veerkracht.online

een online platform over de Joodse jeugdbeweging in het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog

Mirjam Lapid-Andriesse

Mirjam Lapid-Andriesse

‘Mijn naam is Mirjam Andriesse. Ik ben geboren op 17 april 1933 in Deventer. Mijn ouders waren als sinds hun jeugd heel erg zionistisch, dus ik kom uit een zionistisch huis. Ik ben de jongste van vier kinderen. Mijn broer Joseph (Joop) werd geboren in 1924, Bram in 1926 en Rosette Cato (Ted) in 1927.

Moeder Betje met zoon Joseph en dochter Rosette. Beeld: Yad Vashem
Moeder Betje met zoon Joop en dochter Rosette. Beeld: Yad Vashem

Mijn moeder, Betje van Spiegel (1902-1981), was huisvrouw, maar voor ze trouwde en ook nog in het begin van haar trouwen was zij de eerste secretaresse van de Hechaluts in Deventer.

Mijn vader, Herman Andriesse (1892-1945), was vertegenwoordiger van een schoenenfabriek. Hij reisde daarvoor per trein het hele land door.

Vader Herman als officier in het Nederlandse leger.
Vader Herman als officier in het Nederlandse leger

Mijn vader was een van de weinige Joden die vrijwillig in dienst trad bij het Nederlandse leger. Hij was toen negentien jaar oud. Aanvankelijk was hij officier en later werd hij bevorderd tot majoor. Ik heb zijn dienstboekje uit die periode nog steeds.

Al van jongs af aan kan ik me herinneren dat wij sterk gericht waren op Palestina – later Israël – en op het Jodendom. Thuis waren we niet religieus, maar alle feestdagen werden gevierd en alles wat met het zionisme te maken had, speelde een belangrijke rol in ons leven.

In 1939 woonden wij in Deventer. Mijn vader werd opgeroepen om commandant te worden van het station in Arnhem. Hij verbleef dus in Arnhem, terwijl wij in Deventer woonden.

Joop, Rosette, Mirjam en Bram in Deventer, 1938. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

Daarop liet mijn vader het gezin terugkeren naar Utrecht, waar we eerder al jarenlang hadden gewoond. Ik ben de enige van de kinderen die in Deventer is geboren; mijn drie broers en zussen zijn allemaal in Utrecht ter wereld gekomen. Op een gegeven moment – vermoedelijk omdat mijn vader zoveel reisde – wilde mijn moeder echter graag terug naar Deventer, waar haar hele familie woonde.’

Het gezin Andriesse, 1939. Vlnr: Rosette, vader Herman, Bram, Mirjam, moeder Betje en Joseph
Het gezin Andriesse, 1939. Vlnr: Rosette, vader Herman, Bram, Mirjam, moeder Betje en Joop
Miriam en Aki en hun kinderen en kleinkinderen voor hun huis in de Van Speijkstraat 12 in Utrecht waar Miriam voor de oorlog heeft gewoond, 2016
Van Speijkstraat 12 in Utrecht waar Mirjam voor de oorlog heeft gewoond. Tijdens een reis in 2016 bezochten Mirjam en Aki met hun kinderen en kleinkinderen plekken die belangrijk waren geweest in Mirjams leven.

 

Lagere school in Utrecht

 

Mirjam, 1939
Mirjam, 1939

‘Zoals gezegd gingen wij in 1939 terug naar Utrecht en daar ben ik in september naar de lagere school gegaan. Dat was een niet-Joodse school. We woonden in een buurt waar geen Joden woonden. Ik was het enige Joodse kind op de school.

Op een gegeven moment mochten de Joodse kinderen niet meer naar openbare scholen. Het hoofd van de school heeft geprobeerd om er tegen te protesteren maar dat hielp hem niet. Hij is behoorlijk geslagen door de Duitsers, met als gevolg dat hij het ziekenhuis in moest en ik toch van school af.

We werden met z’n allen op de binnenplaats van de school verzameld. Hij moest aangeven wie de Joodse kinderen waren, maar dat bleek alleen ik te zijn en hij heeft geprobeerd dat niet te doen.

School 1942
School 1942
Mirjam Andriesse
Mirjam, 1942. Beeld: Yad Vashem

Daarna heeft de Joodse gemeente een soort schooltje opgezet en daar ben ik misschien nog wel een jaar of zo geweest. Ik heb er nog een foto van, maar ik herinner me er eigenlijk niets van. Ik herinner me alleen dat er elke keer weer een leraar weg was of dat er weer een kind minder was: of ondergedoken of gedeporteerd. Maar echt geleerd heb ik niet meer.’

 

Joodse Jeugdfederatie

 

‘Voor ons kinderen was de jeugdbeweging de Joodse Jeugdfederatie het allerbelangrijkste. Daar waren mijn oudere broers en zus lid van. Ik kan me herinneren dat in de oorlog de bijeenkomsten bij ons thuis waren, want je mocht niet meer bijeenkomen in openbare gelegenheden. Ik kan me herinneren dat ik achter de deur stond en ik was zo jaloers. Ik wilde er ook heel graag bij zijn, maar dat mocht niet want ik was te jong.

Leden van de hachsjara in Gouda, inclusief broer Joseph, 1940. Beeld: Yad Vashem
Leden van de hachsjara in Gouda, inclusief Joop Andriesse, 1940. Beeld: Yad Vashem
Bram Andriesse, werkzaam op de Joodse Jeugdfarm Catharinahoeve te Gouda van december 1941 tot mei 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam
Bram Andriesse, werkzaam op de hachsjara Catharinahoeve te Gouda van december 1941 tot mei 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

Ik herinner me dat ze bij Toe Bisjvat bloemen gingen verkopen en bij Rosj Hasjana verkochten ze honing. En ik mocht niet mee! Na de oorlog mocht ik het wel en heb ik dat ook gedaan. Thuis hadden we natuurlijk een busje voor het Joods Nationaal Fonds (JNF).’

Catherinahoeve
De Catherinahoeve in Gouda. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

 

Tweede Wereldoorlog

 

Herman Andriesse
Vader Herman Andriesse. Beeld: Yad Vashem

‘Vanuit Utrecht verhuisden wij naar de Pretoriusstraat in Amsterdam. Tijdens de Duitse bezetting stond mijn vader geregistreerd als veteraan. In 1943 ondernam hij, vermoedelijk naar aanleiding van de Duitse verordening dat Nederlandse oud-militairen zich moesten melden om in krijgsgevangenschap te worden afgevoerd, een poging om met ons naar Palestina uit te wijken. Het immigratieverzoek belandde echter bij de Duitse autoriteiten, die daarop mijn vader arresteerden.’

Oproep aan familie Andriesse voor hun verplichte verhuizing van Utrecht naar Amsterdam, april 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam
Oproep aan familie Andriesse voor hun verplichte verhuizing van Utrecht naar Amsterdam, april 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

 

Westerbork en Bergen-Belsen

 

‘Mijn oudste broer Joop was ondergedoken met behulp van de ondergrondse.

Van juli 1943 tot januari 1944 zaten we zeven maanden in Westerbork. In 2007 heb ik met mijn man en onze vijf kinderen Westerbork bezocht. Daar wezen ze ons waar de schoolbarak stond. Ik zei: “Daar herinner ik me niets van. Ben ik op school geweest in Westerbork?” Van Westerbork herinner ik me alleen maar dat ik zorgde voor een klein kindje van mensen bij ons in de barak, maar kennelijk was daar een school.

Miriam en Aki en hun kinderen en kleinkinderen in Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 2016
Mirjam en Aki met hun kinderen en kleinkinderen in Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Mededeling van Kamp Westerbork aan Herman Andriesse en gezin, dat zij vanwege plaatsing op de Palestina-lijst, naar een andere barak worden overgeplaatst, november 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam
Mededeling van Kamp Westerbork aan Herman Andriesse en gezin, dat zij vanwege plaatsing op de Palestina-lijst, naar een andere barak worden overgeplaatst, november 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

Mijn vader werkte als klerk in Westerbork. Het lukte hem om voor ons gezin een vervalste vergunning om naar Erets Jisraël te emigreren te bemachtigen. Daardoor kwamen wij op een lijst van gevangenen die voorbestemd waren om te worden uitgewisseld.

Vanuit Westerbork zijn we gedeporteerd naar Bergen-Belsen in plaats naar van Auschwitz. We zaten gevangen in het uitwisselingskamp. Dat was dankzij het feit dat wij Palestina-papieren hadden. Die papieren hebben ons gered.

Brief van het Rode Kruis aan Herman Andriesse, over plaatsing op Palestinalijst, Amsterdam, 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam
Brief van het Rode Kruis aan Herman Andriesse, over plaatsing op Palestinalijst, Amsterdam, 1943. Beeld: Collectie Joods Museum, Amsterdam

In Bergen-Belsen was geen school. Maar meer nog dan uit Westerbork heb ik aan dat kamp mijn beste herinneringen aan de bijeenkomsten van de jeugdbeweging. Zo nu en dan hadden we een Oneg Sjabbat (bijeenkomst ter ere van de Sjabbat). De bijeenkomsten werden geleid door de oudere kinderen. Mijn zus was daar ook actief. Ik heb er Hebreeuwse liedjes geleerd. Toen ik naar Israël ging, was ik stomverbaasd dat de Haboniem-leden uit andere landen allemaal diezelfde liedjes kenden.

We zaten achter het prikkelhek van het kamp en vaak stond aan de andere kant een Duitse soldaat of een kapo. Ze keken naar ons en die lieten ons die bijeenkomsten doen. Ik heb daar veel geleerd: liedjes en verhalen over Palestina. Daar denk ik tegenwoordig veel aan, hoe bijzonder dat was.’

 

Tröbitz

 

In de dagen vóór het einde van de oorlog begonnen de nazi’s met het vernietigen van bewijsmateriaal van het bestaan van de concentratiekampen – waaronder locaties en documentatie – en met het wegvoeren van gevangenen naar andere plaatsen in Duitsland.

Op 9 april moesten wij richting de treinen marcheren. Mijn moeder had tyfus en mijn broer en zus hebben haar naar de trein gedragen.

Wij bevonden ons in een van de drie treinen die vanuit Bergen-Belsen vertrokken met als bestemming Theresienstadt, in de huidige Tsjechische Republiek. Onze trein werd later bekend als “De Verloren Trein”. Door bombardementen moest de trein een andere route kiezen en werd hij uiteindelijk gedwongen te stoppen bij het dorpje Tröbitz.

Mijn twaalfde verjaardag heb ik gevierd in die trein, op 17 april 1945. Sindsdien vier ik mijn tweede verjaardag op 23 april, de dag dat we werden bevrijd door het Russische leger in Tröbitz.

De Russen hebben ons overgedragen aan het Amerikaanse Rode Kruis in Leipzig, dat vlakbij lag. De mensen die redelijk gezond waren, zijn volgens mij allemaal per vrachtauto teruggebracht naar Nederland. Mijn moeder en mijn zus waren echter zeer ziek. Daarom zijn wij met z’n vieren met een Rode Kruis-trein van het Amerikaanse Rode Kruis naar Nederland vervoerd.

We zijn vijf van de zes teruggekomen, alleen mijn vader heeft het niet overleefd.’

 

Terug naar Utrecht

 

‘In juli 1945 waren we terug in Utrecht. Mijn moeder nam contact op met de niet-Joodse familie die tijdens de oorlog veel onderduikers had geholpen en ons ook had bijgestaan. Tot ons geluk waren zij er nog. Zij zorgden er onmiddellijk voor dat mijn zus in het ziekenhuis werd opgenomen.

Het huis waar wij vóór de oorlog hadden gewoond, bleek inmiddels door anderen bewoond en konden we niet terugkrijgen. Maar schuin tegenover ons, in dezelfde straat, had vóór de oorlog een Joodse familie gewoond, van een zeer bekende professor. Dat was een groot huis, en het stond leeg. Ik heb mijn moeder later nooit gevraagd hoe wij eraan zijn gekomen, maar dat huis kregen wij toegewezen.

Mijn moeder nam daar vervolgens nog vijf Joodse weesmeisjes in huis op via Le’Ezrat Hajeled (Hulp aan het Kind). Daarvoor ontving zij een vergoeding.

Ik was twaalf en moest naar de middelbare school. Daarvoor moest ik een toelatingsexamen doen. Tijdens de oorlog was ik wel op de lagere school geweest, maar verder had ik geen onderwijs meer gehad. Mijn broers en mijn zus zaten toen inmiddels al op de middelbare school in de buurt.

Mijn moeder ging met mij mee naar die school, waar ik het toelatingsexamen aflegde. Ik had werkelijk geen flauw idee waar ze het over hadden. De directeur herinnerde zich mijn oudste broer nog goed; die had in de eindexamenklas gezeten, al heeft hij geen eindexamen meer gedaan, maar hij stond bekend als zeer pienter. Toen zei de directeur: “Nou, als ze een zusje van hem is, dan neem ik haar aan en dan zien we het wel.”

Ik was doodongelukkig. Ik had geen idee wat er van mij werd verwacht.’

 

Werkplaats Kindergemeenschap Kees Boeke in Bilthoven

 

‘En toen heb ik enorm geluk gehad. Ik weet niet eens meer hoe we eraan zijn gekomen, maar in Bilthoven was een bijzondere school: de Werkplaats Kindergemeenschap, opgericht door Kees Boeke. Het bijzondere was allereerst dat het een kindergemeenschap en een werkplaats werd genoemd; het woord “school” werd eigenlijk niet gebruikt. Je mocht de leraren bij de voornaam noemen, maar het belangrijkste was dat je geen les kreeg volgens vaste klassen, maar per onderwerp. Met andere woorden: je kon rekenen met de ene groep en taal met een andere groep, ieder in zijn eigen tempo.

Er was veel muziek en kunst, en we hadden een grote groentetuin. We hebben daar zelfs aardappelen gekweekt, dat kan ik me nog goed herinneren. Naar deze plek mocht ik toe. Dat heeft mij gered. Ik vond het er fantastisch. In die jaren was ik de enige Joodse leerlinge op die school.

Ik ben daar vier jaar gebleven. Ik heb geen eindexamen gedaan, maar wel een IVO-diploma gehaald. Het was een fietstocht van een half uur. Met een vriendinnetje en nog twee anderen fietste ik elke dag een half uur door de bossen; dat was eigenlijk ook heerlijk. We verzamelden ons aan het eind van de straat, de Biltstraat, en reden dan met z’n vieren samen door het bos naar school.

Ook de prinsessen Beatrix en Irene gingen naar deze school, en zij kwamen eveneens op de fiets, maar er reed altijd een speciale auto van Soestdijk achter hen aan.’

 

Heroprichting JJF Utrecht, Joodse Brigade

 

‘In Utrecht werd direct na de oorlog de JJF weer opgezet. Voor de meer religieuze Joodse kinderen waren er ook afdelingen. De wekelijkse bijeenkomsten waren in de sjoel aan de Springweg.

We kwamen bijeen op Sjabbat voor een Oneg Sjabbat en ook wel op zondag en op de chagiem (Joodse feestdagen).

In het kersenseizoen hielden we onze bijeenkomsten op zondag in een van de kersenboomgaarden rond Utrecht, want dan mochten we zoveel kersen eten als we konden plukken. Dat waren dus leuke en lekkere bijeenkomsten.

Er was in Utrecht een huis van de hachsjara voor chaloetsiem (pioniers). Daar kwamen altijd een paar soldaten van de Joodse Brigade. Van hen hebben we Sjioerei Tenach (Bijbellessen) gehad. Ze vertelden ons over Palestina en je leerde een beetje Ivriet. Deze soldaten spraken weinig Nederlands. Hun aanwezigheid was heel fijn en bijzonder.

De JJF had zelfs al sjelichiem meteen na de oorlog. Die eerste sjelichiem waren Duitssprekend dus dat ging wel aardig, maar er kwamen ook Hollanders uit kibboets Choeljoth. Een daarvan was Jitschak Slijper. Die sjelichiem kwamen niet alleen bij ons in Utrecht, die gingen overal heen. Wij zagen hen vooral in de kampen en de seminars.

We zongen op deze bijeenkomsten. Toen ontdekte ik dat de liedjes die ik in Bergen-Belsen had geleerd nog steeds werden gezongen en dat iedereen ze kende.

Ik schat dat op die bijeenkomsten op z’n hoogst tien kinderen kwamen.’

 

Zomerkamp Voorthuizen 1946

 

‘Ik mocht naar het eerste zomerkamp van de JJF in 1946. Mijn broer Joop had dat kamp helpen organiseren. In Voorthuizen en Lunteren waren de zomerkampen. We gingen daar met de trein heen en sliepen daar in tenten.

Ik moet altijd wel lachen als ik eraan terugdenk. In de Hollandse zomerkampen werden altijd twee programma’s voor iedere dag gemaakt: één voor wat we eigenlijk wilden doen en één voor het geval het zou regenen. Dat kunnen ze hier in Israël niet begrijpen waarom je dat moest doen.

Als het regende, en dat gebeurde altijd wel eens, dan gingen we binnen in de cheder ochel (hoofdtent waar tevens de maaltijden werden geserveerd) iets doen.

We maakten wandelingen, een tocht naar zee, we hebben een beetje tsofioet (alles wat met padvinderij te maken heeft) gedaan.

Eindappèl. Sjaliach Menachem Rand staat rechts van Mirjam
Eindappèl. Mirjam is de tweede van links, sjaliach Menachem Rand staat naast haar (met wit overhemd en vest)

We hebben veel geleerd van de sjelichiem. We kregen verhalen te horen over het leven in Israël [Erets Jisraël] en de kibboets. We hadden een kampkeuken en je had dus ook corvee.

We verkleedden ons vaak als chaloetsiem en als Arabieren met een kaffiya. Op de laatste avond was er een groot feest met sketches.

In de zomerkampen waren er altijd kampmoeders aanwezig; zelfs in de periode 1951-1953 toen ik mazkiera (secretaris) van de beweging was. Dat was ook nodig met het oog op de ouders: je kon hun kinderen niet zomaar meenemen, er moest iemand verantwoordelijk zijn.’

 

Winterseminars voor madrichiem

 

Winterseminar in Arnhem, 1951/52
Winterseminar in Arnhem, 1951/52. Mirjam staat achteraan rechts.

‘Ik kan me een winterseminar voor madrichiem in Bunnik herinneren, voor de leeftijd van vijftien tot zeventien jaar.

In december 1952 hadden we een Ivriet-seminarium in Wijk aan Zee met sjelichiem. Daar waren ongeveer dertig madrichiem.

In 1953 in Maarn hadden we een Pesach-seminarium, daar leerden we een beetje Ivriet, en we leerden over Israël.’

Winterkamp Lunteren, 1951
Winterkamp Lunteren, 1951

 

Bonnie en Bennie

 

‘Wij waren dus toen eindelijk al Haboniem geworden. Er was Bne Akiwa voor de religieuze jeugd. Haboniem werd “Bonnie” en Bne Akiwa werd “Bennie” genoemd. Onze eerste landdag droeg de slogan “Met Bonnie en Bennie naar de landdag in Lunteren”. Dat was in mei 1953. Daar ben ik een van de organisatoren van geweest. Dat was heel geslaagd en heel belangrijk. Het was een landdag met een paar speeches en een paar wedstrijden. Ik heb een foto waarop te zien is dat er werkelijk heel veel kinderen waren, daar moeten een paar honderd kinderen geweest zijn. Het was gelukkig prachtig weer.’

Met Bonnie en Bennie naar de landdag in Lunteren, mei 1953
Met Bonnie en Bennie naar de landdag in Lunteren, 24 mei 1953

 

Zomerseminarium voor madrichiem

 

‘In 1952 hadden we een zomerseminarium voor madrichiem in Elst. We waren daar de hele dag intensief bezig. We hadden internationale gastsprekers uitgenodigd, zoals Chaim Rabin, die toen al een bekende naam was. Hij gaf hitpatchoet haSafa (de ontwikkeling van taal), Jehuda haEzrachi verzorgde het onderdeel sifroet chadasja (moderne literatuur] en Tzi Werbelovsky gaf Tenach.

Als ik die namen nu weer zie, neem ik mijn petje voor onszelf af. Dat waren mensen van de eerste rang, en zij kwamen toch naar Nederland om zo’n seminarium te verzorgen.

Meestal kwamen we bijeen in jeugdherbergen, maar ik heb ook een foto uit Maarn, waarop een soort bungalows te zien zijn.’

Pesach-seminarium in Maarn, 1953
Pesach-seminarium in Maarn, 1953

 

Een jaar naar het Machon (Instituut voor buitenlandse leiders) in Israël

 

‘Toen ik zeventien was en alle kampen en seminaria van Haboniem had doorlopen, vroeg de sjelicha (een vrouwelijke afgezante uit Israël) mij of ik naar het Machon wilde. Dat wilde ik dolgraag. Het was bijzonder dat mijn moeder, na alles wat zij met ons had meegemaakt, bereid was haar 17-jarige kind voor een jaar naar Israël te laten gaan.

Ik had vier jaar in de werkplaats/kindergemeenschap in Bilthoven afgerond en ging daarna naar het Machon. Dat bestond uit een half jaar intensief studeren – Ivriet, Tenach en andere vakken – gevolgd door vijf maanden werken in verschillende kibboetsiem.

Dat jaar was fantastisch. Ik heb het samen gedaan met Arieh Velleman, die inmiddels is overleden. Van september 1950 tot september 1951 was ik op het Machon. De afspraak was dat je daarna zou terugkeren om twee jaar voor de jeugdbeweging te werken.’

 

Twee jaar mazkiera van Haboniem – Gar’in

 

Mirjam in Amsterdam, 1953
Mirjam in Amsterdam, 1953

‘Na mijn terugkomst was ik twee jaar lang mazkiera van Haboniem Holland. Dat waren twee fantastische jaren. Omdat ik nog geen achttien was, kon ik reizen met een scholierenkaartje voor trein en tram.

Mijn moeder woonde in Utrecht, maar ik ging wonen op de hachsjara in ’s-Graveland. Na een half jaar ben ik echter teruggegaan naar Utrecht, omdat bij mij plotseling “verdachte” tbc werd geconstateerd. Daardoor moest ik bijna een half jaar thuis liggen. In principe woonden we dus op de hachsjara in ’s-Graveland.  We hebben in die tijd ook een gar’in (kerngroep) opgezet om samen naar Israël te gaan.

Iedere avond namen we de laatste trein vanuit Amsterdam naar Hilversum. Daar stapten we uit en als het ijscomannetje nog open was, kochten we nog een ijsje; als hij al dicht was, hield het op. Daarna namen we de laatste bus naar ’s-Graveland. In de bus vielen we altijd in slaap.

Ik reisde vaak samen met Eefje van Gelder. De buschauffeur wist inmiddels wel waar we moesten zijn. Hij stopte voor de deur van de hachsjara en maakte ons wakker. Het was vaak al twaalf uur of één uur ’s nachts.

Mirjam luidt de bel

De volgende ochtend gingen we weer terug naar Amsterdam. We begonnen meestal niet vóór een uur of negen op kantoor. De werkzaamheden bestonden uit het behandelen van post en telefoon, het maken van programma’s en het uitbrengen van het krantje. Als er aangetekende post kwam, moesten we iedere keer vier verdiepingen naar beneden rennen. Madrichiem stuurden soms brieven naar de groepen die zij leidden; die werden op kantoor gestencild. Ik had zelf geen eigen groep, omdat ik mazkiera was. Wel bezocht ik alle snifiem (afdelingen).’

 

Alijah, kibboetsleven

 

In een artikel uit het NIW van 16 oktober 1953 staat het volgende:

Grote Groep op Alyah. Woensdagmorgen 14 October verliet een grote groep oliem Amsterdam met de Italië-expres, die hen naar Genua zou brengen, vanwaar zij met de boot naar Israël zullen vertrekken. (….) Onder hen zijn Mirjam Andriesse en Arjeh Velleman alsmede een madriech van Sjear Jasjoew: Flip Peper. (…) Onder hun leiding is het gewone werk [JJF-Haboniem] voortgezet, maar zijn ook een aantal nieuwe initiatieven genomen: culturele uitgaven voor de jeugd, de Doar Chaweriem, de gezamenlijke landdag met Thora Wa’awoda en Hasjalsjelet zijn alle bewijzen ervan, dat men niet in de oude tredmolen wilde blijven lopen.

Mirjam: ‘Mijn moeder ging met ons mee op de boot. Zij ging naar mijn broer Joop in kibboets Choeliot.

Het was het plan dat onze gar’in naar kibboets Gezer zou gaan, en vandaar naar Beit HaEmek. Daar waren al Hollanders en we hadden ook een sjaliach van Beit HaEmek gehad.’

 

Gar’in Haboniem uit Zuid-Afrika in ’s-Graveland

 

‘Onze gar’in bestond uit tien tot twaalf personen. Eind september 1953, een maand voordat wij op Alijah zouden gaan, kwam er onverwacht een grote groep van een Haboniem-gar’in uit Zuid-Afrika bij ons op de hachsjara.

Zij waren vanuit Johannesburg per schip naar Engeland gereisd, in plaats van rechtstreeks naar Tel Aviv te vliegen. In Engeland hadden zij onderdak gekregen via Haboniem. Ze wilden nog wat meer van de wereld zien en kwamen zo in Nederland terecht. In Amsterdam meldden zij zich bij het Haboniem-kantoor. Ik ging op zoek naar een plek waar zij konden logeren, en zo kwamen zij bij ons op de hachsjara in ’s-Graveland terecht.

Trouwfoto Miriam en Aki, 1954
Trouwfoto Mirjam en Aki, 1954

De hachsjara viel onder de jeugdhachsjara en stond onder leiding van mevrouw Mendas da Costa-Vet. We moesten haar toestemming vragen om de Zuid-Afrikanen bij ons te laten logeren, en die kregen we. In die groep bevond zich ook Aki Lapid, mijn latere echtgenoot.

We keken elkaar aan en zeiden toen: ‘We zijn stapelgek. Zij zijn met tien en wij zijn met tien. Samen vertegenwoordigen we wereld-Haboniem – waarom zouden we niet samen verdergaan?

Zij gingen voor hun hachsjara naar Neot Mordechai en wij besloten met hen mee te gaan. Daar zijn Aki en ik getrouwd en daar zijn we gebleven.’

 

Kibboets Tzora

 

‘In februari 1955 gingen de Zuid-Afrikanen naar Tzora, omdat daar al een groep Zuid-Afrikaanse Haboniemers was. De meeste Nederlanders zijn uiteindelijk toch naar Beit HaEmek gegaan.

In de beginjaren werkte ik enkele jaren als kinderverzorgster (metapelet). Sinds 1960 werk ik in het mazkirut, het secretariaat van de kibboets. In het begin bestond er nog geen secretariaat; ik heb geholpen dit op te zetten. Tot mijn plezier werk ik daar nog steeds.’

Mirjam op het secretariaat van kibboets Tzora,1962
Mirjam op het secretariaat van kibboets Tzora,1962

 

Sjlichoet naar Haboniem Zuid-Afrika

 

‘Omdat Tzora een echte Haboniem-kibboets is, zijn wij ook sjelichiem voor Haboniem in Zuid-Afrika geweest. Het was daar anders: een veel grotere jeugdbeweging en een grote Joodse gemeenschap. Maar uiteindelijk geldt toch: jeugdbeweging is jeugdbeweging.

Miriam in Zuid-Afrika
Mirjam in uniform in Zuid-Afrika

De sjlichoet was fantastisch. We hebben het twee jaar gedaan, met drie kleine kinderen. Ook voor hen is het een goede ervaring geweest.

Ik zie het hier nog steeds: vriendschappen uit de jeugdbeweging zijn voor het hele leven. In Tzora kun je dat duidelijk zien. Aan de ene kant zijn er de Zuid-Afrikanen, die samen zijn opgegroeid in de jeugdbeweging daar en samen Alijah hebben gemaakt. De andere helft van Tzora komt uit de beweging Werkende en Lerende Jeugd (No’ar Ha’Oved VeHaLomed), die ook allemaal samen zijn opgegroeid in hun eigen afdeling (snif).

De jeugdbeweging is werkelijk zo belangrijk; zij geeft zoveel. Ik heb er zelfs mijn man aan te danken.’

Mirjam en Aki met hun kinderen, 1979
Mirjam en Aki met hun kinderen, 1979

 

Slotanekdote

 

‘Zoals gezegd werkte ik op het secretariaat van Haboniem in Amsterdam. Het kantoor was aan de Johannes Vermeerstraat en we hadden nooit geld om behoorlijk te eten. Het allerlekkerste wat we ons konden veroorloven was een broodje van Broodje van Kootje op het Leidseplein in Amsterdam.

Vanuit het kantoor aan de Johannes Vermeerstraat 22 op weg naar Broodje van Kootje
Vanuit het kantoor aan de Johannes Vermeerstraat 22 op weg naar Broodje van Kootje
Het Vette Hapje aan de Magere Brug. Beeld: Stadsarchief Amsterdam
Het Vette Hapje aan de Magere Brug. Beeld: Stadsarchief Amsterdam

Echt eten konden we alleen bij Het Vette Hapje. Dat was een heel klein Indonesisch restaurantje bij de Magere Brug. Het was goedkoop. Je kreeg heel veel Indonesisch eten met allemaal rijst en zo. Dat konden we ons veroorloven en daar hebben wij de Zuid-Afrikaanse gar’in die toen bij ons was, mee naartoe genomen.

Altijd als mijn man en ik naar Amsterdam gingen, dan zeiden we tegen elkaar: “Hier is de Magere Brug, weet je het nog?” Het Vette Hapje zelf bestaat al jaren niet meer.’

Mirjam Lapid-Andriesse is in 2023 overleden.

In Bergen-Belsen bij het monument ter nagedachtenis aan vader Herman
Mirjam en Aki met hun kinderen en kleinkinderen in Bergen-Belsen bij het monument ter nagedachtenis aan Herman Andriesse, de vader van Mirjam
Deel deze pagina