‘Ik ben geboren op 24 februari 1929 in Arnhem in de Van Pallandtstraat als Cato (Toos) van Spiegel. Mijn ouders waren Willem van Spiegel en Eva Cohen. Ik was enig kind, en ik voelde me best eenzaam.

Toen ik zes jaar was, ging ik naar de openbare lagere school aan de Cattepoelseweg waar ik leuke vriendinnetjes had. Ik moest heen en terug een halfuur lopen door de velden, want ik had geen fiets. Mijn moeder was een “schijtlaars”. Ik mocht niet fietsen, want dat was zo gevaarlijk.
Er was geen Joodse school in Arnhem. Op zondag werd er wel Joodse les gegeven, maar daar stuurde mijn vader me niet naar toe. Mijn vader was een geweldige vrijdenker en Joodse les vond hij nergens voor nodig. Daardoor heb ik de Ivriet-letters nooit goed geleerd en daar heb ik tot nog toe last van.
Die oorlog brak uit in 1940 en ik was elf. Tot we er iets van begonnen te voelen was ik al twaalf. De eerste maanden deden de moffen nog niet veel tegen ons. Na de lagere school ben ik niet naar een middelbare school gegaan. Ik bleef thuis, mijn vader gaf me les. Mijn vader heeft me meer wiskunde geleerd dan ik ooit op school nodig had gehad. Wiskunde en meetkunde, hij was een wiskundig genie. Onder het initialen WVS maakte hij kruiswoordpuzzels die in kranten verschenen.
De moeder van mijn moeder, Sophia Cohen-Wolff uit Harderwijk, kwam bij ons in huis wonen toen ze zeventig werd. Behalve mijn moeder had ze nog een dochter die in Tel Aviv woonde, die was al eerder op Alijah gekomen.
De familie Van Spiegel was erg wiskundig aangelegd, twee zonen van mijn oom Felix van Spiegel – de oudere broer van mijn vader – Izak Willem en Egbert van Spiegel waren dat ook. Izak Willem werd hoogleraar wiskunde en rector magnificus van de Universiteit Twente en Egbert werd hoogleraar wiskunde in Delft en later directeur-generaal van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Na de oorlog waren deze oom en tante en hun drie zoons de enige familie die ik nog had in Holland van vaderskant. Hier in Israël heb ik een nichtje van mijn moederskant. Dat is alles. Meer familie is er niet.
Mijn vader was een goede leraar, maar ik werd eenzaam zonder vriendjes. Op een gegeven moment heb ik gezegd: “Ik wil er niet mee doorgaan.” Mijn vader voelde zich daardoor vreselijk beledigd. Hij vond het heerlijk om me les te geven. Sowieso waren we toen al onder maatregelen, dus het was voor hem ook fijn om iets te doen te hebben.’
Tweede Wereldoorlog

‘Mijn vader werkte in Arnhem op de AKU, de Algemene Kunstzijde Unie. Wij woonden tegenover de fabriek in Arnhem. Mijn vader werkte daar van 1921 tot 1963, tweeënveertig jaar, en hij was erg geliefd. Toen hij weg ging, kreeg hij een onderscheiding van de koningin.
Er stonden ook fabrieken van de AKU in Ede en in Tilburg. Verder waren er over de hele wereld filialen. De AKU heette eerste Enka. Momenteel is het AKZO. Jaren geleden heb ik een artikeltje in de Aleh (het blad van de Nederlanders in Israël) geschreven over hoe de AKU ons tijdens de oorlog hielp.
De AKU ontwikkelde intern een geweldige verzetsorganisatie. Ze hebben daar van alles gedaan. Niet alleen voor de Joodse werknemers, maar ook voor de niet-Joodse die om een of andere reden moesten onderduiken. Deze groep verzorgde in de eerste plaats onderduikadressen. Ten tweede werd het allemaal bekostigd door de AKU en dat was geweldig complex. De AKU had daar best een onderscheiding voor mogen krijgen. Dat is nooit gebeurd.
Er is geweldig goed voor ons gezorgd. Elke keer werden we gewaarschuwd als er bekend werd dat er die nacht overvallen gedaan zouden worden. Want de AKU had iemand die dicht bij het vuur zat en informatie over zulke zaken kreeg. Dan doken we even onder. We gingen snel een straatje om en ik werd verstopt bij een vriendinnetje wier vader ook bij de AKU werkte.
Op een keer kwam mijn vader me ’s ochtends ophalen. Hij zei: “Ze hebben grootmoeder meegenomen.” Mijn vader had een bewijs dat hij nodig was voor de AKU en toen vroegen de moffen: “Hebt u uw vrouw nodig?” Nou, hij heeft gepraat als Brugman en toen hebben ze gezegd: “Dan mag u uw vrouw houden, maar uw schoonmoeder heeft u niet nodig.” Daar is mijn moeder nooit overheen gekomen. Mijn grootmoeder was een heel lieve en vrome vrouw. We kregen soms briefkaartjes uit Westerbork: “Het is niet zo gek hier, ik kan douchen en ik kan veel whisten (kaartspel voor vier personen, red.).”
Ik herinner me nog dat we in de oorlog veel last hadden van winterhanden. Als mijn moeder haar vingers boog, barstte haar huid open en dan er kwam vocht uit. Of het alleen van de kou kwam of dat het ook met ondervoeding te maken, dat weet ik niet meer. Mijn moeder kon daardoor bijvoorbeeld geen brood snijden, dat moesten wij voor haar doen.’
Onderduiken
‘Steeds meer mensen verdwenen of doken onder. Je had het gevoel van de tien kleine negertjes. Wij bleven op het laatst als enigen over en dat was een vreselijk gevoel. Want iedereen die je lief had en iedereen die je kende was weg. Je wist in je achterhoofd dat je ze nooit meer terug zou zien. Mijn ouders hadden mij op een gegeven ogenblik naar een ander adres in Arnhem gestuurd, maar zij bleven in ons huis wonen omdat mijn vader zo zeker was van de AKU.
Ik verbleef dus bij een vriendinnetje wier vader ook bij de AKU werkte. Hij was al ziek voordat ik bij hen kwam. Vanwege die ziekte kon hij het eigenlijk niet hebben dat er nog iemand aanwezig was in huis. Het was ook een heel kleine woning. Er was ook niet echt plaats voor mij.
Op een gegeven moment ging er opnieuw een gerucht rond: “Het kan zijn dat de moffen komen.” We zijn toen ondergedoken. En inderdaad: ze kwamen, maar wij waren net op tijd weg.
De AKU had een uitgebreide organisatie van onderduikadressen. Mijn ouders gingen naar twee adressen: één maand bij de ene en één maand bij een ander. Dat waren allemaal ingenieurs. Mijn ouders zijn tot aan het eind van hun leven met hen in contact gebleven.’

Doorwerth
‘Ik ben door de AKU zeker een maand van hot naar her gesleept via allerlei adressen, wel een stuk of twintig. Ten slotte ben ik terechtgekomen in Doorwerth, bij Oosterbeek. Naast het kasteel was een weggetje door de weilanden en daar was een steenfabriekje. Ik kwam terecht bij een van de mensen van dat steenfabriekje, de familie Idema. Zij waren Friezen. Ze woonden daar, omdat hij op de steenfabriek werk had gevonden.
Saakje Idema en haar man hadden twee kinderen. Jopie was vier jaar en Douwe was een peuter. Na de Tweede Wereldoorlog was er geen werk meer en toen zijn de mensen van dat steenfabriekje naar Australië geëmigreerd, samen met de dominee. De dominee heeft ze naar Australië geleid. Ik heb door de jaren heen altijd contact met Saakje gehouden.
Tijdens de onderduik kwam iedere maand iemand met een brief van mijn vader met geld voor de onderduik en wiskundesommen voor mij. Daar was ik in een halve dag doorheen, dat was enig. Mijn vader kon de onderduik betalen, want hij kreeg zijn salaris van de AKU doorbetaald. Geen ander bedrijf heeft zoiets gedaan.’
Evacuatie van Arnhem
Tussen 23 en 25 september 1944 werden tienduizenden inwoners van Arnhem en omgeving door de Duitse Wehrmacht gedwongen te vertrekken. De Duitse bezetter besloot hiertoe om de stad makkelijker te kunnen verdedigen tegen de geallieerde aanval. De evacuatie verliep ongeorganiseerd en moeizaam.
Ik zei toen tegen de mensen waar ik ondergedoken was: “In Amersfoort heb ik een oom, Felix van Spiegel, zitten. Ga maar eens vragen wat hij ervan denkt.” En Saakje Idema ging op de fiets – ze was klein maar stoer – naar mijn oom en tante toe. Mijn oom zei: “Breng haar maar hier. Er kan er nog wel één bij.”

Mijn oom en zijn vrouw hadden drie zonen, Hendrik, Izak Willem en Egbert. Mijn oom Felix die leraar was, werd in 1940 ontslagen. Hij en zijn gezin verhuisden van Koekangerveld naar Meppel en vandaar in 1942 naar Amersfoort om daar leraar aan de Joodse school te worden.
Als gemengd gehuwde moest hij naar een werkkamp in Havelte waar hij na Dolle Dinsdag is weggelopen. Hij werd gearresteerd en opnieuw naar werkkamp Havelte gebracht, maar onderweg is hij weer weggelopen. Via Lemmer is hij naar Amersfoort gegaan. Toen hij thuiskwam waren zijn zonen Willem en Egbert niet thuis, want zij werkten toen zes à zeven weken aan de IJssel-linie. Hij besloot toen om bij zichzelf thuis onder te duiken. Daar hebben ze nooit gezocht.
Tante was zo blij dat er na drie jongens eindelijk een meisje in huis kwam. Ik was veertien jaar toen ik bij hen kwam. Ik herinner me nog dat we een sprei hebben uitgehaald om daar hemdjes van de breien. Mijn oom overleed in 1952 en tante was ook niet zo gezond.
Bij hen heb ik een maand of tien gezeten tot de bevrijding. Het heeft nog wel een maand of wat geduurd voordat er een brief kwam van mijn vader. We wisten helemaal niet of ze nog leefden. We hadden in die tien maanden geen contact gehad.
In die brief stond: “Wij zijn er nog, maar we weten niet waar Toos is.” Mijn oom heeft de volgende dag zijn oudste zoon naar mijn ouders gestuurd met de mededeling: “Ze is hier.” Toen kwam mijn vader op de fiets, ik geloof met een tandem. Ze zaten in Ede bij een verpleegster van de afdeling Ede van de AKU. Mijn vader heeft de hele weg terug gezongen: “Und ich bin heute zo glücklich zo glücklich. We hadden werkelijk geen idee wat er in tussentijd met de ander was gebeurd.’
Na de Tweede Wereldoorlog
‘We hebben nog een maand of twee, drie in Ede gewoond totdat Arnhem weer een beetje bewoonbaar was. We werden ingekwartierd bij kennissen. Daar hebben we vijf maanden gewoond. Mijn vader ging weer aan het werk bij de AKU.
Zoals gezegd, tijdens de onderduik kreeg mijn vader iedere maand zijn salaris van de AKU. Hoe dat precies gegaan is, weet ik niet. Volgens de AKU heeft hij tijdens de oorlog gewoon doorgewerkt; die jaren werden bij zijn dienstjaren gerekend. Dat was buitengewoon.
Ons huis werd ook opgeknapt. Mijn moeder en ik gingen kijken. We liepen in de keuken en ineens zakte ik door de vloer. Er lagen allemaal geweren en mitrailleurs en daar viel ik tussenin.’
Joodse Brigade – Afdeling Kadima van Haboniem
‘Tijdens de oorlog was Arnhem verwoest. De soldaten van de Joodse Brigade hebben geholpen om de brug over de Rijn te herbouwen. In Arnhem was een grote kazerne met zo’n tweehonderd man van de Brigade. Vier van hen wijdden zich aan het opnieuw opzetten van de jeugdclub Kadima. De belangrijkste was Amos de Leeuw, wiens ouders Nederlanders waren.
Op een of andere manier kwam ik als 16-jarige bij de jeugdbeweging Kadima. De bijeenkomsten voor de wat oudere jeugd zoals ik, waren denk ik op motsae Sjabbat (uitgaande Sjabbat) en op zondagochtend leidden we op onze beurt de jongere kinderen. We kwamen bij elkaar in een van de gebouwen van de Joodse gemeente aan de Kippenmarkt. Deze soldaten kwamen bij ons en we leerden van hen allerlei Hebreeuwse liedjes. We kregen van hen ook Hebreeuwse les. Die liedjes die we leerden, moesten we kunnen opschrijven.
Op zondagochtend kwamen we aan de Kippenmarkt bijeen voor de bijeenkomsten met een groepje jongere kinderen. Het waren minder dan tien kinderen. We leerden ze een beetje hora dansen, en liedjes zingen. Dat waren kinderen van een paar jaar jonger dan wij, onder hen waren Arnold Heertje en Dukie Gelber.’
HBS Arnhem

‘Ik was een aantal jaren niet naar school geweest. Mijn vader stuurde vanaf het onderduikadres waar hij met mijn moeder zat elke maand sommen naar mij toe die ik moest oplossen. Na de oorlog ging ik naar de meisjes-hbs in Arnhem. Ik moest een test afleggen. Daarna heb ik twee maanden in de derde klas gezeten. Ik kon toen overgaan op voorwaarde dat ik aan het eind van het schooljaar een examen deed. Dat hoefde uiteindelijk niet. Er zat nog een Joods meisje in de klas, Ina Nathans. We waren allebei heel klein. De andere kinderen waren een kop groter dan wij, al waren wij stukken ouder. Dus moesten wij op de voorste bank zitten. Wij gaven de juiste antwoorden op vragen die de anderen niet wisten. Toen zijn we uit bescheidenheid maar achterin gaan zitten, want het was zo gênant.’
1947: zomerkamp in Voorthuizen
‘In 1947 ging ik naar mijn eerste zomerkamp in Voorthuizen en het jaar daarop was ik zelf leidster in een zomerkamp.
We hadden een grote boerderij gehuurd en we sliepen in het stro. We aten buiten en het werd ’s avonds vaak laat, want dan hadden we nog lange gesprekken. Onze twee sjelichiem waren Ruth en Mattis. Een van de deelnemers was Sieg “Chanoch” Nenner die later burgemeester van Eilat werd.’
Hachsjara
‘Na het behalen van mijn hbs, wilde ik naar de hachsjara. Dat was natuurlijk een beetje tragisch. Mijn moeder was eerst haar moeder kwijtgeraakt en nu raakte ze mij ook kwijt. Dus heb ik gezorgd dat er iemand bij haar in huis kwam. Dat was Ruchama Ashkenazi. Ze was beeldhouwster. Ruchama was voor haar gezondheid in Zwitserland geweest. Haar geliefde zat daar nog en die schreef haar elke dag kaarten. Ze zat op de bank een boodschap terug te schrijven en dan sloeg ze haar kroontjespen af op het mooie tapijt van mijn moeder, zodat de inkt in het rond vloog.’
Hachsjara in Apeldoorn, daarna Deventer, ’s-Graveland, Gouda
‘In het najaar van 1948 ging ik naar de niet-religieuze hachsjara, eerst in Apeldoorn en daarna naar Deventer, ’s-Graveland en Gouda. In Deventer verbleven we maar voor een korte tijd.
Het Apeldoornse Bosch stond na de Alijah van de vijfhonderd Roemeens-Joodse kinderen leeg en werd gebruikt voor de hachsjara. Een van onze leidsters op de hachsjara in Apeldoorn was mevrouw Van Straaten. Haar baby was ook onze baby.
Op de hachsjara werd je zogenaamd opgeleid voor Israël. Ze zetten je echter in de keuken en gaven je een hele berg wortels en aardappels. Daarna zeiden ze: “Maak daar maar wat van.” Ik had verwacht dat ze zouden zeggen: “Hier heb je een recept.” Het was geen echte opleiding. Wel werd er veel Ivriet geleerd.
We namen eens deel aan een seminar in Leiden. Daar luisterden we voortdurend naar lezingen van sprekers, en maakten we steeds aantekeningen.
In ’s-Graveland was de groep groot. Daar werd besproken dat chaloetsiem een rol zouden krijgen in de leiding van Haboniem. Tamar, Jisrael en ik reisden naar Engeland om de zogenoemde “modelbeweging” te leren kennen.

We namen deel aan verschillende activiteiten, onder meer de organisatie van een zomerkamp. In Engeland was geen sprake geweest van een Duitse bezetting, waardoor de gemeenschap daar niet was gedecimeerd. Ze beschikten over middelen, terwijl wij nauwelijks geld hadden en slechts met een kleine Nederlandse groep waren. Wij liepen er wat zelfverzekerd rond – “wij weten het toch beter” – maar zij hadden eigenlijk dezelfde houding.
De sjaliach Nissan Nativ, die later in Israël een bekend acteur en filmregisseur werd, bracht ons naar Engeland. Ik had al Engels van mijn vader geleerd.
Eenmaal terug in Nederland gingen we de beweging in Amsterdam leiden, waardoor we voor onze hachsjara feitelijk extern werden. We kwamen er alleen nog om te slapen. Onze groep splitste zich af naar Gouda. In het begin kwam ik over het weekend weer thuis, maar door de week was ik daar.’
1949: zomerkamp Ommen 1949
‘In het zomerkamp in Ommen lieten wij de tent inzakken van een van de hoofdleidsters die een langslaapster was, dat was Elma van Adelsbergen (later Stibbe). Op de foto die ik hier heb heb ik het woord “luilak” er bij geschreven.’
Werken voor Haboniem
‘Vanuit de hachsjara ging ik de verschillende afdelingen van Haboniem bezoeken. Op uitgaande Sjabbat of op zondag gingen we naar een afdeling om die te leiden. Soms deden we er wel drie op één dag.
We zaten stikvol werk, en wat hebben we gerend. Die weekenden waren nauwelijks vol te houden. We vlogen van de ene trein in de andere. Met de fiets mee in de trein reisden we het hele land door. Ik heb het zelfs tot Texel geschopt.
Soms haalden we het maar net en sprongen we in de trein terwijl die al begon te rijden. Dat heb ik mijn moeder maar nooit verteld.’

Afdelingswerk
‘Als leidster moesten we de kinderen nieuwe liedjes leren, en je probeerde ze de geschiedenis van Israël bij te brengen. Ik geloof dat we er zelf ook niet zo verschrikkelijk veel van afwisten. We deden aan zionoet en we probeerden de kinderen op Alijah te sturen. Wij waren het voorbeeld, want wij zouden ook op Alijah gaan. Dat stond als een paal boven water.
Levi de Lange was onze baas voor een bepaalde tijd, en we hadden ook Barend (Bart) van der Hoeden. Hij heeft later zijn naam in Baruch Hod veranderd. Op hem was ik verliefd.’
Kantoor Haboniem
‘Een deel van de week was ik op de mizrad (kantoor) van Haboniem aan de Johannes Vermeerstraat in Amsterdam, maar niet zo lang. Ik was daar secretaresse.
Ik schreef op de mizrad allerlei brieven. Ik kreeg daar zoveel antwoorden op: “O, wat een een leuke brieven schrijf je.” Die brieven ging over de bezigheden van Haboniem. “We komen dit weekend bij jullie en we zullen die en die meebrengen voor een referaat.”
We waren inmiddels klaar met onze hachsjara-opleiding. We kwamen er alleen nog ’s nachts slapen.’

1950: Alijah


‘Onder leiding van de sjelichiem David Ehrenfeld en Stelly Ricardo, voormalig leidster in de Berg-Stichting, gingen wij vanuit Gouda in augustus 1950 op Alijah. Mijn ouders hebben ons uitgewuifd. Ik heb me afgewend zodat ze niet zouden zien hoe ik stond te huilen. Mijn nichtje uit Israël was in die tijd net op bezoek in Holland. Met de Negba voeren we naar Haifa.
Toen onze groep in Haifa aankwam, gingen we aan wal de hora dansen. Een einzel (iemand die alleen op Alijah was gekomen), Maupie Bremer, heeft zich aan boord van de Negba bij ons gevoegd en is bij ons gebleven. Hij is met ons meegegaan, eerst naar kibboets Gal’ed en daarna naar kibboets Beit HaEmek. Hij was bankwerker en is later naar Ashdod verhuisd. Daar heeft hij meegeholpen een groot gedeelte van Ashdod op te bouwen.

In januari 1951 voegden we ons bij kibboets Beit HaEmek. Ik heb een of twee dagen op het veld gewerkt, maar daar kreeg ik zo’n verschrikkelijke zonnesteek dat ik maar ander werk heb aangevraagd. Daarna ben ik hoofd van de linnenkamer geworden. In deze kibboets ben ik met Eliezer, een Hongaarse man, getrouwd en we hebben twee zoons gekregen, Itamar en Amir. Mijn man werkte vanuit de kibboets in Naharia. Hij was hoofd van de transport coöperatief.



Mijn man was projectleider. Vanwege zijn werk hebben we in de jaren 1965-1967 in Ghana gewoond en 1967-1970 in Zambia.
Ik heb ongeveer vijftien jaar als editor gewerkt op de Social Sciences Faculteit van de Universiteit Tel Aviv. Ik heb ook daarna als vrijwilligster veel geredigeerd.
Voordat mijn ouders op Alijah zijn gekomen, hebben ze mij en mijn gezin vaak bezocht. Ze waren allebei eenentachtig toen ze op Alijah gingen. Dat was op de dag dat Beth Juliana open ging in 1979. Ze waren een van de eerste bewoners. Mijn vader stierf in 1984 en mijn moeder is acht à negen maanden later, in 1985, overleden.’
Nehije koelanoe chaloetsiem
‘In 2010 verscheen het boek Nehije koelanoe chaloetsiem. Haboniem 60 jaar (Ichoed Haboniem-Dror BeHolland, 2010, onder redactie van Joël Serphos). Ik heb daaraan een bijdrage geleverd:
Ik wilde natuurlijk weg! De hele jeugd wilde weg: het was een vlucht. Het was een ‘verplichte vlucht’; je kon jezelf niet meer aanpassen en trouwen in Nederland, je wilde weg. (…) Ik wilde eigenlijk meteen na de oorlog al weg, maar mijn vader heeft gezegd: ‘Jij gaat eerst een eindexamen halen.’ (…) Zoals ik het zie, was het doodgewoon een lijfelijke vlucht. Mijn kinderen willen graag geloven dat het een zionistisch ideaal was, maar ik zie het veel rauwer.
Gila Ban is in 2019 overleden.