die school. De “witte” had psychologie gestudeerd en gaf pedagogie, vanuit de psychologie, aan het rabbijnenseminarium ter voorbereiding op onze taak als Joods leraar.
Rond 1958/1959 besefte ik dat ik als voorganger in Israël mogelijk geen toekomst zou hebben. Toen nam ik het besluit om naar Delft te gaan. Dat heb ik gedaan en ik ben werktuigbouwkunde gaan studeren, aanvankelijk één dag per week. In 1971 studeerde ik af als werktuigbouwkundig ingenieur, met als afstudeerrichtingen industriële organisatie en werkplaatstechniek.

Na vervolgens nog drieënhalf jaar bij Philips-Van der Heem in Voorburg te hebben gewerkt, aliyeerden wij in 1975 naar Beër Sjeva, met drie kinderen van elfenhalf, tien en zeven jaar oud. Maar dat is een ander verhaal.’

1960: Toespraak Bevrijdingsdag in Martinikerk in 1960
‘Als voorganger van de Joodse gemeente werd ik in 1960 uitgenodigd om tijdens de herdenking van vijftien jaar bevrijding in de Martinikerk in Groningen te spreken. Ik kreeg het vers uit Psalm 118 toegewezen: “Prijst de Eeuwige, want Hij is goed, Zijn genade duurt eeuwig.”
Ik was daar woedend over. Voor het verzamelde publiek – onder wie de Commissaris van de Koningin en de burgemeester – heb ik die woede onder woorden gebracht. Ik had mijn toespraak vooraf laten controleren door rabbijn Berlinger; noch hij, noch het bestuur heeft er ook maar één woord in veranderd.
In mijn rede zei ik dat Bevrijdingsdag voor Joden geen feestdag was, maar het begin van het besef hoe groot de ramp voor het Joodse volk werkelijk was. Ik sprak over vrijheid en menswaardigheid en eindigde met de volgende woorden:
“Dit is een universiteitsstad en studenten zoeken kamers. Als een Surinaamse student u om een kamer vraagt, zegt u dan: ‘De kamer is al verhuurd’? Of zegt u: ‘Kom maar boven, je bent welkom’? Pas dan kunt u zeggen dat u geleerd hebt – en zeggen: “God is goed.”’
Visie Mizrachi
‘Het Jodendom dat mijn vader en moeder omarmd hebben was Mizrachi, Torah en arbeid, werk en godsdienst. De Talmoed vertelt dat de rabbijnen ook beroepen hadden en werkten. Dat was tevens hun ideaal. Het is volgens mij ook de essentie van het Jodendom: werk en godsdienst tezamen. We zijn geen godsdienst, we zijn geen natie, we zijn allebei en dat is uniek, dat bestaat nergens anders.’
Het Jodendom is over het doen van goed en het nalaten van slecht. Mijn vader zei daarover dat de bedoeling van de geboden van het Jodendom is om zelfbeheersing te leren.’

