veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Dini Goldschmidt-Klein

Dini Goldschmidt-Klein

Marianna Klein
Marianna Klein

‘Mijn ouders waren Philippus Klein en Esther Cohen. Mijn oudere zusje heette Marianne, zij was geboren in 1932. Mijn zusje is geboren met een hartafwijking. Dat werd “blue baby” genoemd. In die tijd kon dat niet verholpen worden. Bij haar geboorte zeiden de doktoren tegen mijn ouders dat ze maar vijftien jaar oud zou worden, en dat is ook gebeurd.

Moeder Esther, Dini, Marianne en vader Phillipus Klein
Moeder Esther, Dini, Marianne en vader Phillipus Klein

Mijn officiële naam is Dina. Ik ben geboren in 1937. Ik ben genoemd naar de moeder van mijn moeder. Ik werd Dineke genoemd en Marianne werd “Jannie” genoemd. Mijn grootmoeder, die dus Dina heette, werd “Dientje” genoemd en dat vond ik niet mooi. Ik vond Dineke wel leuk. Later heb ik er Dini van gemaakt.

We waren een orthodox, behoudend gezin. Mijn grootvader Tobias Klein was een heel vrome man. Hij was godsdienstleraar in de provincie, in “de mediene”. Mijn vader werd geboren in Rhenen. Hij was een van zeven kinderen, waarvan twee al op heel jonge leeftijd overleden. Later kreeg mijn grootvader een positie in Zaltbommel. Het verdiende heel erg weinig en in 1932 zijn mijn grootouders naar Amsterdam verhuisd.

Mijn oudste oom, Avraham Klein (“Ab”), is net op tijd met zijn vrouw, met het laatste schip vanuit Portugal, via Brazilië, naar Amerika gegaan. Hij was al heel lang uit Nederland weg. Hij woonde in Nice, Zuid-Frankrijk, dat in het begin van de oorlog nog onbezet was. We hebben hem na de oorlog ontmoet, en hij zei: “Ik heb jouw ouders gewaarschuwd en gezegd dit gaat niet goed.” Maar ja, dat is makkelijk gezegd. Mijn ouders hadden een ziek kind en weinig financiën. Bovendien dachten ze dat Nederland neutraal zou blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog.

Oom Ab Klein
Oom Ab Klein

Op een gegeven moment begreep oom Ab dat het ook in Frankrijk niet meer goed ging en hij is naar Portugal uitgeweken. Er is mij verteld dat hij werkelijk met het laatste schip naar Amerika is overgestoken.

Mijn vader had ook twee zusters. De oudste was getrouwd met een man die oorspronkelijk uit Polen kwam, een pettenmaker of zo, met drie grotere kinderen. Daar wist ik voor de oorlog helemaal niks van. Ik kan me haar niet herinneren. Ze woonden aan het andere eind van de stad, blijkbaar te ver om bij elkaar te komen. Op Sjabbat mocht je zover niet lopen, dat zal de reden geweest zijn dat we niet bij elkaar kwamen. Ze zijn vermoord in Sobibor. De jongste zuster, Rebecca, had in haar jeugd polio gehad en was niet getrouwd. Ze heeft voor mijn grootouders de huishouding gedaan. Mijn grootmoeder is voor de oorlog op natuurlijke wijze gestorven en begraven. Mijn grootvader, een lieve man met een witte baard, en tante Rebecca herinner ik me, want daar kwam ik wel.

Toen mijn vader dertien jaar was, is hij van school gegaan. Zijn jongere broer (waar ik later in huis was) ook. Ze hebben de school verlaten om de kost te gaan verdienen hoewel ze allebei erg graag door hadden willen leren.

Mijn moeder had een ongetrouwde zuster die op een kantoor werkte. Deze tante kon heel goed zingen. Ze had zangeres willen worden en nam blijkbaar zanglessen. Op een dag was zij thuis toonladders aan het oefenen. Dat hoorde ik en ik zei: “Tante, als ik groot ben, wil ik ook zangeres worden. Hoe moet ik dat doen?” Toen antwoordde ze heel pedagogisch: “Dan moet je heel voorzichtig zijn met je stem, en nooit schreeuwen.” Zij is lang voor de anderen, al in 1942, in Auschwitz vermoord. Hoe het kwam dat zij al zo vroeg gepakt is, weet ik niet. Haar ouders, mijn grootouders, zijn in 1943 gedeporteerd naar Sobibor.

Mijn vader was (handels)reiziger voor Frutal Works in Amersfoort. Deze firma verkocht gedroogde vruchten en aanverwante producten. De procuratiehouder van deze firma, mijnheer Bekaert, en mijn vader raakten erg bevriend en de vrouwen ook. Dus ze waren niet alleen maar collega’s maar ook vrienden van elkaar.’

Reclameprent van Polak's Frutal Works, geurstoffen- fabriek aan de Nijverheidsstraat 7 (later Nijverheidsweg-Zuid). Met een afbeelding van de fabriek.
Reclameprent van Polak’s Frutal Works, geurstoffenfabriek in Amersfoort. Met een afbeelding van de fabriek.

 

Verhuizen naar Amsterdam-Oost

 

‘Wij woonden in de Rivierenbuurt, in de Roerstraat 67. Ik ging daar naar een fröbelschool. Op een gegeven ogenblik, ik weet niet precies op welke datum, moesten wij weg uit de Rivierenbuurt en naar Amsterdam-Oost verhuizen, naar het zogenaamde getto. Daar woonden we op twee kamers in de Transvaalstraat 44. Tussen de kamers zat zo’n glazen deur. Mijn moeder was in die tijd ziek en is daar overleden in mei 1943. Ze is een van de laatsten die met toestemming van de Duitsers is begraven. De Joodse Raad moest namelijk meedelen aan de bezetter wanneer iemand niet meer leefde, want dan hoefden ze deze persoon niet meer op te halen.’

 

Marianne

 

‘Mijn zusje Marianne heeft de oorlog overleefd. Ze was in een niet-Joods ziekenhuis ondergebracht. Mijn zusje was blond en zag er helemaal niet-Joods uit. Mijn grootouders, de ouders van mijn moeder, Hartog Cohen en Dina Wijnberg, hadden dit geregeld. Ik denk dat de directie het wel wist. Mijn grootouders hadden een goede niet-Joodse bekende die in Aalsmeer woonde. Ze hebben aan hem gevraagd: “Doe ons een groot plezier en ga eens in de week bij haar op bezoek zodat het lijkt dat ze familie heeft.”’

 

Onderduiken in Amersfoort

 

‘De bevriende familie Bekaert heeft het contact met mijn ouders aangehouden ondanks het feit dat dat niet mocht. Mijn vader had hen blijkbaar laten weten dat mijn moeder overleden was en mevrouw Bekaert besloot op condoleance bezoek te gaan. Dat mocht natuurlijk niet. Een niet-Jood mocht niet in een huis komen van Joden.

Mijn vader was druk bezig met onderduikadressen te zoeken. Hij zei tegen mevrouw Bekaert: “Ik heb al een adres gevonden, maar die willen geen kinderen, dus daar heb ik niets aan.” Mevrouw Bekaert antwoordde spontaan: “Weet je wat, jij gaat naar dat adres, en ik neem Dineke mee.” Ze had het niet eens met haar man besproken. Zo ben ik met die tante meegegaan. Zonder enige voorbereiding.

We hebben de ster van de kleding afgehaald en we reisden met de trein naar Amersfoort, waar de familie Bekaert woonde. Tante vertelde later – ik herinnerde het zelf niet – dat de trein stampol was en dat er geen zitplaatsen meer waren en dat we moesten staan. Er zat een Duitse officier en die zei: “Mevrouw, u hoeft toch niet met dat kind te staan, geeft u mij dat kind maar op schoot.” Ze dacht: wat doe ik? Als ik “nee” zeg vindt hij dat misschien verdacht. En ik was een hele grote kwebbel. Als die man had gevraagd: “Waar komen jullie vandaan?”, dan had ik misschien mijn mond voorbij gepraat.

Toen heeft ze gedacht: op hoop van zegen. Laat ik het maar doen. Ik weet niet of hij mij wat vroeg, maar ik heb blijkbaar geen stom woord gezegd. Het is goed afgelopen. Maar pas in die trein realiseerde mevrouw Bekaert zich wat voor een groot gevaar ze zich op de hals had gehaald. Thuis gekomen zei haar man: “Het is goed wat je gedaan hebt.”

Ze hadden zelf een zoontje, Rob, een jaar jonger dan ik. We konden het meteen geweldig met elkaar vinden. Ook met mijnheer Bekaert kon ik goed opschieten. Ik heb een grote fantasie en was heel sterk in verhalen vertellen en verzinnen. Ik verzon voor Rob verhalen over Wammes Waggel en hij vond het enig. Mevrouw Bekaert zei altijd: “Je maakt hem aan het lachen, en van het lachen doet hij een plasje in z’n broek.” Doordat mevrouw Bekaert ineens het gevaar was gaan beseffen, was ze erg zenuwachtig geworden. Daardoor was ze soms moeilijk in de omgang en waren er weleens scènes. Maar ze had er daarna meteen spijt van.

Na de oorlog, toen ik niet meer bij hen woonde, maar geregeld op bezoek kwam, zei ze vaak: “Wat heb ik daar toch een spijt van dat ik soms zo onaardig tegen je was in die tijd.” Daarop antwoordde ik: “Tante Ger, u heeft mijn leven gered, ik begrijp het helemaal. Ik heb geen enkel slecht gevoel en laten we het vergeten.” Daarna was ze er overheen.

Ze woonden in een goede buurt in Amersfoort, in de Pasteurstraat. Daar woonden ze sinds hun huwelijk en iedereen kende elkaar. Ze hebben gezegd dat ik hun nichtje uit Rotterdam was. Het dochtertje van een broer van mijnheer Bekaert die omgekomen was bij het bombardement in Rotterdam. En zo werd ik Dineke Bekaert. Maar iedereen wist waarschijnlijk wel dat ik een Joods meisje was.

De eerste dag dat ik daar buiten speelde zei mevrouw Bekaert tegen hun kindermeisje: “Loop mee, blijf achter de coulissen, maar kijk hoe dat gaat.” Ze wilde weten of ik mijn mond niet voorbij praatte, want ik was erg sociaal en een kwebbel. De buurtkinderen zeiden: “Mijn vader doet dit, en mijn vader doet dat.” Ik wilde ook meedoen en zei: “En mijn grootouders zijn naar Polen.” Dat kindermeisje nam me mee naar huis en bracht verslag uit. Toen hebben ze tegen mij gezegd: “Luister eens, wat er was was er. Het verleden bestaat niet meer, dat moet je vergeten. Je bent nu Dineke Bekaert en nooit meer over het verleden vertellen.” En dat heb ik gedaan, maar daardoor heb ik ook heel veel verdrongen. Eén ding heb ik onthouden: zoals gezegd was mijn familie orthodox. We gingen zeker op Jom Kipoer naar de synagoge in de Lekstraat, en ik was erg muzikaal. In Amsterdam zongen we een bepaalde melodie van de “Viddui”, de Schuldbekentenis. Die melodie vond ik prachtig. Dat wijsje zong ik soms in mezelf ’s avonds voor het slapen gaan. Ik dacht niemand hoeft te weten wat dat is. Dat houd ik bij me, dat is iets van thuis.

De familie Bekaert was een humanistisch gezin, ze deden nergens aan, dus ik hoefde niet naar de kerk. Ze hadden voor de gezelligheid een kerstboom, en we vierden Sinterklaas.’

 

Luchtalarm

 

‘In het begin ging ik naar de lagere school in Amersfoort waar ik vriendinnetjes maakte. Ik heb de eerste klas kunnen doen. Naar de tweede klas ben ik niet meer gegaan. Ik geloof dat Rob eigenlijk ook niet meer ging. In plaats van school kregen we thuis bijles.

Wij woonden in de Pasteurstraat, en aan het einde van die straat was toen een bos. Aan de andere kant liep de weg naar boven, een heuveltje op. Daar stonden toen nog geen huizen, het was onbewoond. Er waren twee wegen om naar school te gaan, of je kon door het dorp of je kon door dat onbewoonde stuk.

Er werd tegen mij gezegd: “Je gaat altijd door het dorp. Nooit die andere weg nemen, want als er luchtalarm komt – er waren heel veel luchtalarmen in die tijd, want we woonden naast het militaire vliegveld Soesterberg – dan komt het kindermeisje je uit school halen. Maar dan moet je natuurlijk langs de afgesproken weg gaan, want als je via die andere weg gaat, loopt ze jou mis.”

Op een kwade dag kwam een vader van een vriendinnetje – hij was een forse politieman – op de fiets zijn dochtertje ophalen. Mijn vriendinnetje zei: “Loop met ons mee, we gaan via de Hugo de Grootlaan.” Dat was niet de weg die ik altijd ging. Ik dacht bij mezelf: ik ben niet alleen. Er is een politieagent bij en een fiets. Laat ik het maar doen. Natuurlijk was er toen net een luchtalarm. En wat deed de politieagent? Hij zette zijn dochtertje op de stang van zijn fiets, fietste weg en liet mij daar alleen achter.

Instinctmatig ben ik achter hen aangehold. Aangezien er geen bagagedrager op de fiets zat, ben ik zo achterop gesprongen en ik heb blijkbaar de ketting er vanaf getrapt. Aangezien we de helling afgingen was er geen controle meer over de fiets en we zijn zo naar beneden gesjeesd. We vielen met ons drieën op het kruispunt van onze straat. Daar stond het kindermeisje. Ze wist niet wat ze moest doen toen ze me niet kon vinden. Ze was natuurlijk terecht boos op mij. Maar die politieman heeft me nota bene nog staan uitvloeken, terwijl hij toch als politieman niet zo snel in paniek had moeten raken.

Vanwege dit voorval heb ik een trauma aan luchtalarm overgehouden. In 1973, tijdens de Jom Kipoer-oorlog, liep ik op straat met mijn man en kinderen, waaronder een baby van twee maanden in de kinderwagen, toen er een luchtalarm afging. Ik heb het op een rennen gezet. Het eerste wat ik me herinner is dat ik me in een bejaardenhuis bevond met de kinderwagen maar zonder de rest van het gezin. Mijn man zei later: “Wat deed je nou? Je hebt de kinderen zo maar laten staan.” Dat was een vluchtreactie. Daarna heb ik heel hard aan mezelf gewerkt. In de Golfoorlog, toen er ook veel luchtalarm was, zei ik tegen mezelf: “Geen paniek, rustig zijn. Doe het voor de kinderen, je moet een voorbeeld zijn.” Maar dat was moeilijk.’

 

Het cadeau

 

‘In april 1944, ongeveer een jaar nadat ik bij de familie Bekaert was, kreeg ik op mijn verjaardag een boek met een brief erin – zogenaamd – van mijn vader: “Lieve Dineke, hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag. Dit boek is een cadeau van je papa.” Dus wat dacht ik? Mijn vader komt terug. Dat heb ik altijd geloofd. Niemand vertelde me, ook niet na de oorlog, wat met hem gebeurd was. Ik leefde in de veronderstelling dat hij terug zou komen.

Mijn vader is echter in de onderduik verraden. Via Westerbork is hij gedeporteerd naar Monowitz, een subkamp van Auschwitz, waar hij als slaaf in de Buna-fabriek voor oorlogsonderdelen werkte. Na drie maanden is hij doorgestuurd naar Birkenau en vermoord.

Toen ik later bij mijn oom in Breda was, zei hij: “Noem ons nou maar vader en moeder.” Ik reageerde: “Maar mijn vader komt terug.” Toen antwoordde hij zonder verder uitleg te geven: “Nee, die komt niet meer terug.” Later heeft de familie Bekaert verteld dat het boek en die brief niet van mijn vader afkomstig waren. Ik had blijkbaar heimwee en dat hadden zij gemerkt en hadden mij willen troosten. Zij hebben dat boek gekocht en dat briefje geschreven.

Ik had in de oorlog ook vreselijk last van wintervoeten, en daarbij vitaminegebrek. Het was zo erg dat er zelfs over gedacht werd om een teen te amputeren. Er was een dokter bij ons in de straat. Hij heeft het klaargespeeld – hoe weet ik niet – om levertraan-injecties voor mij te krijgen en heeft daarmee mijn teen gered. Tevens moest ik wisselbaden nemen om de bloeddoorstroming te stimuleren.

Ik heb altijd contact gehouden met mijnheer en mevrouw Bekaert en met hun zoon Rob, die inmiddels overleden is. Rob en zijn vrouw hebben twee kinderen, een zoon en een dochter. In 2018 kwam de dochter met haar gezin naar Israël. Ik heb hen meegenomen naar Yad Vashem en hen de plek laten zien waar de namen van hun grootouders staan, die de eretitel Rechtvaardigen onder de Volkeren toegekend hebben gekregen.’

 

Naar de Berg-Stichting in Laren

 

Hoofdgebouw Berg-Stichting, Laren NH. Beeld: Stadsarchief Amsterdam

‘Een paar maanden na de oorlog heeft de familie Bekaert gezegd: “We weten dat jij bij de Joodse gemeenschap hoort. Daarom houden we jou niet als kind. Zodra de Joodse gemeenschap zich wat organiseert zullen we jou terug geven, want dat is in de trant van de nagedachtenis van je ouders.” Zo ben ik naar de heropende Berg-Stichting gegaan. Later hoorde ik dat Rob, mijn pleegbroertje, er verdriet over heeft gehad dat ik wegging. Hij was dol op mij en vond het vreselijk dat ik wegging. Hij was nu weer enig kind. “Je weet niet hoe erg ik het vond,” heeft hij me later wel gezegd.

Ik ging in Laren naar de derde klas van de lagere school. In 1945 was er nog geen openbaar vervoer. Het was een heel strenge winter en we liepen iedere dag drie kwartier van en naar de school. Zoals gezegd had ik nog steeds last van wintervoeten. Die voeten waren opgezet. Ze jeukten en deden pijn. Ik droeg schoenen die drie maten te groot waren. We liepen in de sneeuw naar school en ik zie me nog die schoenen uitdoen en krabben. Toen ik eenmaal in Israël woonde heb ik gelukkig nooit meer last gehad van wintervoeten.

In de Berg-Stichting heb ik luizen en vlooien gekregen van de andere kinderen die overal vandaan kwamen. Natuurlijk werden deze kinderen direct behandeld. Onze hoofden werden met petroleum ingewreven. We hadden ook last van zweren in het begin tot we beter eten kregen. Ik heb geen slechte herinneringen aan de Berg-Stichting, helemaal niet. We zaten allemaal in hetzelfde schuitje en dat voelde je als kind. Een van de leidsters speelde piano. ’s Avonds als wij al naar bed waren, dan speelde ze op de vleugel de Turkse mars van Mozart. Ik kon nooit in slaap komen en dan ging ik op de overloop staan luisteren. Muziek trok me altijd al aan.

In de Berg-Stichting hebben we op 29 november 1947 de stemming in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over het Verdelingsplan van het Mandaatgebied Palestina gevolgd. Iedereen was erg blij met de uitslag. Ik ben bijna een jaar in de Berg-Stichting geweest.’

 

Naar Breda

 

oom ies klein
Oom Ies

‘De jongste broer van mijn vader, Israel Klein, oom “Ies” die met zijn vrouw samen in het zuiden was ondergedoken geweest, en hun twee dochters in de Achterhoek, vond mij terug in de Berg-Stichting. Hoe mijn oom mij daar heeft gevonden weet ik niet precies. Misschien via het OPK of de stichting Le’Ezrat Hajeled (Hulp aan het kind).

Ik was een zogenaamd oorlogspleegkind. Mijn oom moest toestemming krijgen van het OPK of ik wel met hem mee mocht en dat mocht uiteindelijk. Mijnheer Jan Reitsema, de directeur van de Berg-Stichting, vroeg mij: “Weet je wel zeker dat je met je oom mee wilt? Je hebt hier zo veel vriendinnetjes.” Toen heb ik gezegd: “Met vriendinnetjes kun je blijven corresponderen en ik krijg wel weer andere vriendinnetjes. Ik ben liever bij mijn eigen familie.” Daarop heeft hij toestemming gegeven.

Ik heb ongeveer een jaar bij mijn oom en zijn gezin gewoond in Breda.

Deze oom was voor de oorlog ook handelsreiziger geweest en had tijdens de oorlog in het Nederlandse verzet gezeten. Dat heeft hem en zijn gezin het leven gered. Mijn nicht, die bij het volgende gebeuren aanwezig was, heeft me het volgende verhaal verteld: “In de oorlog, toen de deportaties in volle gang waren, kwamen de Duitsers op een avond bij hen aan de deur. Ze hadden zich niet gemeld. Mijn oom stond net in een hoek het avondgebed (maariv) te bidden. Waar hij de moed vandaan haalde weet ik niet, maar hij gebaarde naar de Duitsers dat hij “in gesprek was” en dat ze even wachten moesten. Nou, die Duitsers begrepen daar natuurlijk niets van en werden heel boos. Ze hebben hem bewusteloos geslagen.

Nadat mijn oom weer bij bewustzijn was gekomen, bleek dat de Duitsers zijn vrouw en de twee kinderen hadden meegenomen. De Duitsers kwamen terug en hebben een lucifer bij het been van mijn oom, die zich voor dood hield, gehouden waarop hij niet reageerde. Hij had dat geleerd in het verzet. De Duitsers dachten dat hij dood was en zijn weggegaan.

Oom Ies heeft op een of andere manier contact opgenomen met het verzet en gezegd dat zijn vrouw en kinderen in Westerbork waren en dat hij ze eruit wilde halen. Het is hem gelukt! Mijn tante schijnt bij aankomst in Westerbork aan iedereen gezegd te hebben: “We zijn hier maar tijdelijk.” De mensen in Westerbork hebben waarschijnlijk gedacht: die vrouw praat onzin door de schok. Maar na zes weken is het mijn oom gelukt dat ze tijdelijk, voor een paar dagen, naar Amsterdam terug mochten. Hoe, weet ik nu niet meer. Ze zijn toen gaan onderduiken.’

 

De trouwring

 

‘Mijn vader is verraden in de onderduik. Dat is mij destijds natuurlijk niet verteld. Een Jood die tijdens de onderduik was opgepakt werd in de regel direct als strafgeval doorgestuurd. Mijn vader werd op de trein naar Westerbork gezet en tegenover hem zat ene mijnheer Bierman die op een lijst stond om uitgewisseld te worden naar Zwitserland. Ik weet niet of ze elkaar voor de oorlog kenden of niet, maar ze raakten in gesprek. Mijn vader die zijn trouwring nog had, zei tegen deze mijnheer: “Hier is mijn trouwring. Ik weet waar mijn dochter ondergedoken is. Jij hebt veel meer kans om te overleven dan ik. Geef mijn dochter na de oorlog deze trouwring.”

Mijnheer Bierman is inderdaad naar Zwitserland uitgewisseld en is in december 1946, toen ik bij mijn oom in Breda was, gekomen en heeft die ring gebracht en dit verhaal verteld. Mijn oom heeft die ring in ontvangst genomen. Maar hij vond dat ik eigenlijk veel te jong was om dat verhaal te horen en heeft me niets verteld.

Wanneer heb ik die ring gekregen? Toen ik op het punt van trouwen stond. Ik kreeg een brief van mijn oom met die ring en het verhaal. Daardoor was ik zo van streek. Ik voelde me erg gekwetst. Mijn oom bedoelde het waarschijnlijk goed, maar ik wist bijna niets van mijn ouders.

Doordat ik zo van streek was, heb ik niet uitgezocht wie en waar die mijnheer Bierman – die toen waarschijnlijk in die tijd nog leefde – was. Tot mijn spijt heb ik er niets mee gedaan. Ik wist ook niet wat ik met die ring moest doen en ik heb hem bewaard. Vele jaren later overhoorde ik een gesprek tussen mijn twee zoons. De ene zei dat hij later geen trouwring wilde dragen (mijn eigen man droeg namelijk ook geen trouwring) terwijl de ander zei dat hij dat juist wel wilde gaan doen. Op dat moment besloot ik dat als die zoon gaat trouwen, dan krijgt hij de ring. Deze zoon is naar mijn vader genoemd. En hij draagt sinds zijn trouwen de trouwring van mijn vader.

Na de oorlog probeerde mijn oom als handelsreiziger opnieuw een bestaan op te bouwen. Zijn vrouw ging mee om hem te helpen. Hun oudste dochter, die net iets ouder was dan ik, moest het huishouden doen. Dat was heel erg moeilijk. Op een gegeven moment werd het te veel en moest er toch een andere oplossing voor mij worden gevonden. Daarop wendde mijn oom zich tot de stichting Le’Ezrat Hajeled in Amsterdam.’

 

Doorgangshuis Amsterdam

 

Koninginneweg 42-54, Amsterdam
Koninginneweg 42-54, Amsterdam. Nummer 44 is het huis waar de boom voor de deur. Beeld: Stadsarchief Amsterdam

‘Op het advies van Le’Ezrat Hajeled werd ik in het Doorgangshuis geplaatst. Dat huis stond aan de Koninginneweg 44. Dat was bedoeld om kinderen nieuwe families te geven en dat duurde natuurlijk een tijdje. Mijn zusje Marianne leefde toen nog en ik ging af en toe bij haar op bezoek. Ze was opgenomen in de Joodse Invalide.

Intussen werden er families voor ons gezocht die ons in huis konden nemen. Dan werden we ergens een weekend naar toe gestuurd en dan kwamen we weer terug en dan hoorde je niks meer. Dat was om te zien of het paste, want het moest van twee kanten passen. Eindelijk, in voorjaar 1948, was er een familie die zelf een dochtertje had en die erg graag een zusje voor hun eigen kind Roosje wilden. Dat waren Theodor Koetser en Ilse Koetser-Scheideman.’

 

Naar familie Koetser in Veenendaal

 

Dini met de familie Koetser
Dini met de familie Koetser

‘De familie Koetser woonde in Veenendaal. Eerst ging ik een week of een lang weekend, dat weet ik niet meer precies. Ik vond het heel erg fijn. Ik heb hen zelfs een brief geschreven: “Ik vond het zo leuk bij jullie. Mag ik nog eens terugkomen?” Zij vonden het ook heel erg fijn. Dus zo is het gegaan.

Theodor Koetser was ook handelsreiziger en werkte voor de familie Van Essen in Veenendaal. Tijdens de oorlog waren ze op dertien verschillende adressen ondergedoken. Na de oorlog zijn ze teruggegaan naar Veenendaal. Ons adres was Julianastraat 11.

In Veenendaal woonden maar drie Joodse families. Toevallig waren die alle drie orthodox. Een van die families was welgesteld. Die hadden in hun salon een soort aron kodesj (kast voor de Torarollen) laten inbouwen, en ze hadden drie Sifrei Tora (Torarollen).

Op Sjabbat kwamen we bij elkaar en dan deden we de gebeden zonder minjan (quorum van tien mannen dat nodig is voor bepaalde gebeden en daarmee ook voor een synagogedienst). Drie keer per jaar: Pesach, Soekot en Sjavoeot maakten wij minjan en dan brachten we gasten van buiten. Dat was ontzettend leuk. Voor de jamiem noraïem (benaming voor Rosj Hasjana en Jom Kipoer) gingen we naar Amsterdam en later ook naar Utrecht.’

 

Joodse les

 

‘Iedere week ging mijnheer Van Gelder, de godsdienstonderwijzer, uit Utrecht naar het huis van de familie Van Essen. Daar kregen Roosje Koetser en ik Joodse les; ook Jits van Straaten, die bij de familie Van Essen in huis was. Al die jaren heeft mijnheer Van Gelder ons les gegeven, op de lagere én op de middelbare school. Mijneer van Gelder vond het leuk als iemand een goede leerling was, en dat was ik blijkbaar. Toen ik klaar was met de middelbare school heeft hij tegen mij gezegd: “Ik zou graag willen dat je voor de laagste rang gaat leren.” (Dat is voor lerares Joodse les).

Roosje Koetser en Dini
Dini en Roosje Koetser

Aan het Nederlands Israëlietisch Seminarium (NIS) heb ik het laagste rang-examen gedaan. Rabbijn Aron Schuster was de voorzitter van de examencommissie en hij stelde mij veel vragen. Ik zie het nog voor me. Ik ben ervoor geslaagd. Daarna heb ik les gegeven in Utrecht, want in die tijd studeerde ik zelf ook in Utrecht. Ik gaf les aan kinderen uit gezinnen die privé Joodse les wilden.’

 

Naar het Marnix-college in Ede

 

‘Voordat ik bij de familie Koetser kwam, was ik tijdens mijn verblijf in het Doorgangshuis in Amsterdam naar de Joodse school Rosh Pina geweest. Mijn oom uit Breda had mij door een of andere schoolmeester laten testen naar welke middelbare school ik zou moeten. Volgens deze schoolmeester zou ik hoogstens naar de mulo kunnen. Mijn pleegouders zeiden: “Daar klopt iets niet.”

In Veenendaal was geen openbare middelbare school, maar wel in Ede-Bennekom, 10 kilometer verderop. Voordat je kon worden aangenomen op die school moest je eerst zes weken in een proefklas meedraaien, want op die school was zowel hbs als gymnasium. In die proefklas kregen we Latijn, Grieks en wiskunde. Aan het eind van de periode schreven ze een rapport: “Uiterst geschikt voor gymnasium”. “Zie je wel,” zei papa. Dus ik naar het gymnasium, alpha, want mijn talen waren heel sterk. Van wiskunde hield ik niet.

De school zat in een heel modern gebouw. We gingen er heen op de fiets, maar in de allerkoudste maanden namen we de bus. Die bus ging om zeven en acht uur ’s ochtends. Als ik die van acht uur zou nemen, zou ik tien minuten te laat komen en dat mocht niet. Dus ik nam die van 7 uur en dan had ik nog tijd. De conciërge kwam ook vroeg om de verwarming aan te doen en dan maakte ik mijn huiswerk. Jits van Straaten en ik waren geloof ik de enige Joodse kinderen.

In de klas werd ik gewoon geaccepteerd. Ik werd heel erg bevriend met drie meisjes. De ouders van deze meisjes waren goed geweest in de oorlog en wisten over Joden, Jodendom en hadden onderduikverhalen gehoord. Deze meisjes kwamen dus uit pro-semitische gezinnen en waardeerden mij enorm. Ik kwam daar ook thuis en bracht mijn eigen boterhammen mee, want ik kon daar niet eten. Ik herinner dat een keer een van die vaders zei: “Goh, wat jammer, we eten vandaag varkensvlees. Als ik geweten had dat je zou komen, hadden we rundvlees gegeten.” Niet dat ik dat had kunnen eten, maar goed. Zij waren tot in detail op de hoogte van de spijswetten. Zelfs dat als een niet-Jood een fles wijn openmaakt een Jood daarvan niet mag drinken. Veel later, wanneer ik met mijn man bij hen op bezoek kwam, haalden ze wat bij de koosjere bakker om voor ons wat in huis te hebben, en serveerden dat op papieren bordjes.

Ik ging ook gewoon mee met de werkweek van school. Dan nam ik alles zelf mee. Ik heb niet zoveel warm gegeten, vooral brood. De leraar Grieks en Latijn was een al wat oudere, fantastische man, die ons veel liefde heeft bijgebracht voor Homerus en voor de klassieke schrijvers. Ik vond dat heel erg leuk. Ik heb me geweldig goed geamuseerd op die school. Zelfs zozeer dat ik na mijn eindexamen erg verdrietig was, omdat ik geen idee had wat ik daarna moest doen.’

 

Hasjalsjelet – ‘Hasj’

 

‘NHasjalsjeletadat ik in 1948 in Veenendaal kwam, ben ik bij Hasj gekomen. Een van de oprichters van Hasj, Jona Emanuel, woonde samen met zijn broer en zus, Baruch en Bella, in Veenendaal bij de familie Van Essen. Het secretariaat was in Utrecht bij de andere oprichter van Hasj: Shmuel Emanuel. Vanuit Veenendaal werd ook de bruidsuikeractie gedaan. Roosje Koetser en ik waren als vanzelfsprekend door de Emanuels onder hun hoede genomen. Al snel gingen we naar de kampen en weekenden in Amersfoort, Elst en Vierhouten.

Hasjalsjelet-kleding, Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950

Ook de krant Hasj werd in die eerste jaren door de Emanuels gemaakt. Ze moedigden ons aan om daarvoor te schrijven, bijvoorbeeld kampverslagen. In die eerste jaren stonden we sterk onder hun invloed, en we vonden het geweldig. Wij, als mediene-meisjes – met slechts één jongen van onze leeftijd – leefden voor die kampen. Je voelde je daar echt onderdeel van één grote familie. Niemand sprak over zijn achtergrond, want iedereen had wel zijn eigen verhaal. We waren onder lotgenoten en zaten allemaal in hetzelfde schuitje. De kampen waren ontzettend belangrijk en wij waren erg verdrietig als we weer naar huis moesten. Zo kregen wij vriendinnen waarmee we correspondeerden en af en toe gingen we bij elkaar logeren.

Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950
Kampverslag geschreven door Dini. Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950

Hasjalsjelet was heel duidelijk onderdeel van de Poalee Agoedat Jisrael. De naam Hasjalsjelet werd gekozen om te benadrukken dat de ketting ondanks alles wat er gebeurd was, onverbroken is gebleven. Maar eigenlijk was Hasj, wat in andere landen Ezra heette. De opvoeding was dus in de geest van de Agoeda, maar wel gericht op Israël. De Emanuels gaven het voorbeeld en emigreerden al in 1951. De nadruk werd gelegd op de mogelijkheden voor de Hasj-jeugd bij de jonge kibboets Shaalvim in Israël. Verder werden de jongens aangemoedigd naar Kol Tora te gaan.

Twee gebeurtenissen waren erg belangrijk in die eerste paar jaren: Rav Jaakov Rosenheim (voorzitter wereld-Agoeda) kwam in Holland op bezoek en werd door Hasj met Israëlische vlaggen op Schiphol ontvangen.

Rav Jaakov Rosenheim arriveert op Schiphol. In Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950 staat het volgende verslag: Nadat we met z’n allen voor een grote vliegmachine door een K.L.M.-fotograaf waren gefotografeerd en door Mijnheer Mouwes op een heleboel lekkers waren getracteerd, marcheerden wij het vliegveld af om even later plaats te nemen op het terras waar alleen de vertrekkende reizigers mogen zitten. Ook hier bleven we niet lang, want wij moesten ons opstellen op het vliegveld. Eindelijk kwam het vliegtuig en zodra het stil stond, stelden wij ons op in het verlengde van het trapje. En toen waren wij het, die de grijze Joodse leider “hewienoe sjalom alechem” toezongen. Moreno Jacob Rosenheim liep begeleid door Mijnheer Goodman langs onze erewacht naar het ontvangstlokaal, waar hij, zoals wij later hoorden, toegesproken is door afgevaardigden uit verschillende landen. Ondertussen zongen we allerlei liedjes en dansten de meisjes horra, toevallig voor ’t raam van het zaaltje waar de ontvangst plaats vond. Het bovenste platform was intussen zwart van de mensen geworden, die allen met veel belangstelling toekeken. Het vliegtuig naar Erets heeft expres een half uur gewacht. Toen die tijd om was stelden wij ons weer op bij het Israël-toestel en liep Moreno Jacob Rosenheim weer door de zingende rijen. Op het trapje drukte hij Mijnheer Tal nogmaals de hand. Naast een oude bekende van ons, Jaap Cohen, liep hij naar boven. De deur ging dicht, de motoren sloegen aan. Wij probeerden nog het lawaai van de motoren door ons gezang te overstemmen, wat natuurlijk niet lukte. Toen reed het vliegtuig weg. Gezamenlijk zeiden en dachten we: Jeworechecho hasjeim wejsjmerecho.

Wij zamelden geld in voor Keren Jaldenoe (voor het opvangen van immigranten-kinderen) en toen we een grote som geld bijeen hadden kwam rabbijn Kalman Kahane van de PAI naar Holland. Er was een grote bijeenkomst in Krasnapolsky in Amsterdam en ik werd door Jona Emanuel uitgekozen om de envelop aan Rabbijn Kahane te overhandigen en een korte speech in het Ivriet te houden (die Jona voor mij had geschreven). In een van de Hasj-kranten stond een foto van deze bijeenkomst. In die tijd had niemand daar opmerkingen over. Shmuel Emanuel vertrouwde mij de laatste jaren toe: “Vandaag zou dat in de Agoeda-kringen niet goed gevonden worden dat een meisje de Rav een envelop geeft en hem toespreekt!!”

Dini overhandigt de envelop met check aan Rabbijn Kahane in hotel Krasnapolsky, Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950
Dini overhandigt de envelop met 120 gulden aan rabbijn Kahane in hotel Krasnapolsky, Hasjalsjelet, jrg. 4, 1950

Er waren voornamelijk twee verschillen tussen Bne Akiwa en Hasj: In die tijd dansten jongens en meisjes de hora gezamenlijk en er werd gemengd gezwommen bij Bne Akiwa. Wij deden dat niet. In de kampen zaten we aan aparte tafels, jongens aan een kant en meisjes aan de andere kant. Later hielden we af en toe gezamenlijke weekenden met Bne Akiwa in Amsterdam die kinoesiem limoedi’iem (studieweekenden) heetten, met veel sjioeriem en dus waren dan hora’s dansen etc. niet aan de orde. Maar het was allemaal erg gezellig.

Ik herinner me dat in 1953 voor het eerst een groep Ezra uit Engeland ons zomerkamp bezocht; zij waren geschokt door de primitieve kampeeromstandigheden. Leersum was inderdaad erg primitief, een soort boerderij. Ik herinner me dat er koeien waren en wij op stromatrassen sliepen. Dat was niets voor de in onze ogen verwende Engelsen. Ze waren bovendien verbaasd dat meisjes bij ons zongen. Lea Zamin en ik zongen vaak samen duetten; dat werd als volkomen vanzelfsprekend beschouwd en riep geen enkele kritiek op.

Na de oorlog was men gematigd: men wilde de jeugd weer jiddisjkeit meegeven en besefte dat al te veel choemrot (strenge voorschriften) averechts zouden werken. Juist bij een generatie die weinig kennis had en uiteenlopende oorlogservaringen hadden, zou dat hen alleen maar van het Jodendom vervreemden.

Ik werd later madriecha in de kampen waar we peoelot (activiteiten) deden en sjioeriem (les) gaven. Toen ik wat ouder werd en alleen kon reizen door het land werd ik madriecha in Haarlem, waar ik één keer per veertien dagen over Sjabbat was, om beurten bij de familie Philipson en de familie Pereira. Het was bijzonder om madriecha te zijn, want je had dan ook bijeenkomsten (vergaderingen) van madrichiem waar we van alles bespraken en ook bijzondere vriendschappen vormden. Ik herinner me een sjaliach uit Israël, Rafael Levi. Vaak waren er in de kampen gasten die waren uitgenodigd om voor ons te spreken en met ons te praten.

Zo was er mijnheer Wohlgemut en zijn zoon Benja die ons een melodie leerde die ik nog steeds kan zingen en een enorme impact op mij had. Net als de seudot sjliesjiet op Sjabbat met de melancholieke sfeer en de daarbij horende melodieën.

Ook was mijnheer Friedrich uit België uitgenodigd om in een kamp te komen spreken. We hadden grote filosofische debatten met hem over emoena (geloof, vertrouwen) en de vrije wil.

De jeugdvereniging heeft een enorme invloed op mij gehad. Het was absoluut bepalend voor mijn jiddishkeit. Het was een soort tweede huis. Vanzelfsprekend zijn veel van onze chevre in die tijd op Alijah gegaan, maar er waren ook die naar Engeland gingen of naar Canada. De nadruk was niet uitsluitend op Israël maar ook op andere landen waar wel een groot Joods leven is. Zo gingen meisjes vaak naar het seminarium van rabbijn Dunner in Londen. De bedoeling was dat ze dan ook sjidoechim (het arrangeren van een huwelijk) geregeld konden worden. Onder onze madrichiem zijn ook huwelijken tot stand gekomen.’

Rijksuniversiteit Utrecht

 

‘Wij waren na de oorlog allemaal gericht op Israël. In Nederland zeiden ze: “Leer eerst een beroep.” Er waren een aantal dingen die ik erg graag wilde doen, of voor bibliothecaresse leren of geschiedenis studeren. Maar de Sochnoet (Jewish Agency) vond deze beroepen niet voor Israël geschikt. Waarop mijn pleegvader zei: “Ga psychologie studeren.” Dat vond ik ook leuk. Omdat ik van kinderen houd, ben ik kinderpsychologie gaan studeren aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. De eerste twee jaar reisde ik heen en weer van Veenendaal naar Utrecht.

Aan het begin van het derde jaar heb ik een klein zolderkamertje gehuurd bij mensen, maar daar was ik gauw weg want een van kinderen van die mensen was een kwajongen. Op een nacht kwam ik op mijn kamer en vond ik een dode muis in mijn bed. Dat was de druppel die de emmer deed overlopen. In de mensa at ik koosjer.

Een goede vriendin van de familie Koetser had een huis in Tuindorp, een buitenwijk van Utrecht. Om in haar onderhoud te voorzien, nam zij studenten in huis. Er was een kamer vrij, en zo ben ik daar gaan wonen.

In het begin zei ze: “Je mag je eigen potje koken, want jij bent een meisje.” Voor de jongens kookte zij wel. Maar al snel vond ze dat eigenlijk onzin en zei ze: “Eet voortaan maar gewoon mee met de jongens.” Dat was heel leuk en gezellig. Ik heb daar twee jaar gewoond.

Ik werd lid van de NZSO en ook van Unitas. Dat was één van de twee studentenverenigingen. De andere was de UVSV, maar mijn pleegvader zei: “Die waren in de oorlog niet goed, daar moet je niet naar toe gaan.” Unitas was gemengd en die waren wel goed in de oorlog. Daar waren veel meer jongens dan meisjes, maar dat gaf niet. Dan had je als meisje een heel goede positie. Ik zat zelfs in het bestuur. Op mijn verloving kwamen ze allemaal officieel gekleed. Ik had een leuke studententijd. In die periode heb ik extra lessen Ivriet genomen bij Ted Andriesse, die later getrouwd is met Herman Musaph.

Mijn vooruitstrevende pleegvader zei ook: “Leer autorijden.” Ik vond dat onzin, maar hij hield vol: “Luister naar mij: jij wilt naar Israël. Later heb je geen geld voor rijlessen, dus leer het nu.” Ik heb het gedaan, en af en toe huurde ik een auto.’

 

Kennismaking met mijn latere man

 

‘Zoals gezegd, drie keer per jaar maakten we minjan in Veenendaal, en dan brachten we mensen van buiten. Een van die jongelui van “buiten” was mijn latere man: Emil Jaacov Menachem Goldschmidt. Mijn man was in 1930 geboren in Aschaffenburg in Duitsland. Mijn schoonvader was een wijnhandelaar die betrekkingen had met Engeland. Toen Hitler aan de macht kwam, zag hij dat er geen plaats voor de Joden meer was in Duitsland en is hij met zijn gezin naar Engeland gegaan.

Mijn man vertrok in 1952 naar Israël. Na zijn promotie en zijn werk aan de universiteit ging hij in 1958 voor een postdoctoraal verblijf naar Engeland, waar zijn moeder ernstig ziek was. Zijn tantes, die contacten hadden met families in Veenendaal, regelden dat hij daar werd uitgenodigd – in de hoop dat hij er misschien een meisje zou ontmoeten.

Ik vond hem meteen heel leuk. Met een gehuurde auto hebben we die week samen rondgereden en van alles bezocht en bezichtigd. We trokken veel met elkaar op. Voor mij was het eigenlijk al snel duidelijk dat hij “het” was. Hij bleef echter voorzichtiger en zei: “Laten we nog wat corresponderen.”

Huwelijk Dini en Emil Jaacov Menachem Goldschmidt, 1960
Huwelijk Dini en Emil Jaacov Menachem Goldschmidt, 1960

Een paar maanden later, tijdens Chanoeka, ben ik naar Engeland gegaan en daar heeft hij inderdaad om mijn hand gevraagd. Toen zijn we naar Nederland gegaan, zodat hij mijn pleegvader officieel om mijn hand kon vragen, die het natuurlijk al lang wist. In mei 1960 zijn we getrouwd.’

Mijn bul had ik al vóór ons huwelijk behaald. Ik was van plan in Israël een MA psychologie te gaan doen, maar toen ik daar aankwam raakte ik meteen in verwachting. Studeren zou veel reizen vergen, en daarom besloot ik voorlopig van verdere studie af te zien.

In 1969 gingen we voor een sabbatical naar Texas. Mijn man zei toen: “Je wilde toch zo graag bibliothecaresse worden?” In Texas was een uitstekende bibliotheekopleiding. Ik heb hard moeten werken voor mijn examens, maar dat werd beloond met het behalen van de titel “Master of Library Science”.

In 1982 overleed mijn man helaas heel plotseling.

Daarna werkte ik aan de Bar-Ilan Universiteit: eerst drie jaar op de afdeling catalogisering, vervolgens drie jaar als hoofd van de natuurkundebibliotheek. Daarna vervulde ik tot 2003 twee functies tegelijk: als docent aan de afdeling Bibliotheek- en Informatiewetenschappen én als hoofd van de bibliotheek. Als docent ben ik in 2007 gestopt. Sinds 2006 werk ik als bibliothecaresse bij het Instituut voor Onderzoek naar het Nederlands Jodendom in Jeruzalem.’

 

Stolpersteine 2022

 

‘Op 26 juni 2022 werden er Stolpersteine gelegd voor het huis in de Roerstraat waar wij gewoond hebben. Voor deze steenlegging ben ik met mijn kinderen naar Nederland gereisd. De dochter en weduwe van Rob Bekaert waren ook aanwezig.’

Manfred Gerstenfeld met drie van de voor het boek geinterviewde jeugdbewegers. Vlnr: Dini Goldschmidt, Chawa Dinner-Loopuit en Shimon Shalish, 13 februari 2020
Manfred Gerstenfeld met drie van de voor het boek geïnterviewde jeugdbewegers. Vlnr: Dini Goldschmidt-Klein, Chawa Dinner-Loopuit en Shimon Shalish. Presentatie boek Veerkracht, 13 februari 2020
Deel deze pagina