veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Leentje Drukker-Tikotin

Leentje Drukker-Tikotin

‘Mijn beide ouders kwamen uit Duitsland en hebben elkaar in Nederland ontmoet. Mijn vader, Felix Tikotin, was kunsthandelaar in Japanse kunst. In 1935 kwam mijn moeder, Eva Dorothea Licht, als vluchtelinge uit Berlijn naar Amsterdam. Ze kreeg daar een baan als secretaresse/assistente van mijn vader. In 1936 vroeg hij haar mee op zakenreis naar de Verenigde Staten en Japan. Tijdens de overtocht naar Amerika heeft hij haar ten huwelijk gevraagd.

Toen het schip ’s ochtends aankwam, stond er een vriend klaar die meteen regelde dat ze diezelfde dag in New York konden trouwen. In Amerika reisden ze rond om klanten, musea en bekenden te bezoeken, en zij besloten dat Seattle de ideale plaats zou zijn om zich na Japan te vestigen.

Felix en Eva Tikotin nemen afscheid van twee Japanse vrienden na een reis om kunstwerken aan te kopen, Japan, 1937. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin
Felix en Eva Tikotin nemen afscheid van twee Japanse vrienden na een reis om kunstwerken aan te kopen, Japan, 1937. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin

Vanuit San Francisco voeren ze door naar Japan, waar mijn vader al veel zakenrelaties had. Hij deed daar zaken, kocht en verkocht kunst, en liet kunstwerken naar Amerika verschepen. Het schip met die lading werd later getorpedeerd en ging verloren, maar gelukkig waren zij niet aan boord.

Leentje helpt oma MIna met bakken. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin
Leentje helpt oma Minna met beslag roeren, 21 april 1941. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin

Na hun terugkeer in de Verenigde Staten hoorden ze dat mijn grootmoeder Minna erin geslaagd was te ontsnappen naar Nederland en hulp nodig had. Daarom keerden zij eind 1937 terug naar Nederland. Als ik vertel dat mijn ouders in die tijd van Amerika naar Europa teruggingen, kan niemand dat geloven. Ze hadden het immers in Duitsland al zien gebeuren en waren al eens gevlucht. Maar vanwege mijn grootmoeder besloten ze toch terug te keren.

Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin
Felix Tikotin duwt zijn dochter Leentje in een kinderwagen door een straat in Den Haag, kort vóór of kort na de Duitse inval in Nederland. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin

Ze gingen wonen in een groot huis aan het Nassauplein in Den Haag. Beneden begon mijn vader een galerie. Het huis werd een doorgangshuis voor vrienden en familie uit Duitsland, en mijn vader hielp hen aan visa voor Engeland en de Verenigde Staten.

Advertentie in De Groene Amsterdammer, 29 april 1939
Advertentie in De Groene Amsterdammer, 29 april 1939

In 1938 ben ik geboren, in een ziekenhuis. Dat was toen in Nederland heel ongebruikelijk, want bijna iedere vrouw beviel thuis. Maar mijn moeder was een vreemdelinge; ze had dezelfde gynaecoloog als prinses Juliana. Hij zei tegen haar: “Als de prinses aan de beurt is, heb ik geen tijd voor jou.”
Prinses Beatrix werd op 31 januari 1938 geboren, en ik, Ilana (“Leentje”), op 5 maart. Veertien maanden later werd mijn zusje Hanneke geboren.’1

 

Evacuatie en onderduik

 

Johanna en Leentje (rechts) Tikotin poseren op houten klompen op de traptreden van een gebouw, Alphen aan de Rijn, 1941. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin
Johanna en Leentje (rechts) Tikotin poseren op houten klompen op de traptreden van een gebouw, Alphen aan de Rijn, 1941. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin

‘In september 1940 moesten wij binnen 48 uur evacueren vanuit de kuststreek. Mijn vader moest een woning zien te vinden maar hij had helemaal geen Hollandse contacten. Al hun vrienden waren Duitsers die gevlucht waren. Ze kenden ook de ouders van Anne Frank.

Mijn vader vond een winkel in Alphen aan de Rijn. Mijn zusje en ik sliepen in de etalage en ik denk dat mijn ouders in de winkel sliepen (die ook als huiskamer dienst deed).

Mijn vader moest wat geldzaken regelen en zo leerde hij mijnheer De Graaf, de directeur van de plaatselijk bank, kennen die lid was van het kerkgenootschap De Vergadering der Gelovigen. De Graaf was eigenlijk de enige niet-Jood die hij kende. Mevrouw De Graaf, heette Rebecca van Gelder2 en was oorspronkelijk een Jodin – ze zag er ook heel Joods uit – maar was christen geworden.

Mijnheer De Graaf heeft mijn vader in contact gebracht met die groep die de onderduik heeft geregeld. Maar het was meer om zieltjes te winnen. Wout van Wijngaarden (“Oom Wout”) was het hoofd van die club, daar ten zuiden van Amsterdam: Abcoude, Nieuwkoop.3

Mijn zusje en ik zijn eerst naar een rooms-katholieke familie gebracht. Maar naderhand waren we bij allerlei mensen die verwant waren aan die familie Van Wijngaarden. Zo waren we bij een halfbroer en ook bij een zuster van hem. Mijn zusje en ik waren de gehele tijd samen ondergedoken en dat gaf houvast.’

 

Onderduiknaam

 

‘Mijn onderduiknaam was Leentje Timmerman. Mijn vaders onderduiknaam was Frans Timmerman, dus hij kon gewoon met “F.T.” ondertekenen. Onze valse persoonsbewijzen waren gemaakt door de graficus Willem Sandberg. Na de oorlog werd hij directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Na zijn pensioen werd hij door Teddy Kollek gevraagd om als adviseur voor het Israël Museum op te treden.4

 

Laatste foto voor onderduik

 

‘Mijn moeder, die blond was met blauwe ogen, werkte bij de ondergrondse. Mijn vader was al die tijd ondergedoken bij diverse boeren in de omgeving van Woerden en Amsterdam.

Ik weet absoluut niet meer waar ik en mijn zusje het langst ondergedoken waren. Daarentegen kan ik me bijvoorbeeld wel een plek herinneren waar we maar een halve nacht waren. Die ene nacht was heel bijzonder, maar die andere adressen, of ik er nou twee weken of twee maanden was, geen idee. Mijn moeder wist al die tijd waar wij waren en kwam ook af en toe – zoals ook allerlei koeriersters kwamen – en dan heette ze tante Gré. We wisten niet dat het onze moeder was. Dat moesten we vergeten om haar niet in gevaar te brengen.

Een paar dagen voordat we onderdoken heeft mijn vader van haar, mijn zusje en mij een mooie foto gemaakt die we in de onderduik zouden meenemen om onze moeder niet te vergeten. De dag dat we de onderduik inkwamen hebben ze die foto weggenomen, want dat was natuurlijk gevaarlijk voor mijn moeder. De foto heb ik na de oorlog teruggekregen.’

Zus Hanneke, moeder Eva en Leentje. Deze foto is door vader Felix gemaakt net voordat ze gingen onderduiken in 1942. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin
Zus Hanneke, moeder Eva en Leentje. Deze foto is door vader Felix gemaakt in Alphen aan de Rijn net voordat ze gingen onderduiken in 1942. Beeld: United States Holocaust Memorial Museum / Leentje Drukker-Tikotin

 

Familie Mourits met een ‘o’

 

‘Onze vader bracht ons weg naar ons onderduikadres. Het was een lange weg door de polder. Ik denk dat mijn moeder het niet aankon om ons goedendag te zeggen. Mijn vader zei: “Jullie krijgen een heel fijne zomer in een boerderij met dieren en met allemaal kinderen.” Die familie had toen negen kinderen, later dertien. Ik weet niet of mijn vader toen werkelijk dacht dat de oorlog na de zomer afgelopen zou zijn.

Wij sliepen in de stal, de stal zat tegen de keuken aan. De stal was blinkend schoon en daar sliep nog een familie. Ik weet niet of dat zomergasten waren of onderduikers.

Sinds vijftien jaar heb ik weer contact met de oudste dochter van die familie. Zij heeft ons gezocht. Ik zou haar nooit gevonden hebben, want hun achternaam was Mourits, met een “o”. Ik kon in de oorlog niet schrijven en dus ik had geen idee dat je die naam met een “o” schreef en niet met een “a”. Ik ben bij haar op bezoek geweest en we zijn samen naar de boerderij gegaan. Ze heeft van alles uitgelegd. Zij vertelde: “We hadden zomergasten in die stal” en zij wist ook niet of dat wel of geen onderduikers waren.

Aan het eind van de zomer moesten de koeien terug naar de stal en wij moesten weg. Ik heb mijn gehele leven gedacht dat die koeien belangrijker waren dan wij. Maar dat was niet zo. Duitsers zochten ondergedoken kinderen in die buurt en dat wilden ze niet tegen ons zeggen. Kijk, als er al negen kinderen waren (en naderhand nog vier) dan hadden ze die twee kleine meisjes best ergens neer kunnen leggen. Daarna zijn we van het ene familielid naar het andere familielid van Wout van Wijngaarden getrokken.’

 

Verjaardag

 

‘Ik herinner me nog dat ik zes zou worden. Dat was een van de hoogtepunten van de oorlog. Ik zou jarig zijn en zes worden en dan mag je naar school. Plotseling werd ik vijfenhalf, want ik kon geen zes worden omdat ik helemaal niet naar school mocht.

Deze “vijfenhalfste” verjaardag werd gevierd in een weitje met andere kinderen.

Ik had een nichtje dat ook ondergedoken was en die heeft een spel (lotto) voor me getekend. Ze stuurde een bal gemaakt van een oud laken met kranten binnenin, dus hij kon niet erg stuiten. Ze had er tekeningen met krijt op gemaakt die natuurlijk niet lang hielden. Ik herinner me dat ik in het midden van de kring stond. Ik kreeg iedere keer de bal, want ik was jarig. Het was echt feest.’

 

Naar Westerbork

 

‘Mijn moeder heeft mij een keer van mijn onderduikadres, daar in Noord-Holland, opgehaald en achterop de fiets naar Westerbork gereden, want met een jong kind bij je ben je veilig. Ik was de camouflage. Ik reed met “tante Gré” mee.

In de buurt van Westerbork kreeg ze nog een fiets. Zij kon met twee fietsen rijden en nog met een kind achterop ook. Beide fietsen heeft ze neergezet bij de keuken van Westerbork. Die keuken had een ingang voor de producten. Daar heb ik op de grond gespeeld met het koksmaatje, David heette hij. Ik kan me nog herinneren dat we daar speelden.

Het gezin Breslauer, vlnr Bella, Ursula, Michael, Rudolf en Stefan Breslauer. Beeld: Stichting Herdenking Jodenvervolging Leiden
Het gezin Breslauer, vlnr Bella, Ursula, Michael, Rudolf en Stefan Breslauer. Beeld: Stichting Herdenking Jodenvervolging Leiden

Mijn moeder had een onderduikadres voor Ursula Breslauer, de dochter van Rudolf Breslauer. Dat is de man die al die foto’s en films over Westerbork heeft gemaakt. Hij was een goede vriend van mijn ouders. Zijn vrouw was mijn moeders beste vriendin. En voor hun oudste dochter, die tien jaar ouder was dan ik, had mijn moeder een onderduikadres. Maar Rudolf had de dag tevoren gezegd: “Wat er ook gebeurt, de familie blijft bij elkaar.” Dus zij is niet meegegaan. In plaats daarvan is mijn nichtje meegegaan. Zij was iets ouder dan Ursula. Mijn nichtje was met haar beide ouders in Westerbork. Haar vader was een van de broers van mijn vader. Dit was het nichtje dat mij de cadeaus had gestuurd voor mijn “vijfenhalfste” verjaardag.’

 

Andere onderduikadressen

 

‘Bij de eerste familie waar we ondergedoken zaten, kregen we praktisch elke kinderziekte die bestond. Toen we daar weg moesten hadden we kinkhoest. Als je kinkhoest hebt, moet je hoesten en daarna vaak overgeven. We werden bij een man ondergebracht, die nog bang was voor zijn eigen schaduw. Hij sloot ons op in een kamertje boven en alleen overdag mochten we naar buiten. Hij woonde in Loosdrecht, achter de kerk. We hadden een po om in de plassen maar ook om in te kotsen. Van boven gooiden we die rotzooi uit de po naar buiten. Dan gingen we ’s ochtends kijken hoe die kots eruit zag tegen de muur. Dat was een leuke herinnering.’

 

Clandestina

 

‘Op een dag kwam er een cadeau voor ons uit Westerbork. We hadden een tante in Westerbork die daar in de naaikamer werkte. Zij had een pop voor ons gemaakt van dochtergroen, lelijk pluche. De pop was gemaakt van allemaal restjes stof, het was werkelijk een monster. Toen werd mijn zusje gevraagd: “Hoe wil je de pop noemen?” Mijn zusjes antwoordde: “Clandestina!” Dat is toch geen woord voor een klein kind. Maar dat woord kenden we, omdat de man waar we ondergedoken zaten een zwarthandelaar was. De Duitsers wisten precies wanneer er een koe zwanger was. Maar als het bijvoorbeeld twee kalfjes waren, dat wisten ze dat niet van tevoren, en dan kon een van die kalfjes clandestien geslacht worden. Zo kenden we dat woord.’

 

Na de oorlog

 

‘Na de oorlog waren we een van de weinige gezinnen die het in hun geheel overleefd hebben. In de oorlog moesten we elke avond bidden dat de oorlog gauw afgelopen zou zijn en dat onze ouders terug zouden komen. Ik droomde van boerenouders die Jan en Marie heetten. Na de oorlog bleek dat ik mama en papa moest leren zeggen tegen mensen die Duits met elkaar spraken. Ik wist niet wat Joden waren, maar wel degelijk wat Duitsers waren. Ik wilde die ouders niet. Ik geneerde me later ook om vriendinnetjes mee naar huis te brengen vanwege het accent van mijn vader. Maar hij was buitengewoon lief voor ons. Dat moest hij ook wel, want onze moeder was nauwelijks thuis.’

 

Nieuwkoop

 

‘Na de oorlog waren wij een soort opvangcentrum voor kneusjes. We woonden in een van de huizen van de mensen die behoorden tot De Vergadering der Gelovigen. We zijn daar tot december 1945 gebleven.

De eerste die kwam was Ursula, de dochter van Breslauer. Haar ouders en broertjes waren omgekomen. Zij zocht ons, want mijn moeder was de beste vriendin van haar moeder geweest. Mijn nichtje dat ondergedoken was geweest kwam ook bij ons.

Hanneke en ik moesten iedere dag naar de gaarkeuken lopen met een emmer tussen ons in. We kregen dan soep met iets hartigs of pap met klonten. Dat laatste vonden we veel lekkerder. Voor elke persoon die in huis was, kreeg je een pollepel vol. Het eten werd verdeeld op het plein in het dorp. Daar hingen ook de Rode Kruis-lijsten. Ons nichtje liep dan met ons mee om te zien of haar ouders misschien op de lijst stonden.

Op een dag kwam iemand van het Rode Kruis met een boodschap dat haar ouders niet meer leefden, en een koffertje. Daarin zat een rok van haar moeder en de beide trouwringen van haar ouders. Mijn nicht ging naar boven met dat koffertje, waarschijnlijk huilend, dat weet ik niet meer. Ze kwam terug met die mooie rok aan. Ze zei: “Ik ga weg.” Mijn vader vroeg: “Wat ga je doen?” Ze antwoordde: “Ik ga dansen, dat is wat mijn moeder had gewild.” Dat is de enige keer dat ik mijn vader kwaad heb gezien. Zij had gelijk, en mijn vader die woedend was, had ook gelijk.

Als ik eraan terugdenk, komen er nog steeds tranen in mijn ogen. Vooral om de kwaadheid van mijn vader, want hij had net gehoord dat zijn lievelingsbroer niet meer leefde. En zij ging dansen. Natuurlijk had haar moeder gewild dat ze dat zou doen, want zij was ondergedoken en opgesloten geweest.

Ik kende al mijn omgekomen familieleden niet, ik had geen idee, want ik was twee toen de oorlog uitbrak. En na de oorlog werd niet over hen gepraat. Dat was taboe. Over alles van voor de oorlog hoefden wij niets te weten. Wij hadden in de oorlog ook niets meegemaakt, dus daar werd ook niet over gepraat.

De laatste twee die bij ons kwamen, waren een moeder met haar zoontje. Ze kwamen uit Bergen-Belsen en hadden onderweg vlektyfus gehad. Ze waren kaal en vreselijk mager. Ze hadden steenpuisten op hun hele lichaam. Hij was ongeveer even oud als ik en mijn zus, maar nauwelijks de helft van ons postuur. De vader was na de bevrijding, in Tröbitz, overleden. In de eerste week dat ze bij ons waren is dat jongetje verdronken in de sloot naast ons huis en toen is mijn moeder in elkaar gestort.

Mijn moeder, die de gehele oorlog een heldin was, had geleefd met het idee: na de oorlog wordt alles goed. Maar het werd elke keer alleen maar slechter. Al die nebbisje mensen die kwamen, alle familieleden en vrienden die vermoord waren en toen dat jongetje. Ze kon het niet meer aan. Daarbij kwam dat haar dochtertjes haar niet wilden. Ze was niet meer gewend aan kinderen, ze had drie jaar geen kinderen gehad. Toen heeft men tegen mijn vader gezegd dat ze uit haar depressie zou komen als ze zwanger zou worden. Dat is ook gebeurd, en plotseling was ze beter.’

 

Terug naar Den Haag

 

‘We zijn niet teruggegaan naar het pand op het Nassauplein waar we voor de oorlog gewoond hadden. Op die plek is later het gemeentehuis gekomen. We kregen een ander huis toegewezen.

In begin 1946, toen mijn moeder in de achtste maand was, is ze naar Engeland gegaan met een hele grote jas om haar buik te verbergen. Want als ze bij de grens hadden gezien dat ze in de achtste maand was, hadden ze haar niet toegelaten. Het kind had daar geboren kunnen worden en had dan de Engelse nationaliteit gekregen.

Mijn moeder ging naar Engeland om haar enige broer te zien. Die had ondertussen een zoontje, en had in Londen de oorlog doorgemaakt. Ze heeft haar broer gezien en is vrij snel teruggekomen.

Na de geboorte van mijn jongste zusje Cecilia kreeg mijn moeder een postnatale depressie en toen waren we nog verder van huis. Elke keer ging ze in en uit het ziekenhuis. Er kwamen dan allerlei huishoudsters en tantes helpen. Ik paste op mijn kleine babyzusje, zij was mijn pop.

Toen mijn moeder niet goed was, is Rebecca de Graaf-van Gelder naar ons toe gekomen en heeft geprobeerd dat ik en mijn zusje terug zouden gaan naar de onderduikouders. Toen zei mijn vader: “Je mag nooit meer met die dame praten.”’

 

Naar de lagere school

 

‘Tijdens de oorlog kon ik het heel goed vinden met mijn zusje Hanneke, iedereen zei hoe lief we waren. Maar dat kwam ook doordat mijn vader, toen hij ons had weggebracht, tegen mij zei: “Je moet lief zijn en zorgen dat Hanneke zich goed gedraagt (want zij was de stoute). Want anders…” Hij maakte de zin niet af. Dat “want anders” voelde voor mij nog angstaanjagender dan het idee om door je ouders in de steek gelaten te worden.

Na de oorlog werd ik bijgewerkt voor de tweede klas. Dat was niet zo moeilijk. Mijn zusje zat er bij en die ving dat allemaal op. Dus kwam ze bij mij in de klas. We gingen naar de Haagsche Schoolvereniging. Dat was een heel deftige school. De gehele schooltijd, twaalf jaar lang, zaten we samen in dezelfde klas. En dat was moeilijk want dat kleine zusje, dat kleine kind, speelde met mijn vriendinnen! Dat was vreselijk. En het idee: stel je voor dat zij overgaat en ik blijf zitten. Dat ze toen niet bedacht hebben om ons in parallelklassen te zetten.

We hadden samen maar één stel boeken, en we smeten de woordenboeken naar elkaars hoofd. Ik had vreselijke ruzie met mijn zusje tot aan het eind van de schooltijd. Toen ging ik naar Israël en zij bleef in Holland. Sindsdien waren we de beste vriendinnen. Ze was de beste tante voor mijn kinderen die ik mij had kunnen wensen. Als mijn kinderen naar Holland kwamen, had ze fietsen klaar staan en alles georganiseerd.’

 

Joodse les

 

‘Een buurmeisje in Den Haag vroeg mij of ik een Jodenmeisje was, waarop ik antwoordde: “Wat is dat?” Toen vonden mijn ouders dat ik op zondagochtend naar Joodse les moest in de Molstraat. Na de eerste keer kwam ik huilend thuis en zei dat ik er nooit meer heen wilde en ook niet Joods wilde zijn. De leraar, die kinderen in de kampen gewend was, waar wel degelijk een Joods leven was geweest en nog nooit ondergedoken kinderen had meegemaakt, maakte me een beetje belachelijk, omdat ik niet wist wat een challekleedje of een mezoeze was. Op school was ik niet zo stom. Ik was niet gewend niks te weten.’

 

Hoe de kunstwerken het overleefden

 

AFelix Tikotin met Nathan Israel (links) and William Cohn (rechts)voor de galerie Tikotin op de Kurfürstendamm 14-15 in Berlin. Beeld: Estate Tikotin
Felix Tikotin met Nathan Israel (links) and William Cohn (rechts) voor galerie Tikotin op de Kurfürstendamm 14-15 in Berlijn. Beeld: Estate Tikotin

‘In 1927 had mijn vader een galerie in Berlijn geopend op de Kurfürstendamm (naast de nachtclub van Marlene Dietrich) met Japanse kunst. Hij was vrij bekend als Japanse kunsthandelaar. Er was een wethouder voor kunst in Berlijn, een echte nazi, maar ook een goede kunstkenner. Eind 1932 zag hij “Tikoton Japanese Art” en hij dacht dat mijn vader een Japanner was. Tykocin is een plaatsje in Polen. Toen Napoleon zich uit Rusland terugtrok is de familie van mijn vader meegekomen tot Duitsland en toen de mensen achternamen moesten aannemen, kozen velen een naam die verwees naar de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen.

Denemarken had aan Berlijn een hele mooie tentoonstelling uitgeleend van Deense kunst of design, dat weet ik niet precies, en Berlijn moest iets terugdoen. Toen vroeg die wethouder aan mijn vader of hij misschien de pronkstukken wilde uitlenen. Mijn vader was reuze vereerd dat die nazi dat aan hem vroeg. Zo zijn de beste voorwerpen uit zijn galerie naar de tentoonstelling in Denemarken gegaan. De tentoonstelling was in het paleis van de koning in Kopenhagen. De catalogus daarvan hebben we nog en ligt nu in het museum in Haifa.

Tikotin Gallery, Kurfürstendamm 14-15, Berlijn, circa 1928. Beeld: Tikotin Museum of Japanese Art / Leentje Drukker-Tikotin
Galerie Tikotin, Kurfürstendamm 14-15, Berlijn, circa 1928. Beeld: Tikotin Museum of Japanese Art / Leentje Drukker-Tikotin

Na een paar maanden was de tentoonstelling afgelopen. Intussen was Hitler aan de macht gekomen. Mijn vader nam de nachttrein van Berlijn naar Kopenhagen om te gaan kijken hoe ze het inpakten en hoe het teruggestuurd zou worden. In die nacht is de Reichstag verbrand, maar er was geen radio dus mijn vader had geen idee. Hij kwam de volgende ochtend naar het paleis en daar hoorde hij van een bevriende Deense bankier dat de boel ingepakt was en dat er orders gegeven waren dat het naar Nederland gestuurd zou worden. Want hun bank had grote kluizen in Nederland en in Kopenhagen was er geen plaats voor. Terug naar Duitsland was inmiddels geen optie meer.

Zo zijn de voorwerpen naar Nederland gekomen. Later zijn die in de kelders van het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam opgeslagen. Ik weet niet of de toenmalige directeur een NSB’er was, wel dat hij nauw samenwerkte met de nazi’s, maar dat heeft hij toch voor mijn vader gedaan.
Dus mijn vader heeft nooit een kwaad woord over hem gesproken.

De zaak was aan huis. Als er dan mensen kwamen om naar kunst te kijken bleven ze ook eten. Hij liet hen nog meer dingen zien en vertelde daarover tot midden in de nacht. Hij heeft ook mensen opgeleid en leren verzamelen, dat vond hij belangrijk. Toen ik zeventien jaar was wilde mijn vader mij voor zeven jaar naar Japan sturen om de taal te leren en verstand te krijgen van Japanse kunst. Hij wilde dat ik zijn zaak zou overnemen.

elix Tikotin in Japan, circa 1965. Beeld: Tikotin Museum of Japanese Art / Leentje Drukker-Tikotin
Felix Tikotin in Japan, circa 1965. Beeld: Tikotin Museum of Japanese Art / Leentje Drukker-Tikotin

Hij was handelaar in de kunst, maar hij had ook zijn collectie, dat waren de dingen die hij niet verkocht. Deze collectie was zijn baby. Mijn vader die eigenlijk architect was, had van zijn hobby zijn beroep gemaakt en daardoor was hij dag en nacht met zijn werk bezig. Wij zeiden altijd: “Wij zijn de stiefkinderen en de kunst is zijn echte baby.” Als reactie daarop waren wij volkomen anti. Een beetje zoals onze kinderen, die geen van allen arts zijn geworden, omdat ze gezien hadden dat hun vader nooit thuis was. Bovendien moest ik naar Israël, want Israël kon niet zonder mij.’

 

Het Haags gymnasium

 

‘Na de lagere school gingen wij naar het Gymnasium Haganum in Den Haag. Naar mijn idee was dat een vreselijke school. De leraar Latijn sprak alleen maar Latijn in de klas en ik had geen idee wat hij zei. Op een gegeven ogenblik zei hij: “Kunnen ze je thuis niet helpen met Latijn of zijn ze niet zo beschaafd?” Mijn moeder, die op de tolkenschool in Berlijn had gezeten, kende inderdaad geen Latijn, dus die was niet beschaafd, alleen mijn vader.

De leerlingen van de zesde klas moesten we “mijnheer” en “mevrouw” noemen. De jongens kwamen met een wandelstok naar school. Dat was toch gewoon belachelijk?! Er was een jongen van Haboniem, de broer van mijn madriecha daar, die Joost heette. Hij zat bij mij op school in de zesde klas. Die kon ik toch niet “mijnheer” gaan noemen, want hij was gewoon Joost. Dus ik liep hem op school uit de weg.’

 

Wassenaar

 

Cecilia, Leentje, Eva, Felix en Hanneke in de tuin in Wassenaar, circa 1956. Beeld: Tikotin Museum of Japanese Art / Leentje Drukker-Tikotin
Cecilia, Leentje, Eva, Felix en Hanneke in de tuin in Wassenaar, circa 1956. Beeld: Tikotin Museum of Japanese Art / Leentje Drukker-Tikotin

‘In 1950 zijn we verhuisd naar Wassenaar. Mijn zusje en ik gingen na de verhuizing naar het Rijnlands Lyceum. Dat was een heel prettige school. We moesten – weer of geen weer – 12 kilometer fietsen naar Den Haag. Ik had een mooie fiets uit Engeland, maar mijn zus had een rotfiets. Elke dag lag de ketting eraf, dus we kwamen elke dag te laat op school.

We zaten allebei in een alfa-eindexamen klas. Wij waren het eerste jaar dat die school na het eindexamen een reis naar Rome organiseerde. Dat was toen iets unieks, twee dagen in de trein en vijf dagen in Rome. Maar ik ging niet mee, want Israël kon niet nog eens vijf dagen op mij wachten. Nu denk ik: belachelijk. In plaats van naar Rome brachten mijn ouders me naar de boot in Marseille.

Vele jaren later bezochten wij met vrienden Rome. Het oorspronkelijke reisplan wist ik nog, want daar hadden we ons toen het hele jaar op voorbereid.’

 

Jeugdbeweging Aliya-A

 

Jeugdgroep Aliya-A. Links: Carla. Rechts: Ernie Bartfeld en Hennie Anholt. Beeld: USHMM
Jeugdgroep Aliya-A. Geheel links: Carla Heijmans. Rechts: Ernie Bartfeld en Hennie Anholt. Beeld: USHMM

‘Ik ontvluchtte de narigheid thuis door naar de jeugdbeweging te gaan. Ook Hanneke ging naar de jeugdbeweging. Onze eerste madriechot waren Ernie Bartfeld en Carla Heijmans. Door Ernie, door Haboniem, ben ik toch Joods gebleven.

Een groot deel van onze madriechiem waren op hachsjara in ’s-Graveland. Het was logisch dat wij hen, zodra het kon, naar Israël en uiteraard naar de kibboets zouden volgen.

Een paar jaar geleden ontmoette ik Carla die nu in New York woont. Ze schreef me later: “Ik herinner me meer over de tijd na de oorlog dan jij, omdat ik ouder ben. Het was na de oorlog een vreemde tijd omdat we niet praten konden over wat ons overkomen was gedurende de Holocaust. In die dagen praatten we niet, maar we fluisterden over onze problemen en ons lot. En ik keek naar jullie allemaal, die maar een paar jaar jonger waren dan Ernie en ik, en voelde – en dat herinner ik me – zo’n verdriet. Maar we konden en wilden deze problemen niet oplossen.”

Carla vertrok naar Amerika om te trouwen en ik herinner me dat als een groot verlies. Ernies broer Walter was onze volgende madriech. Hij leidde Alijah samen met Eefje van Gelder. Walter werd Ze’ev (Zabbeltje) en Eefje werd Chava. Zij waren mijn helden en een lichtend voorbeeld. Thuis was het niet prettig en Alijah werd mijn echte thuis.

We zijn met het groepje vanuit Den Haag naar Amsterdam gegaan om op de Dam te dansen ter gelegenheid van Israëls onafhankelijkheid. Ciska Melkman was een van mijn eerste madriechot in de kampen. Die zie ik nog af en toe en draag haar nog steeds op handen.’

 

Zomerkampen

 

‘Ik denk dat ik in 1947 al naar mijn eerste zomerkamp ging. Als we onderweg naar een zomerkamp op het station aan het wachten waren als we moesten overstappen tayishten (een soort Israëlische dans) we of we dansten de hora. Op de ruit van de wagon stond dat hij gereserveerd was voor de JJF. Niemand geneerde zich Jood te zijn.

In de zomerkampen was er een tent met kinderen die bij hun familie woonden en een tent met kinderen uit de Berg-Stichting. Die kinderen plasten in het stro. Dat stonk en daar wilden wij niet bij.

In een zomerkamp ben ik bevriend geraakt met een meisje uit Arnhem, Aleid Benninga. We ontmoetten elkaar alleen tijdens de kampen. Wij waren vriendinnen, alleen omdat wij beide ouders hadden. Pas vijftig jaar later realiseerden we ons dat. Dat feit schepte blijkbaar een saamhorigheid. Zij vertrok naar Amerika met haar familie. Later kwam ik haar plotseling tegen op de universiteit in Jeruzalem. We studeerden beiden Engels en sindsdien zijn we nog steeds de beste vriendinnen. We zien elkaar minstens twee keer per week; een band van meer dan zeventig jaar.

Aleid Benninga met haar ouders Noach Benninga en Helena Frank en haar broers Simon, Jacques en David, 1953.
Aleid Benninga (links) met haar ouders Noach Benninga en Helena Frank en haar broers Simon, Jacques en David, 1953. Beeld: Groninger Archieven, fotograaf onbekend

De zomerkampen van Haboniem in Nederland waren vaak omstreeks Tisja Beav (de vastendag ter herinnering aan de verwoesting van de tempel in Jeruzalem) in de bossen rond Ommen. Ik herinner me een kamp waar we hard gewerkt hadden om van karton, houtjes en papier een vesting te bouwen die Jeruzalem moest voorstellen. Het was een project van alle deelnemers.

We waren erg trots op het resultaat. We hoopten en dachten dat het misschien in zijn geheel overgebracht kon worden naar Amsterdam, als pronkstuk om te laten zien wat we geconstrueerd hadden. Maar toen we wakker werden op de ochtend van Tisja Beav was het die nacht vernield door de madriechiem. Ze wilden ons laten zien hoe traumatisch de verwoesting van Jeruzalem geweest moest zijn. Ik herinner me niet dat we gevast hebben – misschien hoogstens het ontbijt overgeslagen – noch dat er een sjoeldienst was. De enorme teleurstelling van ons verwoeste kunstwerk is me tot de dag van vandaag bijgebleven.

De winterkampen waren alleen maar in jeugdherbergen, en die waren ook maar drie dagen. Ik kan me herinneren dat ik vooral veel heb gedanst. Tot mijn Alijah heb ik nooit een zomer- of winterkamp gemist. Die kampen waren voor mij de hoogtepunten van het jaar.’

 

Sjelichiem

 

‘De sjelichiem waren voor ons bijna godheden. De allereerste was geloof ik Bie Slijper, Yitzhak Shelach, uit kibboets Choeljoth (dat later Sde Nehemia werd genoemd). Toen waren Bne Akiwa en Haboniem nog niet gescheiden. In 1951 was de splitsing. Miriam Andriesse5 werd naar Engeland gestuurd waar Haboniem al sinds 1929 bestond en leerde hoe de beweging in elkaar zat. Sindsdien waren we deel van Ichoed Haboniem, de internationale Haboeniem, maar de relatie met Bne Akiwa bleef prima.’

 

Landdag

 

‘Met ons groepje van Alijah zijn we een keer naar de Landdag van de Joodse Jeugdfederatie geweest, waarschijnlijk in 1953, met een Bennie en een Bonnie. Bonnie was tot voor kort (hij is overleden) een goede vriend van ons.

Pagina uit Zomerkampen, juni 1953, een gecombineerde uitgave van Misjmar Haboneh en Tikwat Jisraeel

De mazkier (secretaris) van Haboniem (het “Hoofd” en voor mij een soort goeroe) was Jaap van Amerongen (later in Israël: Ya’akov Arnon). Hij sprak op die Landdag en zei dat de enige weg voor ons allen naar Israël leidde, want dat er nergens elders ter wereld voor ons een plaats of een toekomst was. Dat heeft toen een enorme indruk op mij gemaakt. Hij was een vurig spreker en bijzonder charismatisch. Of misschien is dit allemaal geïdealiseerd in mijn herinnering. Maar het is wel een van mijn eerste en sterkste herinneringen aan de jeugdbeweging.’

 

Madriecha worden

 

‘Haboniem heeft me hoogstwaarschijnlijk psychisch gered. Ik heb er zelfvertrouwen door gekregen, omdat ik madriecha werd. Niet alleen van de jongeren in Den Haag maar ik reisde ook naar Rotterdam en uiteraard was ik madriecha in de kampen.

Ik besteedde meer tijd aan het leren over de geschiedenis van het zionisme dan aan de vakken voor school. Uiteraard kostte het voorbereiden van de bijeenkomsten veel tijd. Alles was beter dan thuis zijn of op school. Het is een wonder dat ik desondanks ieder jaar nog net overging.’

 

Hebreeuwse les

 

‘Ik heb Hebreeuws geleerd bij een Poolse dame die vroeger vroom was, mevrouw Tirtza Rabinkoff. Haar man was rabbijn geweest in Polen. Zij was van het geloof af, waarschijnlijk door de oorlog. Zij gaf ook les aan de studenten in Delft. Die kwamen naar Den Haag voor Ivrietles, en ze hadden les na ons. Ze zei dan: “We moeten opschieten, dadelijk komen sjtoedenten.” Deze mevrouw kwam zelfs een keer bij ons om een seder te leiden, want zij wist precies hoe dat moest. Mijn ouders konden dus ook van haar leren.

We hadden zelfs twee seders, één bij ons en één bij vrienden. We vierden Chanoeka en op Rosj Hasjana en Jom Kipoer gingen we niet naar school. Op die Joodse feestdagen wandelden we van Wassenaar naar de sjoel in het centrum van Den Haag. Het was altijd prachtig herfstweer. De avond van tevoren zette mijn moeder de auto bij de sjoel neer. Dan liepen we terug. Daar deden we de halve nacht over. En de volgende ochtend kwamen we laat in de sjoel aan. We hadden lekker gewandeld en het was mooi herfstweer. Daarna hadden we de auto om naar huis te rijden.’

 

Staatsburgerschap

 

‘Wij waren statenloos. Mijn vader heeft in 1933 Nederlands staatsburgerschap aangevraagd en hij heeft het in 1954 gekregen. Ik herinner me die dag nog. We kregen een groot boeket met rode, witte en blauwe bloemen. Ik had nog nooit zo een grote bos bloemen gezien. Toen zei mijn moeder: “Dat bos kon er wel af”, want dat was van de advocaat. Die had éénentwintig jaar aan ons verdiend.’

 

Naar het Machon

 

‘Een bekroning op mijn Haboniem-tijd was toen ik na mijn eindexamen gevraagd werd naar het Machon te gaan. De mazkier van Haboniem in die tijd was Amos Arad (voordien Peter Rothgiesser). Hij was ook onze madriech en was ook op het Machon geweest. Later heeft Peter me gezegd dat hij mijn ouders wel een beetje moest overtuigen om me te laten gaan. De dag na mijn eindexamen ben ik weggegaan. Dat was in 1956.

De Machonkaart van Leentje. Beeld: Leentje Drukker-Tikotin
De Machonkaart van Leentje, 1957. Beeld: Leentje Drukker-Tikotin

Het Machon werd opgericht in 1948 door Abe Harman. Wie er geweest is, weet wat een fantastisch programma het was. Nu zou je het misschien brainwash noemen, maar het heeft de liefde tot Israël bij ons allemaal versterkt. Wij hebben sinds ongeveer vijftien jaar af en toe bijeenkomsten met de mensen van ons machzor (lichting) en dan is het net of we weer achttien zijn. De meesten wonen niet meer in een kibboets, maar de liefde voor het land is niet geblust. Die vlam is aangestoken door Ernie en Carla in 1946 bij Alijah in Den Haag.

Nadat ik een paar maanden op het Machon was, brak de Sinai Campaign uit. Ik was op het Machon en kreeg een telegram: “Please come home.” Ik kon niet weg, de haven was dicht. Maar dat was niet de reden. De reden was dat Israël niet zonder mij kon. Ik liep door de stad met een vriendin met een emmer met blauwe verf om de koplampen van de auto’s blauw te verven want er was verduistering ’s nachts. Gelukkig waren er nog niet zoveel auto’s als nu.

Ik kreeg dus dat telegram van “Please come home” en ik kwam niet natuurlijk. Er was ook geen telefoon. Mijn vader “didn‘t take no for an answer” en kwam met het eerste vliegtuig dat landde. Nou, ten eerste vloog niemand in die tijd en ten tweede, als een vliegtuig kan landen, dan betekent dat de oorlog afgelopen is. En dat was dus ook zo. Hij kwam me halen toen het niet meer hoefde.

Op het Machon kreeg je een half jaar les over Jodendom en zionisme en we maakten vooral prachtige tochten. Ik heb toen meer van Israël gezien dan naderhand. We hadden bijvoorbeeld een wandeltocht van een week. We liepen van Sodom bij de Dode Zee naar Masada en eindigden in Ein Gedi. Zo hebben we ook een tocht in en rond Eilat gemaakt. Dat was pure propaganda.

Kibboets Sde Nehemia, 1946. Beeld: GPO / Zoltan Kluger
Kibboets Sde Nehemia, 1946. Beeld: GPO / Zoltan Kluger

Daarna woonden we een half jaar in een kibboets, zowel in een oude als in een nieuwe kibboets. De oude kibboets voor ons was Choeljoth (Sde Nehemia). Die was opgericht door Hollanders. Het was de eerste keer dat ze een groep buitenlanders kregen. We hadden precies dezelfde leeftijd als de oudste kinderen in de kibboets. De (van oorsprong Nederlandse) familie Pimentel woonde daar. Hun zoon Mordechai was precies even oud als wij. We hadden daar elk een familie die ons adopteerde. De jonge kibboets voor ons was Nahal Oz. Dat was helemaal nieuw en jong. Dat was een heldenkibboets, want daar waren de Fedayin. Dat was gevaarlijk.

Mijn vader kwam me dus halen. Hij zag Israël voor het eerst. Hij kon Duits praten zonder zich te generen. Dat was zijn taal. Het was een feest voor hem. En zijn lievelingszuster, die hij niet gezien had sinds 1933, heeft hij opgezocht in Haifa. Hij ontmoette niet alleen haar, hij ontmoette vrienden van de universiteit en hij ontmoette vrienden die hij nog kende uit Berlijn. Hij vond het geweldig: “Wat een land. Het land is een wonder.”’

 

Kunstsmokkel

 

‘De meeste kunstvoorwerpen zijn teruggekomen uit de kelder van het museum maar een gedeelte was gestolen. Mijn vader zei: “We hebben het overleefd, we praten er niet over.” Vijf jaar na de oorlog, in 1950, kwam plotseling de politie bij mijn vader aan de deur met foto’s. Hij was immers de deskundige op het gebied van Japanse kunst. Hij zag de ene foto na de andere en hij zei: “Ik herken deze voorwerpen.” Dat waren voorwerpen die hij tien jaar niet gezien had. Het waren items uit zijn collectie die dieven over de grens probeerden te smokkelen. De politie heeft die smokkelaars gevangen en mijn vader heeft zijn spullen teruggekregen.’

 

De Nederlandse Belastingdienst

 

‘Rond 1955 kwam er een nieuwe wet en de Belastingdienst zei: “Je moet belasting betalen over je bezit.” Dat was voor mijn vader een groot probleem. Mijn vader was een goede vriend van Ir. Vincent van Gogh (de zoon van Theo, broer van de schilder Vincent van Gogh). Beiden hadden zij kunstbezit, maar geen geld en wat doe je dan? Mijn vader zei: “Als ik mijn collectie op de veiling gooi, dan is het niet meer de Tikotin-collectie.” Dus hij wilde die collectie niet kwijt. Wat heeft Vincent van Gogh gedaan, hij heeft het aan de staat geschonken en het Van Gogh museum is gebouwd. Mijn vader had geen zin om het aan Holland te geven. Ook vanwege het lange wachten op zijn staatsburgerschap. Toen zei hij: “Ik geef het aan Israël.”’

 

De kunst naar Israël

 

Het Bezalel National Museum in Jeruzalem, 1950. Beeld: GPO / Teddy Brauner
Het Bezalel Museum in Jeruzalem, 1950. Beeld: GPO / Teddy Brauner

‘Ik zei tegen mijn vader: “De verzameling komt naar Jeruzalem”, want daar woonde ik. Ik nam hem mee naar meneer Narkis. Dat was de curator van het Bezalel Museum.6 In de kelder van het gebouw lagen alle schenkingen onder het stof en de spinnenwebben. Narkis zei: “Ik ben reuze geïnteresseerd.” Maar het maakte geen goede indruk.

In Haifa was een stedelijk museum. Dat waren een paar kamers in het gemeentehuis. Degene die het leidde was een studievriend van mijn vader. Hij had een grote collectie posters en slides en hij organiseerde avonden over bijvoorbeeld het impressionisme om het publiek te onderwijzen. Dat maakte wel een goede indruk.

Als Teddy Kollek in Jeruzalem burgemeester was geweest, was het anders gelopen, maar dat was hij toen nog niet. En in Haifa was Abba Khoushy, de legendarische burgemeester. Hij was geen kunstkenner, maar hij investeerde in parken. Zo verwaarloosd als Jeruzalem was – er was geen bloemetje, niks – zo schoon was Haifa. Het zag eruit als een Europese stad. Dus de collectie van mijn vader is naar Haifa gegaan.’

Felix Tikotin tijdens de opening van het Tikotin Museum in Haifa. Beeld: Leentje Drukker-Tikotin
Felix Tikotin tijdens de opening van het Tikotin Museum in Haifa. Beeld: Leentje Drukker-Tikotin

 

Nahal Oz, studie in Jeruzalem

 

‘Als je klaar bent met het Machon wordt ervan je verwacht dat je je twee jaar inzet voor je jeugdbeweging in Nederland. Dat heb ik niet gedaan. Niet dat het niet meer hoefde, maar er waren al twee werkers die langer wilden blijven. Ik heb een paar maanden op het kantoor in Amsterdam gewerkt en toen ben ik weer teruggegaan naar Israël. In die jaren was het vanzelfsprekend dat je je madrichiem volgde naar Israël, meestal naar hun kibboets. Ik wilde naar Nahal Oz. Daar ben ik een paar maanden geweest. Ik wilde eigenlijk studeren, maar daar had ik twintig jaar op moeten wachten in die tijd. Daarom ben ik de kibboets uitgegaan en naar Jeruzalem verhuisd.

Kibboets Nahal Oz, vlakbij de Gazastrip, 1957. Beeld: GPO / Moshe Pridan
Kibboets Nahal Oz, vlakbij de Gazastrip, 1957. Beeld: GPO / Moshe Pridan

Toen ik in Holland was had ik het idee dat ik landbouw wilde studeren. Als ik in Holland was gebleven, zou ik naar Wageningen zijn gegaan. Maar toen ik eenmaal in Israël was, wilde ik sociaal werkster worden. Dat kwam ook een beetje door het Machon. We hebben Marokkaanse immigranten “ontvangen” en wij moesten dansjes met hun kinderen doen. We hebben ze begeleid van de haven naar Dimona. Ze werden daar gedumpt. De manier waarop vond ik vreselijk en het zat me niet lekker. Dus ik wilde sociaal werk studeren en ik heb me ingeschreven voor de eerste lichting (machzor) die academisch was.

Givat Ram was er nog niet, en de lessen waren in een winkel naast het King David Hotel. Alle grote knakkers van sociaal werk in Israël hebben in mijn jaar gezeten. Maar ik kon het niet aan, want het was allemaal in het Ivriet. De teksten waren gedrukt op stencils en dat kun je in het beste geval toch al niet lezen. Probeer zo maar teksten over sociologie en psychologie te ontcijferen.

En wie was het hoofd? Lotte Salzberger (Charlotte Wreschner) de vrouw van de bekende arts Maccabi Salzberger. Zij was nota bene tijdens de oorlog in Holland geweest, maar ze liet zelfs niet aan mij doorschemeren dat ze Hollands kende. Als ik geweten had dat al die teksten vertaald waren uit het Engels en gewoon in de bibliotheek voorhanden waren, dan had ik die teksten tenminste in het Engels kunnen lezen.

Ik heb de makkelijkste weg gekozen. Ik ben ermee opgehouden en ik ben Engels en Frans gaan studeren. Mijn vader hielp mij financieel en ik werkte een beetje. Mijn jongste zusje Cecilia kwam bij mij in 1959 in Jeruzalem en heeft een jaar bij mij gewoond. Dat was heel gezellig.

Ik leerde mijn man Alfred Drukker hier in Israël kennen. Hij had in Amsterdam zijn doctoraat Medicijnen gehaald maar hij wilde in Israël zijn stages doen en patiënten leren kennen. Hij kwam bij mij om de hoek wonen en zo hebben we elkaar leren kennen.

Mijn man en ik kregen na ons huwelijk binnen vijf jaar vier kinderen. Ik heb na mijn huwelijk bij uitgeverij Keter gewerkt, waar ik mee hielp een Nederlandse encyclopedie te vertalen. Toen we ermee klaar waren, kreeg ik de originele Hollandse encyclopedie mee naar huis. Die nam twee lange boekenplanken in beslag. De plaatjes waren leuk, dus de kinderen konden die nog gebruiken.’

 

Amcha

 

‘Ongeveer dertig jaar geleden kreeg ik nachtmerries als gevolg van het jarenlang verdringen. Cecilia had namelijk in 1974 zelfmoord gepleegd en mijn moeder in 1978, beiden leden aan manische depressies. In die tijd was ik min of meer klaar met mijn carrière. De kinderen waren de deur uit. Ik had de luxe om me te laten gaan: I was a mess. Toen vertelde een buurvrouw van mij dat ze in Amerika was geweest naar een congres van ondergedoken kinderen. Ik zei: “Jij?” want ik dacht zeker te weten dat ze een sabra (een in Israël geborene) was. “Ik ook,” zei ik toen. Over dat onderwerp werd in die tijd niet gepraat. Niemand wist dat van elkaar, want wij waren immers geen oorlogsslachtoffers. Wij hadden niets meegemaakt.

Op een gegeven ogenblik las ik een advertentie in de krant dat er bij Amcha een groep werd georganiseerd voor ondergedoken kinderen. Ik dacht: och, Amcha, psychologen, psychiaters. Als ze mijn zusje en moeder niet konden helpen, dan zijn ze niks waard. Ik hoef dat niet. Maar toen bleek dat het maar één avond in de maand of zo was. Ik dacht: zo erg kunnen ze me niet brainwashen, ik ga ernaartoe.

Ik zat in een groep van twaalf mensen. Vier kende ik min of meer mijn hele leven. Ze kwamen uit Haboniem, waren min of meer tegelijk met mij op Alijah gekomen, min of meer tegelijk getrouwd, ik had met ze gezeten bij de zandbak met de kinderen. We hadden over van alles en nog wat gepraat, maar ik had geen idee waar ze in de oorlog waren geweest.

Er ontstond onderling een nauwe band, want iedereen had plotseling in dezelfde tijd last van de oorlog. Iedereen had hetzelfde meegemaakt, hoe moeilijk het was geweest. Die oorlog hadden we dan wel overleefd –kinderen kunnen zich aanpassen en de ene dag katholiek zijn en de andere dag wat anders – maar na de oorlog werd daar echter niet over gesproken. Dat was taboe. Net zomin als er gesproken werd over al die schimmen van mensen die dood waren. Je voelde en wist dat je je ouders niks mocht vragen.

Op Jom Hasjoa vertelde mijn man Alfred altijd van alles, want die was in een kamp geweest met zijn ouders en zijn zusje, waar het familieleven min of meer doorging en niet was afgekapt. Er werden bij hem thuis nog lang grapjes gemaakt over dat Alfred zo goed aardappelen kon stelen, omdat hij zo klein was in het kamp en zulke dingen meer. En bij ons? Er was geen oorlog, er was geen voor de oorlog, er was geen na de oorlog. Dat gevoel hadden we allemaal bij Amcha. We waren allen ondergedoken kinderen. We hadden allemaal hetzelfde syndroom van we mochten niks zeggen en vragen. We moesten lief zijn.

Dat taboe is doorgegaan met je eigen kinderen. Tijdens de bijeenkomsten in Amcha durfden we ieder onze verhalen te vertellen. Dat ervoeren we als een bevrijding. Pas daarna kon ik mijn eigen kinderen vertellen dat mijn moeder en zusje zelfmoord hadden gepleegd. Voordien kon ik dat niet, het was toch “mijn schuld” geweest. Mijn kinderen waren toen het leger al uit. Sindsdien kan ik mijn verhaal ook aan anderen vertellen.

Amcha heeft me ontzettend geholpen. Nadat de therapie afgelopen was zijn we als groep bij elkaar gebleven en hielden geregeld huisbijeenkomsten, ook als we geen support nodig hadden.’

 

Machon vijftig jaar

 

‘Toen het Machon vijftig jaar bestond had ik alle Machon-leden van ons jaar die in Israël woonden uitgenodigd. Ze kwamen bij ons thuis en dat was heel gezellig. We hebben een wandeling gemaakt naar waar het Machon toen was (in Chizkiyahu HaMelech straat in Katamon, Jeruzalem). Iemand vroeg: “Waar woonde jij?”

De Amerikanen woonden in het hoofdgebouw en wij woonden in houten loodsen (tsrifiem) buiten. Dat vonden we heel prettig, want in het hoofdgebouw ging om tien uur de voordeur op slot. Maar wij konden er op ieder tijdstip in. We hadden ook kacheltjes waar we toast op konden maken, terwijl in het hoofdgebouw centrale verwarming was. En wat hebben de Amerikanen daar destijds over gezegd? Dat hebben we toen niet gehoord, maar dat hoorde ik nu jaren later. “Die Europeanen kunnen wonen in die barakken, want dat zijn ze gewend uit de kampen.” Dat was de houding in 1956. De Amerikanen zeiden ook: “Dat we toen in 1956 nooit gevraagd hebben: “Waar waren jullie tijdens de oorlog?” Ik zei: “Als jullie dat toen gevraagd hadden, hadden we niet geantwoord.”’

 

Vluchtelingenwerk

 

‘Zoals gezegd waren wij tot 1954 statenloos. Mijn vader moest reizen voor zijn werk en als hij naar België moest, naar Brussel voor één dag, dan moest hij drie weken van tevoren een visum aanvragen. Hij moest dan bij het consulaat in de rij zitten. Na school moest ik hem afwisselen in de rij, dan kon hij even naar de post, of wat anders doen. Dat was mijn taak. Daar zat ik weleens naast echte vluchtelingen. Wij hadden immers een huis en spraken Hollands. Dat beeld van echte vluchtelingen is ingezonken.

Toen mijn kinderen wat groter werden, had ik een vriendin die zei: “Wil je niet werken met vluchtelingen?” Ik had werkelijk geen idee waar ze het over had. Nou bleek dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) een kantoortje heeft in Jeruzalem, in het gebouw van de Joint (JDC).

Ik kreeg daar een baan als secretaresse en ik kon mijn Frans en Engels goed gebruiken. In die tijd kwamen er in Israël ongeveer tien vluchtelingen per jaar.

Mijn werk bestond er vooral uit om voortdurend in discussie te gaan met het ministerie van Binnenlandse Zaken. In feite was het sociaal werk. Voor elk individueel geval moest ik opnieuw vechten en proberen het ministerie te overtuigen. Zodra een vluchteling een werkvisum kreeg, konden ze verder. Dan hadden ze inkomsten en zorgden ze er uiteindelijk zelf wel voor dat ze bijvoorbeeld naar een land als Canada konden emigreren, want Israël is niet het meest ideale land voor buitenlanders. Ik behandelde ongeveer tien van zulke zaken per jaar. Ik was hun moeder en hun vader, ik was hun adres. Als ze het land inkwamen wisten ze niet dat we bestonden. Het Rode Kruis stuurde ze naar ons toe.

Na de Eerste Golfoorlog (1990–1991) kregen we te maken met een groep van twintig Irakezen. Ze waren anti-Saddam en naar Jordanië gevlucht, maar omdat Jordanië het Vluchtelingenverdrag niet heeft ondertekend en hen dreigde terug te sturen, zijn ze verder gevlucht naar Israël. Een paar van hen zijn zelfs met autobanden vanuit Jordanië via de Dode Zee gekomen, slechts gekleed in een onderbroek en met een witte vlag. Ze werden onmiddellijk opgepakt en ondervraagd door de Shabak (de Israëlische binnenlandse veiligheidsdienst), en uiteindelijk kwamen ze bij mij terecht.

Er is een geval waar ik maandenlang slapeloze nachten van heb gehad. Er waren drie Soedanezen die bij de grens door het leger waren opgepikt. Het was op een feestdag, of een lang weekend, en ik was er niet. Deze Soedanezen hadden eigenlijk vastgehouden moeten worden, maar dat is niet gebeurd. Ze zijn naar hun land teruggestuurd en bij terugkomst in Soedan onthoofd. Mijn kantoor viel onder het ministerie van Buitenlandse Zaken en nadat bekend werd dat ze onthoofd waren, kreeg dat ministerie op de donder. Maar ik ook, want ik was er niet, drie dagen lang. En ik dacht: mijn schuld. Dat werk heb ik gedaan tot ik met pensioen ging.’

 

Yad Vashem

 

‘Een paar jaar heb ik meegewerkt aan een project van Yad Vashem. Yad Vashem stelde een Lexikon van de Rechtvaardigen onder de Volkeren samen. Deze serie bevat de persoonlijke verhalen van elk van de mannen en vrouwen die hun eigen leven en dat van hun families riskeerden om Joden te redden tijdens de Holocaust. We waren met een groepje van vier of vijf gepensioneerden. Het werk deden we thuis. We namen het dossier van de betreffende Rechtvaardige mee naar huis om het door te lezen. We wisten toen niet dat het een boek zou worden. Ik denk dat ik zeker honderd dossiers doorgelezen heb. We moesten die dossiers voorzien van een samenvatting en register. We hebben eerst de Rechtvaardigen van Nederland gedaan en daarna die van België.’

 

Joden die Joden redden

 

‘Ik ben een van de mensen in een soort lobbygroep genaamd Joden Die Joden Redden. Er zijn plannen dat het Wilfrid Israel Museum in kibboets HaZore’a een ruimte gaat wijden aan dit onderwerp. Dit museum is genoemd naar Wilfrid Israel. Hij is verongelukt met zijn privé-vliegtuig toen dat door de Luftwaffe in 1943 neergeschoten werd. Hij heeft de Kindertransport gefinancierd waardoor omstreeks tienduizend Joodse kinderen gered konden worden. Hij was een verzamelaar van Oost-Aziatische kunst en daardoor kenden mijn vader en hij elkaar.’

Boekpresentatie Veerkracht, 13 februari 2020. Vier van de voor het boek geinterviewde jeugdbewegers. Vlnr: Pinchas Bar Efrat, Leentje, Mirjam Bolle en Elly Drukker, weduwe van Benjamin Maoz.
Boekpresentatie Veerkracht, 13 februari 2020. Vier van de voor het boek geïnterviewde jeugdbewegers. Vlnr: Pinchas Bar Efrat, Leentje, Mirjam Bolle en Elly Drukker, weduwe van Benjamin Maoz.

_________________

Noten

 

  1. website Haifa Museums.
  2. Leendert de Graaf (1886-1976) en Rebecca van Gelder (1907-1995).
  3. Wout en zijn vrouw hebben de titel Rechtvaardigen onder de Volkeren gekregen.
  4. Willem Sandberg ontwierp in 1966 het logo voor het Israel Museum in Jeruzalem. Het logo bestaat uit vier geometrische vormen die de belangrijkste onderdelen van het museum voorstellen: de Beeldentuin, het Schrijn van het Boek, de Archeologievleugel en de Kunstvleugel. Sandbergs minimalistische ontwerp groeide uit tot een iconisch symbool van de instelling.
  5. Het interview met Miriam Andriesse wordt binnenkort online gezet.
  6. Het gebouw waarin tegenwoordig het Jerusalem Artists’ House is gevestigd, werd in 1890 gebouwd. Enkele jaren later werd het, samen met het naastgelegen gebouw, aangekocht door het Joods Nationaal Fonds. Toen Boris Schatz in 1908 de Bezalel School of Arts and Crafts oprichtte, werden de twee gebouwen onderdeel van het nieuwe Bezalel-complex: de school vestigde zich in het aangrenzende gebouw, terwijl dit pand dienstdeed als het Bezalel Nationaal Museum. Naast Joodse kunst en lokale archeologische vondsten omvatte het museum ook een collectie inheemse flora en fauna van het Land van Israël, die als modellen dienden voor het ontwerp van kunstobjecten. Met de opening van het Israël Museum in 1965 werden de collecties van het Bezalel Nationaal Museum naar de nieuwe locatie overgebracht, waarna het gebouw een nieuwe functie kreeg als woon- en werkplek voor kunstenaars uit Jeruzalem.
Deel deze pagina